Nèt niet

Einmal ist keinmal en nèt niet is helemaal niet. Maar niet iedereen ziet dat zo. Troost putten uit ‘net-aan’ (een vorm van ‘nèt niet’ waarmee je je toch nog wat van het gedroomde toe-eigent) is vooral in Nederland tot kunst verheven. Nèt geen wereldkampioen voetbal in Brazilië, maar, geen enkele wedstrijd verloren. En ook nog eens boven verwachting gespeeld. Net als het onvoltooide is het ‘nèt niet’ soms nog mooier dan de overwinning of het bereiken van het doel zelf. Die verloren voetbalfinales in 1974, 1978 en 2010: prachtig toch? We zaten er zo fijn bijna tegenaan. Zoals Hennie Kuiper ook in 1977 bijna tourwinnaar was. En Henk Grol bijna judokampioen, als er nou nèt niet…of Hilbert van der Duim, had er nèt niet een beetje vogelpoep… Nederland is een land waarin de tragiek en heroïek van het verliezen tot breed beoefende verhaalkunst is geworden. Waarschijnlijk onder invloed van Mart Smeets zijn we in Nederland best goed in sport, maar nog veel beter (wereldkampioen?) in kletsverhalen over sportleed en gemiste kansen.

Het is woensdagavond 21 juni 1978 – nu al weer zo ontzettend lang geleden. Een uur of half acht, schat ik. Nederland voetbalt op dit moment een wereldkampioenschap wedstrijd tegen Italië in Argentinië. Die wordt live op t.v. uitgezonden. Ik krijg daar niet veel van naamloowkargentienismee, want ik sta in een glimmende groene korte broek en een wit-groen singlet van atletiekvereniging DJA met een aantal andere pubers (B-junioren) achter de streep. Strepen, in dit geval op de verschillende banen, daar waar de start van de 800 meter is, op die nagelnieuwe tartanbaan van atletiekclub Thor in Roosendaal. Het is een van de eerste roodrubberen atletiekbanen in Nederland aangelegd op het Redband-sportpark. Een sensatie. Van heinde en ver komen atleten uit heel Nederland naar deze baan om er supertijden te lopen en persoonlijke records neer te zetten. Alles gaat sneller dan op de rode en zwarte sintelbanen waarop we anders met onze spikes moeten ploegen. Ja die spikes die baren me wel wat zorgen. Ze zijn veel te groot heb ik het idee. Ingesteld op het gebruik op de sintelbaan. En mijn knieeën. Het is ook niet goed met mijn knieën want ik heb de hele middag aardbeien zitten plukken. O, ja en ook mijn maag voelt maar zo, zo….houd ik mezelf allemaal voor om de teleurstelling van de hoge opkomst (er lopen zeker zo’n zestien jongens mee) een beetje voor te blijven. ‘Er is toch voetbal?’ Het zijn allemaal smoesjes op deze zwoele zomeravond met een heerlijke bries. In werkelijkheid voel ik me beresterk: zestien jaar oud en 62 kg – heb ik daarstraks nagewogen. In bloedvorm. Ik trainde de hele winter en rende veel korte crossen. Elke trainingsinspanning vertaalt zich in een spectaculair eindresultaat op die leeftijd. Prestaties schieten met reuzensprongen vooruit. Mijn benen voelen aan als straalmotoren. Op mijn club zien ze grote mogelijkheden voor me – ik liep al een keer een geweldige 800 meter, zo maar uit het niets. Vandaag voel ik me nog veel beter. Als het vandaag iets wordt, ga ik me nog meer op atletiek toeleggen. Je school kan je altijd nog later afmaken – zeker in 1978, zeker ik. Alberto Juantorena achterna, Sebastian Coe. naamljuantorenaoos Waarom niet? Er was wat nerveus gemurmel daarstraks bij het inlopen. Dat er scouts van de KNAU (de atletiekunie) rondlopen. Speciaal voor de 800 meter wedstrijd. Dat zou kunnen betekenen dat je geselecteerd wordt en op Papendal mag komen trainen.

