Een minderheidskabinet – waarom niet?

Minderheidskabinet?

Er wordt de laatste dagen door informateur Edith Schippers af en toe waarschuwend gesproken over een ‘minderheidskabinet’ dat er aan zit te komen als de partijen betrokken in de informatieonderhandelingen niet willen bewegen. Ze brengt het een beetje als een doemscenario. Maar is het wel zo’n ramp op termijn? Dat kun je je afvragen. We hebben, net na de verkiezingen van maart 2017, 13 fracties in de Tweede Kamer waarvan er maar 2 meer dan 20 zetels hebben (VVD 33, PVV 20), 4 partijen tussen de 10 en 20 zetels CDA en D66 19, en Groen Links en SP 14), eentje met 9 zetels en 6 fracties met 5 of minder zetels (CU 5, Partij voor de dieren 5, 50plus 4, SGP 3, Denk 3, Forum voor de Democratie 2). Een sterk gefragmenteerd landschap waarin de puzzel voor een meerderheidskabinet bijna onmogelijk te leggen valt. De grootste partij heeft maar 22% van de stemmen, de op een na grootste 13%. Een rekenkundige nachtmerrie. Dat wordt alleen maar erger nu alle partijen een van de grotere partijen (PVV) uitsluiten. Het telt maar nooit eenvoudig op boven de 76. De situatie doet sterk denken aan die van het versplinterde politieke landschap van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Meerderheids- en minderheidskabinet

Eerst even iets over de terminologie. We noemen een kabinet een meerderheidskabinet als het kan rekenen op de – vooraf vaststaande – steun van een meerderheid van de Tweede Kamer. Is dat niet het geval dan wordt het kabinet aangeduid als een minderheidskabinet. Natuurlijk moet een kabinet om te kunnen functioneren ook steun krijgen van de Eerste Kamer. Echter zelfs als eens kabinet niet kan steunen op een vooraf vaststaande meerderheid in de Eerste Kamer dan nog noemen we zo’n kabinet toch nog een meerderheidskabinet. Het kabinet Rutte-II (2012-2017) was dus een gewoon meerderheidskabinet.

Er wordt ook nog wel onderscheiden naar interim- en rompkabinetten waarin een kabinet wegens een kabinetscrisis (ontstaan door wegvallend vertrouwen in een van de Kamers of interne conflicten) noodgedwongen even verder gaat als een ‘minderheidskabinet’ – bijvoorbeeld om ‘missionair’ een paar belangrijke zaken af te handelen tot aan nieuwe verkiezingen. Zo’n kabinet dat een bedrijfsongeluk heeft gehad onderweg noemen we daarmee nog geen minderheidskabinet. Die term is eigenlijk gereserveerd voor een kabinet dat vanaf de start – willens en wetens – geen meerderheid in de Tweede Kamer heeft. Toch wordt er in de wandeling ook dan bij zo’n rompkabinet ook wel eens gesproken van een minderheidskabinet.

Een enkele keer spreken we ook van extraparlementaire of zakenkabinetten om daarmee aan te geven dat veel of de meeste van de ministers niet uit de Kamer afkomstig zijn (dus ook niet verkozen zijn). Dat komt tegenwoordig eigenlijk niet meer voor.

Wat is er nu zo erg aan een minderheidskabinet?