Dribbel, dribbel, dribbel. Bij de 1500 meter-start staat iedereen altijd rustig naast elkaar, maar op de een of andere manier wordt er altijd geduwd bij de banen-start van de 800 meter. De starter heft zijn pistool en…kruitdamp: we zijn weg. Het gaat vanzelf en het gaat idioot hard. Wat loopt die tartan heerlijk. Bij elke stap word je gelanceerd, zo lijkt het. Ik nestel me in het voorste groepje van vier lopers. Na 300 meter zijn we los van de rest, zie ik bij het uitkomen van de bocht. En het gaat nog steeds vanzelf…Doorkomst 400 meter in 59 seconden! Frank de Hoon van DJA, die met me is meegekomen, gilt zich hees. Rustig!! Maar ik wil niet rustig. Een knul van Sprint Breda zet nog wat aan. Nu wordt het zwaarder. Ik laat hem gaan tot 30 meter voor het naamloos500-meter punt. Een jongen van Rotterdam atletiek zet de achtervolging in, maar komt niet ver. Het gat wordt niet groter dan een meter of vijf. Eerst nu  merk ik de lange slungel op die net achter me loopt. Een vent met een lange hangende onderkaak. Hij schuift naast me na 500 meter en lacht. Tussen de 500 en 600 meter moet ik mijn snelle start bekopen. Alles verzuurt, schuurt, ik krijg geen adem meer, mijn benen voelen als beton. De 800-meter kampioen Johnny Gray noemde de 800 meter niet voor niets de meest wrede en afschuwelijke van alle afstanden. ‘Vergelijk het,’ zei hij, ‘met een zwemwedstrijd waarbij je 400 meter op de top van je kunnen hebt gezwommen – zo hard als je kon – waarna iemand je dan de laatste 50 meter met je hoofd onder water duwt en dwingt voort te zwemmen.’ 800 meter is afschuwelijk. Atleten vallen nogal eens flauw na de finish, kunnen vaak niet meer op benen staan.

Bij mij lijkt er nog een reservekraantje open te kunnen, maar dan wel een heel klein roestig kraantje. We halen de Rotterdammer en die vent van Sprint rond vijftig meter voor 600-meter punt bij. Ik duizel, ik stik, ik ga zowat dood. Kom op!, schreeuw ik mezelf toe, kom op!! (al werkt er dan niks meer). Papendal! We lopen nu, net bijna bij het 600 meter punt, met zijn vieren voorop. Dan komt de lange slungel met die grote kaak me voorbij. Hellas atletiek uit Utrecht, zie ik op zijn singlet. Die komt van ver, denk ik. Hij lacht nog een keer zuinigjes, en……gaat er dan vandoor alsof wij stilstaan. Met schijnbaar gemak loopt hij ons drie er op de laatste honderden meters nog zowat 70 meter af. Ik word in de eindsprint nog door de Rotterdammer voorbijgegaan en of ik van die jongen van Sprint won, weet ik niet meer. Ik val na de finish om. Totaal kapot. Wel een PR met twee minuten en drie seconden, maar die vent uit Utrecht heeft 1 minuut 57 gelopen. Ongelooflijk. Er drommen mensen om hen heen. Zo te zien de scouts. Ik baal, ik zit er door heen. Heb geen zin meer in atletiek. Maar Frank de Hoon praat me er doorheen. Je moet doorgaan. Groot talent. Als je doortraint. Zal jij eens zien.Scan00;l05

Ik train nog een jaar lang door, maar ik verbeter geen seconde. Op het Beneluxkampioenschap, een half jaar later in Weert, ben ik zelfs veel slechter dan toen de avond in Roosendaal. Er zit geen progressie meer in. En het is zo’n afschuwelijke afstand. Wat je ook traint, die idiote pijn, die uitputting, die marteling blijft in 800 meterwedstrijden. Mensen zijn niet gebouwd om 800 meter te lopen. Als ik naar de zesde klas van de middelbare school ga, besluit ik echt met die zelfkwelling van het lopen te stoppen.