Er zijn twee problemen met een minderheidskabinet. Ten eerste (en het meest belangrijke) is er het probleem van het té kleine draagvlak. Kort en goed: met een minderheidskabinet krijg je een landsbestuur dat niet de wil van de meerderheid van de kiezers vertegenwoordigt. Nu wordt de volkswil zelden onversneden uitgedrukt in de Nederlandse coalitiedemocratie, maar minderheidskabinet vertegenwoordigt niet echt. Vandaar ook dat de meeste minderheidskabinetten in onze parlementaire geschiedenis als een soort armoede-bod (niets anders lukte) en onder druk van de omstandigheden tot stand kwamen. Een tweede probleem van minderheidskabinetten is hun gebrekkige stabiliteit. Een minderheidskabinet kan door wisselende meerderheden die het tegenover zich vindt eenvoudig beentje worden gelicht en naar huis worden gestuurd. Minderheidskabinetten zijn heel gevoelig voor ‘politieke spelletjes’. Je zou zeggen dat het voordeel van een minderheidskabinet is dat ze net als meerderheidskabinetten die een regeerakkoord op hoofdlijnen hebben gesloten, veel ruimte laten voor debat met de Kamer (dualistische verhoudingen). In theorie komt zo’n constructie het debat met de Kamer ten goede – geen achterkamertjesgedoe. Maar dat is slechts de theorie. Een minderheidskabinet dat op niet meer dan een paar fracties steunt kan meestal ook niet rekenen op enige politieke loyaliteit van de meerderheid van de Tweede Kamer. Andere dan de coalitiefracties in de Kamer zullen geen verbondenheid voelen met het kabinet en het daarom zo kort als mogelijk in leven willen houden om zo weer nieuwe kansen te creëren bij volgende verkiezingen. Zeker in het snel wisselende politieke landschap en met de grote aantallen permanent zwevende kiezers zijn de kansen van een minderheidskabinet nu slecht. Een manier om die kansen te keren (als geen meerderheidskabinet mogelijk blijkt) is om een gedoogconstructie met een fractie buiten het kabinet af te spreken. Die ‘gedogende’ fractie steunt het kabinet dan op een groot aantal vooraf afgesproken dossier, maar kan op een of enkele andere terreinen de handen vrijhouden. Al levert een gedogende partner geen ministers of staatssecretarissen, het zit in bepaalde opzichten in een ideale positie: het hoeft zijn politieke ziel niet te verkopen (in een compromis) maar bestuurt wel mee. De PVV spinde er tussen 2010 en 2012 garen bij. Je bent er tegelijkertijd in en ook weer niet. Je hoeft in ieder geval minder vuile handen te maken.

Een gedoogconstructie (bijvoorbeeld van GroenLinks of een andere grote fractie) kan mogelijk het probleem van de instabiliteit van een minderheidskabinet (VVD, D66, CDA) ondervangen, maar het is de vraag of de huidige onderhandelaars er trek in hebben. De ervaring van 2010 is natuurlijk nog vers. En die was grotendeels niet goed.

Kansen van een minderheidskabinet

Zoals de formatieonderhandelingen er nu bij liggen, breekt de fase aan waarin gekozen moet worden tussen varianten van het minste kwaad. Hoe liggen de kansen van een minderheidskabinet? Hoe liggen de kansen van een coalitie met – heel – veel partners? Je zou daarvoor te rade kunnen gaan bij de parlementaire geschiedenis van de afgelopen honderd jaar. Het is niet voor het eerst dat we in Nederland geconfronteerd werden met een versplinterd politiek landschap. Is er wellicht iets te leren uit eerdere ervaringen?

We zetten hieronder de overlevingskansen minderheidskabinetten, afgezet tegen die van meerderheidskabinetten met 4 of meer partijen (die zijn namelijk ook altijd iets instabieler dan combinaties met 3 of minder partijen aan boord) eens op een rijtje. We berekenen de overlevingskans op een hele grofmazige wijze. Een kabinet heeft, in onze berekening, een 100% overlevingskans als het 4 x 365 = 1460 dagen of meer zit (4 jaar is de gemiddelde periode tussen 2 reguliere verkiezingen – soms gaat het zelfs om meer dagen). De dagen die een kabinet zit zetten we af tegen deze 1460 dagen en beschouwen dat als ‘de overlevingskans’. Helemaal klopt dat niet natuurlijk want kabinetten komen om een veelheid van redenen aan hun eind, en soms is al vooraf afgesproken dat een kabinet maar even aanblijft. Die nuances maken vergelijken onmogelijk en dat is toch juist wat we willen doen. En natuurlijk, de vergelijking gaat ook mank doordat in de vergelijking kabinetten uit hele andere tijden zijn betrokken met hele andere politieke, sociale en culturele randvoorwaarden en achtergronden. Een vergelijking van appels en peren, en eigenlijk ook nog eens tussen koolrapen en schorseneren… maar toch. We beginnen onze telling vanaf de introductie vanaf het (gedeeltelijk) algemeen kiesrecht in 1917 toen het moderne kiesstelsel werd geïntroduceerd op basis van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste kabinet kon nog niet bogen op vrouwenstem; dat werd pas vanaf 1919 geïntroduceerd.