Ergens in 1980 zat ik televisie te kijken. Voor het eerst sinds tijden durfde ik weer te kijken naar baanatletiek. Start van de 800 meter van een of ander kampioenschap. Alleen al de aanblik van de baan deed zelfs na twee jaar nog het hart in mijn keel kloppen. Ik ruik kruitdamp na het startschot op t.v. Dan pas dringt alles echt goed tot me door. Hé die vent? Kijk nou wie d’r wint? Dat is die Utrechter, die lange slungel van 3 jaar geleden. Dat is – zegt de commentator – Rob Druppers. De grootste 800-meter kampioen die we ooit in Nederland zullen hebben. De Rob Druppers die er voor heeft gezorgd dat ik ben gaan studeren, en – voor me zelf onverwacht – carrière heb gemaakt in dat vak. Die er voor heeft gezorgd dat ik op mijn pootjes ben terechtgekomen (of niet, maar dan nog doet het er niet toe).

Maar vóór alles is dat de Rob Druppers van wie ik op 21 juni 1978 nèt niet heb gewonnen op de 800 meter omdat ik te lange spikes aan had en een ongehoorde pijn in mijn knieën.

naamlobfhaerfbos

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , , | 2 Comments

Timmermans en Cicero

Al laat het kwaad zich moeilijk met louter woorden stuiten, soms maakt een groot betoog het verschil. Zo voorkwam de romeinse politicus en schrijver Cicero met een legendarische speech in de ochtend van 7 november 64 v. Chr. een staatsgreep van een club samenzweerders onder leiding van Lucius Sergius Catalina. In zijn rede doet hij een bewogen moreel appèl op de toehorende senatoren én op Catalina, die hij ontmaskert. Cicero’s woorden brengen een ommekeer teweeg.

imagesCAAJRWQ8Frans Timmermans zal zich niet snel vergelijken met Cicero, denk ik, maar zijn woorden gisteravond in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties waren van Ciceroniaans kaliber. Het was hard, bewogen en raak: hij deed veel mensen recht. Wat zou Willem Witteveen er met zijn liefde voor de retorica van hebben genoten.

 

Uit: de inleiding van de eerste rede van Marcus Tullius Cicero op 7 november 64 v. Chr.

‘Quousque tandem abutere, Catilina, patientia nostra? Quam diu etiam furor iste tuus nos eludet? Quem ad finem sese effrenata iactabit audacia?

Vertaling:untitcatrafafled

Hoelang nog in ‘s hemelsnaam, Catilina, zal je ons geduld misbruiken? Hoelang nog zal die razernij van jou met ons de draak steken? Tot welk uiterste zal jouw lef zich grenzeloos roeren? (ofwel) Hoelang nog zal jouw grenzeloze lef zich roeren?

Posted in Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

Tattoo

Welk probleem wordt met tatoeages opgelost? Op welke vraag geeft een huidtekening een antwoord? Tja, daar vraag je me wat. Niet de problemen of vragen van het voetbal. Sinds gisteren het nauwelijks tot niet-getatoeëerde Duitse nationale voetbalelftal het WK won van het overdadig ge-kleur-etste PSG - VALENCEArgentijnse elftal staat wel vast dat er geen causaal verband bestaat tussen tattoos en voetbalsucces. Gaat het om identiteit dan – de ultieme wezensvraag van onze tijd. Expressie via vel?  Een manier voor mensen die niet zo goed zijn met woorden om hun innerlijk behang* naar buiten te draaien? Een mens als levend affiche in het beeldtijdperk. Of spannender, gaat het bij de moderne tattoo vooral om kleine hinkelpasjes in een paardans vol geheimen, kleurencryptologie en nieuwe lokroepen (ik heb ‘ook’ een T/ik heb nog ‘meer’ T’s/O, waar dan?/wat heb jij mooie T/wil je mijn T zien (optioneel: bij mij thuis)? etc.) Of is het toch vooral stoer-bewijs: ‘ik verdraag de punt van een passer in mijn vel.’ Ik zou het niet weten, ik ben voorgoed verloren voor de geheimcodes van de oppervlaktebeschildering vrees ik. Besmet door een jeugd waarin tatoeages maar één ding zeiden: ‘gevaarlijk’. Weggelegd voor zeelui, bikers en bajesklanten. Nee, niet dat dat me weerhoudt en ook niet de vrees voor pijn, maar wel het aanzicht van generatiegenoten die toentertijd een tattoo lieten zetten en nu, met gerimpeld en verlept perkament, in half ontblote staat zomers rondlopen. Flets geworden tekeningen, uitgedoofde boodschappen. Levend bewijs van het feit dat een tatoeage niet lang houdbaar is, maar wel altijd blijft zitten.

imagesCAZG8KM0imagesCASXHCTJ

 

 

 

 

* Hans Lodeizen – De buigzaamheid van het verdriet

in een wereld van louter plezier
kwam ik haar tegen, glimlachend,
en ze zei: wat liefde is geweest
luister ernaar in de bomen
en ik knikte en we liepen nog lang
in de stille tuin.

de wereld was van louter golven
en ik zonk in haar als een lijk
naar beneden het water sloot
boven mijn hoofd en even
voelde ik een vis langs mij strijken
in de stille zee.

dag zei ik tegen haar dag kom
ik je nog eens tegen, glimlachend
maar de wind blies weg
haar gezicht in het water
en ik knikte en ik werd onzichtbaar
in het stille leven.

uit: ‘Het innerlijk behang en andere gedichten’, 1952.

Posted in Algemeen | Tagged , , , | 3 Comments

Vliegen

Rubens,_Peter_Paul_-_The_Fall_of_IcarusIk was op een paar weken na 26 jaar oud. Net afgestudeerd, de mond vol over wereldliteratuur, betweterig in geopolitiek en een soort van gecultiveerd wereldwijs, maar gevlogen? Nee dat dus nog nooit. Niet om het een of ander of om dit of dat, maar het was er tot aan oktober 1987 gewoon nooit van gekomen. En dan nu ineens naar New York. Maanden hadden we gezocht naar een goedkope vlucht. Dat viel nog niet eens mee. Een reisbureau kon je wel helpen, maar die bemiddelden toch alleen in het wat klassiekere aanbod, het duurdere segment. En dat was boven het budget. Want na die mooie zomer die we hadden gehad en door het vaak zo dorstige weer, waren we zowat platzak. Die ongeveer duizend gulden voor een trans-Atlantische overtocht zat er niet in. En ik kon als student-af nu ook niet meer terecht op dat leningenbureau van de universiteit, dat altijd zo makkelijk kredieten gaf.

Achterovergelegen in de ribfluwelen leunstoelen van Gosuin’s kamer overpeinsden we, trekkend aan onze Boyards (als het voor Sartre had gewerkt, waarom dan niet voor ons?boyardsmloos) dat universeelste van alle universele vraagstukken: waar halen we snel veel geld vandaan? Natuurlijk niks sufs zoals vakkenvullen of in de nachtdienst ergens in een fabriek. En met de horeca was ik eigenlijk ook wel klaar. Nee, waardig en aardig, liefst spectaculair en veel in één klap. Natuurlijk ook weer geen roofovervallen of cocaïnetransporten of zo, maar wel iets waarmee je snel mee binnenliep.

Weer enquêteren, nog meer optreden met William, eindelijk die bestseller schrijven, biologisch dynamische producten – toen net nieuw – via een kennis van Gosuin uit Limburg hier in Tilburg doorverkopen? Mmwah. Bemiddelen van beloftevolle artiesten (maar ja, waar begin je?) Wekenlang lagen we daar in de Oblomov-stand de wereld en haar kansen te wegen. De 60 cm hoge koperen granaathuls die dienst deed als asbak zat bijna vol toen we het uiteindelijk vonden. ‘Tentenbouwen!’ Vijf dagen in Roosendaal een paar tenten opzetten voor een Noord-Nederlands bedrijf. Meer dan honderd gulden per dag. Dan zou het net moeten kunnen – de vliegreis naar New York.