Vergelijking minderheidskabinetten – grote coalities (4+ meerderheidskabinetten)

  1. de minderheidskabinetten
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Rutte I  2010-2012 parlementair minderheidskabinet, met gedoogconstructie 557 dagen = 38%
Balkenende III 2006-2007 minderheidskabinet (overgangskabinet) 230 dagen = 15%
Van Agt III 1982 minderheidskabinet (overgangskabinet)  159 dagen = 11%
Biesheuvel II 1972-1973 parlementair minderheidskabinet  275 dagen = 18%
Zijlstra i 1966-1967 minderheidskabinet (overgangskabinet) 133 dagen = 9%
Colijn V 1939 extraparlementair minderheidskabinet 2 dagen = 0,1%
De Geer I 1926-1929 extraparlementair interim-kabinet 1212 dagen = 83%
Ruijs de Beerenbrouck I 1918-1922 parlementair minderheidskabinet 1417 dagen = 97%

 

We hebben in de afgelopen honderd jaar dus maar liefst 8 ‘minderheidskabinetten’ gehad. Die laten een treurige gemiddelde overlevingskans van 21,7% zien. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de meeste van die minderheidskabinetten er niet op uit waren om de hele rit uit te zitten. De meesten dienden slechts voor kortere tijd in aanloop naar verkiezingen, maar moesten zodanig belangrijke zaken afhandelen dat ze het zich niet konden permitteren louter demissionair door te gaan. Maar toch: geen fijne overlevingskans.

Hoe ligt dat nu bij de grote coalities van 4 partijen of meer?

  1. Grote coalities (4 partijen of meer in het kabinet)
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Den Uyl 1973-1977 Meerderheidskabinet (5) 1683 dagen = 100% ++
Biesheuvel I 1971-1972 Meerderheidskabinet (5) 400 dagen = 27%
De Jong 1967-1971 Meerderheidskabinet (4) 1553 dagen = 100% +
De Quay 1959-1963 Meerderheidskabinet (4) 1527 dagen = 100% +
Drees III 1956-1958 Meerderheidskabinet (4) 800 dagen = 54%
Drees II 1952-1956 Meerderheidskabinet (4) 1502 dagen = 100% +
Drees I 1951-1952 Meerderheidskabinet (4) 537 dagen = 36%
Drees-Van Schaik 1948-1951 Meerderheidskabinet (4) 950 dagen = 65%
Schermerhorn-drees 1945-1946 Meerderheidskabinet (4) 374 dagen = 25%
De Geer II 1939-1940 Meerderheidskabinet (5) 390 dagen[1] = 26%
Colijn III (en II) 1933-1937 Meerderheidskabinet (4) 788 dagen = 53%
colijn I 1925-1926 Meerderheidskabinet (4) 99 dagen = 0,6%
 
 

Slotsom

We hebben in totaal 3 vijfpartijen-meerderheidscoalities gehad en 9 vierpartijen-meerderheidscoalities. Gemiddeld hebben die een ‘overlevingskans’ van 57% (niet heel slecht). Vierpartij-combinaties doen het zelfs heel goed (59% overlevingskans – al trekt Colijn I het gemiddelde wel heel fors omlaag). Vijfpartijen-kabinetten blijken niet eens zo wankel (51% overlevingskans) al hebben we daar wel erg weinig ervaring mee.