We hadden het natuurlijk kunnen weten: tentenbouwen was niet ons ding. Wij dachten dat we een beetje de zaak mee aan zouden sturen, dat er van ons inzicht gebruik gemaakt zou worden. Maar we deden dienst als menselijke heftruck. Als galeislaven werden we behandeld, we sjouwden ons een breuk. Natuurlijk kwamen we de tweede dag niet meer opdagen. Zet lekker zelf je tent op.

Maar, ja, oktober kwam steeds dichter bij en we moesten wat: dringend. Ineens had Gosuin dan die mini-advertentie uit de Volkskrant. Je hoefde helemaal niet financieel leeg te lopen op een KLM-lijnvlucht. Je kon natuurlijk ook op een vlucht die een tussenstop maakte opstappen. Pakistan International Airlines, van Amsterdam naar JFK New York.images8B1VMLCT Voor een prikkie, werkelijk. Ten minste toch in vergelijking met de vluchten van die andere maatschappijen.

Nog een visum aanvragen (moest je helemaal voor naar Amsterdam naar het consulaat indertijd) en toen op reis. Dinsdagochtend rond een uur of tien werden we verwacht op Schiphol. Gosuin legde me het allemaal uit met de air van een ervaren wereldreiziger. Hoe langs de douane en dan naar de gate. Ik kwam ogen te kort hier op de pier die leidde naar de poort van de hemel. Wat tegenzat was dat het vliegtuig er nog niet was. Dat kwam helemaal uit Lahore Pakistan, via Frankfurt naar Amsterdam om dan door te vliegen naar New York. Niet gek dat de vlucht zo goedkoop was en te laat. Net een bus. Een medereiziger die ook aan een informatiebalie hing, kende de werkelijke reden. `

piaos‘Tja, met zulke hele oude ‘kisten’ (dat moet een kenner zijn, dacht ik) uit Pakistan is het probleem dat de technische staat vaak te wensen overlaat. In Frankfurt gaan die Duitsers dan natuurlijk wel even kijken of er geen flaps of motorstukken afgevallen zijn en of er nog een beetje lucht in de banden zit.  Ha, ha! In Pakistan zitten ze natuurlijk niet zo in met de veiligheidseisen, ze opereren altijd op het randje, omdat ze eigenlijk financieel en technisch niet in staat zijn om een intercontinentale luchtvaartmaatschappij te runnen. Het is trouwens dweilen met de kraan open voor de inspecteurs in Frankfurt en Amsterdam. Veel te weinig tijd en veel te veel tegenwerking van de Pakistanen. Gelukkig lukt het meestal wel om écht dronken piloten – dat gebeurt nogal eens – er tussen uit te halen. Meer niet…Nee ik vlieg alleen met Europese, Amerikaanse, Japanse of Australische luchtvaartmaatschappijen.’

Vanaf dat moment was ik officieel nerveus. Pteromerhanophoob. Gosuin deed zijn best lacherig te blijven. Het duurde nog meer dan een uur voor het vliegtuig eindelijk landde. Een bakbeest van een Boeing 707 wit beschilderd met groene Islamitisch letters. Zag er op het oog allemaal redelijk stevig uit, stelde ik vast. Geen stukken van de vleugels en ook geen kapotte banden zo te zien. En, een, twee, drie, vier, ja vier motoren. Alles leek goed vast te zitten. Wel stond het toestel helemaal aan het uiteinde van de verste gate die ze op Schiphol hadden. We zagen hoe het toestel draaide en hoe de passagiers langs trappen voor en achter uitstapten. ‘Niet via de slurf?’