Alles is relatief trouwens als je deze overlevingscijfers afzet tegen de gemiddelde levensduur van kabinetten na WO II:

1945-1950 – gemiddelde zittingsduur 697 dagen = 47%

1950-1960 – gemiddelde zittingsduur 902 dagen = 61%

1960-1970 – gemiddelde zittingsduur 726 dagen = 49%

1970-1980 – gemiddelde zittingsduur 930 dagen = 63%

1980-1990 – gemiddelde zittingsduur 945 dagen = 64%

1990-2000 – gemiddelde zittingsduur 1446 dagen = 99%

2000-2010 – gemiddelde zittingsduur 751 dagen = 51%

De gemiddelde overlevingskans van een kabinet na WO II in Nederland ligt daarmee zo rond de 62%. Langjarig op net iets boven de 63%. En dat wijkt dan niet eens zo heel veel af van de overlevingskansen van grote coalitiekabinetten.

Concluderend: minderheidskabinetten hebben – met alle slagen die bij de vergelijking om de arm moeten worden gehouden – klaarblijkelijk veel kleinere overlevingskansen (21,7%) dan meerderheidskabinetten, zelfs veel beter dan van vier- of vijfpartijenkabinetten (57%). En dan nog iets. Hoe stabiel is een land waarin in de afgelopen 100 jaar een kabinet net iets meer dan 60% kans had de rit uit te zitten. Heeft dat wellicht met ons kiesstelsel te maken? Iets om eens over na te denken rond de viering van 100 jaar kiesrecht.

 

[1] Tot aan de Duitse inval mei 1940.

Advertisements
Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , | 1 Comment

Proust lezen (A La Recherche du Temps Perdu)

Op 9 maart 2016 overleed Thérèse Cornips overleden. Goed vertalen is, volgens haar, eerst en vooral goed begrijpen, proeven en dan in de eigen taalcultuur omzetten. Helemaal aan het einde van dat proces komen eerst de zinnen en letters.

Goh wat was ze goed. Hertalen om te doen snappen.

PROUST LEZEN

Ik weet niet meer helemaal zeker hoe het kwam. Waarschijnlijk omdat op de middelbare school die ene Franse leraar (Malherbe) had gezegd dat dat boek te moeilijk was voor gewone luitjes. Waarmee het…

Bron: Proust lezen (A La Recherche du Temps Perdu)

Posted in Boeken, Persoonlijk, Uncategorized | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Wat als…?

Bron: Wat als…?

Posted in Uncategorized | Leave a comment

PAK(44)

Bron: PAK(44)

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Op TV

Waar haalde ik in het najaar van 1992 in ‘s hemelsnaam de tijd vandaan? Voltijdbaan, vijf werkcolleges per week (een in de avond), proefschrift schrijven, vakgroepsecretaris, twee grote contractonderzoeken (omzetten richtlijnen/computers en wetgeving), annotaties, imagesGFLW8RGEartikelen, papers, commentaren, en dan ook nog een dag of twee of zo per week met die Nacht van de columnist bezig….Tussendoor nog getrouwd. En dan schreef ik ook nog voor het glossy magazine Kubus en om de andere week een halve pagina over de voorbereidingen van die Nacht van de Columnist in Univers (het universiteitskrantje). Hoe lukte dat toch allemaal? Zou roken dan toch helpen (ik rookte indertijd als een schoorsteen)? Of was het gewoon de kracht van onnadenkendheid? Ik houd het op dat laatste want de verwikkelingen en complicaties van de organisatie van de Nacht van de Columnist lieten zich niet uitroken.

We hadden dat drieste plan opgepakt de allereerste columnistenprijs van Nederland – de Audax columnistenprijs uit te reiken (zie columnflatie). Dat moest met een grote klapper gepaard gaan om er voor te zorgen dat we vanuit ‘nowhere’ Tilburg ook in de rest van Nederland (lees: Amsterdam) gehoord zouden worden. Ook de hoofdsponsor stond daarop: het moest in Tilburg en het zou ook groot. Vandaar die ‘Nacht van de columnist’ (3000-4000 bezoekers, tientallen columnisten, bekendheden, bands, acts) te houden op 20 november in de Katholieke Universiteit Brabant. Al was het eigenlijk alleen untitlkryujmrhmejhmethedmaar bedoeld als reclamewikkel voor die prijs, die Nacht werd het onstilbaar hongerige zwarte gat van de hele organisatie. Hoe dichter die bij kwam hoe meer toestanden, hoe meer hoofdpijn. Jongens wat gaf een gedoe. Patricia, Clemens, Marinus en ik van de Stichting Fenomeen deden alles zelf, tot aan de keuze van de wijn voor de catering toe. Het liep ons totaal over de schoenen.

Maar op de een of andere manier lukte het steeds toch, uit het niets, minuten en uren te sprokkelen; tijd te toveren uit een niet bestaande ruimte. Waar ik in de week van 25 oktober (tentamenweek Inleiding staatsrecht) de tijd voor vond om het onderstaande stukje voor Univers te schrijven kan ik niet meer reconstrueren. Gemaakt in niet bestaande tussentijd. Wel kun je er gejaagdheid in proeven; van kritisch nalezen kwam het meestal niet.

‘De teller staat op 21 oktober. En dan ineens is er telefoon, die woensdag. Ene Hellen, van de bureauredactie van het programma Sonja op zaterdag. Ze willen zaterdag een item-pje doen over het gekrakeel rond de Audax-columnistenprijs. De zaak is namelijk de volgende: in de afgelopen twee weken hebben een aantal columnisten – na een aanvankelijke toezegging- bedankt voor een optreden op de Nacht van de Columnist 20 november a.s. De prijs, de sponsor ervan en/of de manier waarop de prijs zou worden uitgereikt zinde ze niet. Zowel Henk Hofland (niet eens met de jurysamenstelling en prijsuitreiking), als Theodor Holman (oneens met het feit dat hij niet was genomineerd) , untitleyjkdtyyjsrhgjsrdRik Zaal (niet akkoord met geld in zijn algemeenheid) en Ed Schilders (onduidelijk waarom) deserteerden. Ze deden dit gelukkig in de vorm van krantencolumns, die ons veel gratis publiciteit opleverden. En weer anderen (columnisten schrijven het liefst over elkaar) vonden de gewetensbezwaren van Zaal en Holman klinkklare bullshit (o.a. Sanders en Jaeggi) en deelden dat ook mee in de Volkskrant en Propria Cures.

Vanuit organisatieperspectief vormden de spijtoptanten alleen maar een luxeprobleem: we hadden nu nog maar 37 geboekte columnisten over, net genoeg om twee Nachten van de Columnist mee te vullen. En dat luxeprobleem werd dan weer groter. Omdat de weglopers niet kwamen, wilden juist anderen weer wel (o.a. Max Pam en Derk Sauer). Enfin, het gekakel was doorgedrongen tot de bureauredactie van Sonja (Barend) op zaterdag (dé talkshow van 1992). In de uitzending van zaterdag wilden ze graag een gesprek met de aanstichters van het keukenrelletje (wij dus) en een paar anderen. Een felle polemiek moest het gaan worden waar de vonken van af zouden springen. En wellicht zou onze voorzitter, Clemens van Diek, een toelichtend woordje kunnen spreken. Spannend![1] En goed voor de publiciteit, want al hadden we een fraaie subsidie, we moesten de Nacht nog wel uitverkopen wilden we in de buurt van quitte draaien.

Om er zeker van te zijn dat onze kant van het verhaal goed zou worden gehoord, faxten we ongeveer het hele archief van de organisatie naar de VARA en alles wat er te weten was over Clemens (levensloop, bevallige foto’s – voor zover mogelijk, bloedgroep, dat soort dingen). En we probeerden vooral te doen alsof we kalm bleven. De informatielawine werkte want die vrijdag kregen we het bericht dat we voor de uitzending van zaterdag 24 oktober in Amsterdam werden verwacht.imagesH0ZOVHU5

Voor ons doen waren wij , Patricia, Marinus, Clemens en ik (en de twee dozen van het archief, je weet maar nooit), heel stil in de auto naar Amsterdam die zaterdag. Af en toe werd de stilte doorbroken door de een of andere wilde ingeving: ‘Clemens! Je moet dat en dat zeggen!’ Dat werd dan kort geëvalueerd en dan was het weer stil een kilometer of 20. Na een zenuwslopend parkeeravontuur stonden we dan eindelijk om 18.30 precies (het afgesproken tijdstip) in de Rode Hoed (tevens t.v.-studio) . Kort spraken we nog met de bureauredactrice, die ons ‘bij-de-weg’ meedeelde dat onze voorzitter Clemens he-le-maal niks hoefde te zeggen en ook niet aan tafel zou zitten. Jammer (ook voor het archief), maar alla, het zou wel spannend gaan worden, er hingen ruzie en rellen in de lucht. Stront op tv, dat zie je niet alledag. Toch nog onrustig schoven we aan in de voor ons gereserveerde plekken op de eerste rij in de studiozaal. We grapten met elkaar – alsof ontspannen -. En Van Diek, zo zag ik, begon voor het eerst sinds een paar dagen weer een beetje kleur in zijn lijkbleke gezicht te krijgen. Het duurde en het duurde, maar om zes minuten over negen barstte dan het spektakel los. We zaten op rij één en waren goed in beeld (ja, we waren toch nog op TV!).

Het kleine televisiemoedertje Barend hupte vrolijk heen en weer voor de camera en gaf hem o zo geroutineerd van jetje. Het eerste item behelsde het non-probleem van ouders die op latere leeftijd kinderen krijgen. Een paar lolita’s die kibbelden, met twee Abrahammen en Sara’s. Het ging weer eens lekker nergens over.

Ondanks alle opwinding merkte ik dat het een beetje stonk daar in die studio. Een weëe zoete geur die ik niet thuis kon brengen. Ik keek beschuldigend om me heen. Eindelijk dan de columnisten…Al direct gingen ze in de clinch over die prijs. Holman kreeg zijn trekken thuis. Bernadette de Wit hakte venijnig op hem in. Echt heibel, stront. Na drie minuten zakte de cake echter terug in de bakvorm. Kopschuw geworden door de snelle start imagesOK7B6YNKbegonnen de columnisten aan tafel elkaar ineens minzaam de bal toe te schuiven. Ze werden nog net niet complimenteus, maar het scheelde niks. Wat moedertje Barend ook probeerde (‘vinden jullie jezelf niet laf?’), niks lukte meer. Het grote debat, de vlammende babbelpolemiek, ontaardde in goedaardig gekeutel dat via de coulissen wegpruttelde. Te schijterig dat ze op TV durven te zeggen waar het op staat en straks in de krant sluipmoord plegen op de gesprekspartners van die avond. Shit, wat een domper! Vreselijk. Het stonk een uur tegen de wind in. Letterlijk: toen ik aan het einde van de uitzending  naar mijn voet en daarna onder mijn schoen keek die ik de hele tijd zo übercoool op het podium had gelegd, zag ik dat ik dat er forse hondendrol onder zat, die ook nog eens half aan het podium voor me zat gekleefd. Jak!! Kom ik een keer op mijn TV…..zal je altijd zien. Nou ja, beeld is geurloos. Nu begreep ik ineens ook waarom de mensen naast me zaten, me de hele tijd al met enig afgrijzen hadden zitten bekijken (ik zag het later nog terug op de videoband van de uitzending). Dat was dus niet vanwege mijn vlammend scharlaken rode colbert dus. Enfin, toch nog een beetje stront dan….’

(gepubliceerd op 29 oktober 1992, Univers)

Naschrift. Het ging door op 20 november en het was weergaloos druk. Presentator Keer Driehuis was grootst, de bands waren leuk en veel jonge talenten leuk en naar behoren beschonken (Ronald Giphart, Jack Nouws e.a.) We hadden pesterig de zalen vernoemd naar de columnisten die niet waren komen opdagen. Maar we hadden namen  tekort: de meeste columnisten (althans de meest relevante) waren er. De prijs werd gewonnen door Henk Hofland…maar die was nou juist weer niet opdagen. In zijn zaal hebben we op de goede afloop getoast, voordat we het allemaal (ook weer zelf) op mochten ruimen.imagesMRKB1COB

Literaire prijzen (uit het Archief van het Letterkundig museum)

Audax-Columnistenprijs 1992

Prijswinnaar : H.J.A. Hofland

Bekroond werk : zijn columns in NRC Handelsblad onder eigen naam en onder het pseudoniem S. Montag

Geldbedrag : 15000 gulden

Details : de overige genomineerden waren: Hugo Brandt Corstius (1935), Emma Brunt (1943), Remco Campert (1929), Stephan Sanders (1961), Jan Vrijman (1925-1997)

Jury

John Jansen van Galen

Merel Laseur

Nelleke Noordervliet

Hugo Verdaasdonk

Gerrit-Jan Wolffensperger  (voorzitter)

[1] Al was het voor Clemens de tweede keer dat hij live op televisie zou zijn. Hij was er al een keer eerder om over zijn ‘Baanbrekende brieven’ uit 1989 te spreken.

Posted in Algemeen, Persoonlijk, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

Hans

Komt een man binnengelopen. Er is iets met zijn voet. Hij glimlacht vriendelijk en kuiert met een mal, blauwkartonnen KLM-koffertje naar de vijfnaamlht2q5hqrgh1oosmeter brede lessenaar. Het was al eerder  september 1980 en nu is het dat weer. We zitten met ongelooflijk veel eerstejaarsstudenten rechten te wachten op wat er gaat gebeuren. De pot schaft ‘Burgerlijk recht’. Geen goed woord in 1980. Want wie wil er nou burgerlijk zijn? Niemand toch? Zeker niet op je 18de, zeker niet in 1980. Maar enfin. We waren er nou eenmaal toch en hadden die hele zooi boeken en wettenbundels en syllabi en wat er nog meer in die zowat zicht versperrende papiervracht op onze klaptafels lag, mee naar hier gesleept, dus voor de draad er mee met dat verhaal.

‘Claudius’ werd er gefluisterd. ‘Het is net Claudius.’ (De Britse televisieserie I Claudius naar het boek van Graves was enorm populair op dat moment).

De blonde jongeman met de moeilijke voet daar beneden in de arena van de grote collegezaal lachte vriendelijk en zette bijna peinzend zijn duim onder zijn neus. Zijn twinkelogen spraken van een momentje binnenpret. Daar was geen aanleiding voor, want het was een ordeloze bende in de grote kille collegezaal en het gehoor maakte een kabaal van jewelste. Het wilde maar niet rustig worden – we gingen net het tweede academische kwartiertje in. Het scheen de  docent met zijn volle lippen en bolle wangen niet in het minst te deren. Waar zijn collega’s zure gezichten trokken, hees schreeuwend, vergeefse bevelen tot stilte en aandacht naar ons slingerden, klopten op de microfoon, sloegen op de lessenaar, of (dat was eigenlijk het leukst) hoofdschuddend rechtsomkeer maakten, leek deze man alleen maar plezier in de chaos van deze postpubersoep te scheppen. Zelfs de blaffende hond (zie Begin) deerde hem kennelijk niet. Met de rug naar de zaal klapte hij het blauwe koffertje open.images7IS66046

Ineens vulde een sonore stem, die verrassend ver droeg,  de zaal:

‘Het burgerlijk recht vergt uw aandacht!’

Zijn pretogen twinkelden weer en het werd een beetje stiller, vooral toen hij een enorme schaar uit het koffertje haalde. Niet zo’n gewoon papierschaartje maar een exemplaar van zeker veertig centimeter lang. ‘Aanschouwelijk onderwijs,’ bromde hij, ‘dat werkt al sinds de dagen dat Socrates over de Agora zwierf het best…’

Wat? Wat zegt ie?

Het werd al weer rumoeriger.

‘ALS ik dit…’ Plotsklaps katapulteerde de blonde docent zich naar de eerste rij, greep de paardenstaart van een tuttig blond corpsmeisje beet en zette de beide opengesperde benen van de enorme schaar er in. De zaal was in één klap stil. Verlamd van collectieve schrik.

ALS ik zou knippen….Wat voor daad zou ik dan naar burgerlijk recht plegen?!’

Het paardenstaartenmeisje keek angstig omhoog, waar nog steeds de sperrende bek van de schaar aan de aanzet van heur haar gaapte.

‘Wat zou dat dan zijn?’ herhaalde hij vervaarlijk zijn vraag. Zij van de paardenstaart schudde dat ze het niet wist en was kennelijk bang dat dat uitblijvende antwoord de korte route naar een bobkapsel zou worden.

Een on-recht-matige-daad,’ zei die net benoemde lector Hans Nieuwenhuis. Weer lachte hij schalks, vooral met zijn neus, zoals alleen hij dat kon.

images6GJCXX9KDie jungle van een collegezaal daar in Tilburg 1980 was in een keer gevloerd, lag aan zijn voeten – zijn piste voor het overdragen van het burgerlijk recht was gebaand. En toen nam hij ons mee naar het oude Rome, Tilburg-West, Poolse vorsten, via Aristoteles’ klippen van de moraal terug naar Seneca, om vervolgens via de Holterberg, Orestes en Salomon te wervelen naar de ringen van Dante en uiteindelijk te landen in 17de eeuwse Hollandse rechtbanken. Wie op het magische tapijt van Hans mocht aanmonsteren, die vloog Duizend-en-een-nacht-lang door eeuwen intellectuele geschiedenis, door de beste boeken ooit geschreven, langs de mooiste verhalen ooit. Soms vlogen we via de slaapkamer van imagesH4LYSO1QMarcel Proust, en de raadkamergesprekken van Huib Drion, wel eens langs een leerstuk of een ander stukje recht, maar de zoektocht was niet begonnen om de regels van het recht. Je werd langs de eregalerij van menselijke wijsheid getroond, en het vallen-en-opstaan van de menselijke beschaving, die zo kwetsbaar en toch zo wezenlijk is. En zo liet hij, Hans, zien hoe het bij dat streven naar ons hogere zelf soms lukt met wikken en wegen, en het ingewikkelde hinkelspel rond de boom van goed en kwaad werkelijk ‘recht’ te doen.

Hans liet ons door het verhaal over het recht, het verhaal van het recht zien. Dat heeft in zichzelf eeuwigheidswaarde, al zal ik de verteller zelf, die sinds vorige week niet meer onder ons is, blijvend missen.

Dag Hans.

naamdfhsdba DFbDFBDSFloos

 

Posted in Algemeen | Tagged | 1 Comment

Spijkerbroekenmisbruik

Spijkerbroekenmisbruik.

Posted in Uncategorized | Leave a comment