‘Nee, een tarmac-landing’, legde Gosuin geduldig uit. ‘We lopen over de landingsbaan zelf naar het vliegtuig toe.’ Hij stak weer een sigaret op. ‘Maar dat kan wel even duren hoor, want ze ruimen eerst het vliegtuig op, laden bagage in het uit, tanken dan meestal nog en er wordt nog even geïnspecteerd. Laten we terug gaan zitten…’ Maar ongeveer op het moment dat hij dat zei, werd onze vlucht naar New York afgeroepen. Nu keek ook Gosuin een beetje vreemd op. ‘Dat is snel.’

imagesO8XJXJ9ULopend naar de landingsbaan liepen we langs een stroom van exotische Pakistanen in kleurige zijden gewaden, gesluierde vrouwen, en ook veel oude mensen. Ze torsten balen bagage mee onder hun armen, op hun schouders en ruggen. Geen tassen, alles opgerold alsof ze op weg waren naar de markt in Karachi.

We zaten ergens achter in het vliegtuig. Bij binnenkomst in de cabine sloeg er een dikke walm van zweetlucht, sigarettenrook, natte kleding en sandelhoutaroma – dat ze door de airconditioning joegen – in ons gezicht. Het was een grote bende in de cabine en wat ook al niet gerust stelde was dat veel stoelen een andere kleur en vorm hadden dan de standaard blauwe die kennelijk tot het oorspronkelijke interieur behoorden. De stof van die oude blauwe stoelen was vaak kapot, armleuningen lagen er los bij. De open schappen van de bagageruimte gaapten als enorme hangende onderkaken. Sommige bungelden veel lager dan andere. Gosuin’s ogen zonden een nadrukkelijk en licht geërgerd: ‘Maak je niet druk!’ in mijn richting. Hij deed voorkomen alsof het er allemaal bij hoorde. We gingen zitten, en er kwam wat meer orde in de cabine door de vlijtige, groengesluierde stewardessen die erg nbrookerooshard werkten. Dat kon je vooral goed ruiken als ze in de buurt kwamen. Ik had mijn hartslag al weer bijna onder de honderd slagen per minuut toen ik naar buiten keek. We zaten vlak bij de vleugel. Daarover liepen (!) twee mensen met gele hesjes die druk naar bepaalde stukken boven de flaps wezen. Op de toppen van de vleugel waar ze naar wezen, zaten grote witte poedervlekken. Het duurde zelfs mij – met toch een halfjaar ervaring in een aluminiumfabriek in Etten-Leur – even voor ik het door had. Dat is aluminiumcorrosie, zo roest aluminium!

De bagageluiken gingen dicht, er werd veel onverstaanbaars door de intercom gebrabbeld. Gosuin deed zijn best zo ongeïnteresseerd mogelijk in zijn stoel te hangen. Ook dit duurde eindeloos. We rookten nog een sigaret en de stewardessen, nu ze wisten dat het nog even ging duren, maakten een eerste rondje. En pas toen ging Gosuin door de remmen.

‘PIA does not serve alcohol Sir…’’

Enfin, gewoon goed aangekomen hoor. Wat ik ervan leerde was dat, als je lekker en onbezorgd wil reizen, je vooral niet moet proberen ‘mee te gaan sturen’. Dat moet je niet doen in de auto, maar zeker niet in een vliegtuig. De krachten en toleranties zijn zó groot, de veiligheidseisen zó streng, er kan je weinig overkomen. Geef je er aan over. Je kunt het niet c0ntroleren. Het is buiten je macht. Aanvaard dat.

En dat vertelde ik iedereen die het horen of niet horen. Mijn eigen tegeltjeswijsheid. Ook aan mijn lieve moeder die een keer gevlogen had en niet meer durfde. Geef je er aan over. Alsof dat haar hielp. Dát was nou juist wat ze niet kon. Geef je er aan over…Godogod wat was ik toch in enen wereldwijs geworden met mijn ongekende vermogen om uren achtereen onbevreesd in een vliegtuigstoel te kunnen hangen. Door vooral, vooral.

Vooral niet mee gaan zitten sturen. Dat dacht ik, weet is zeker, in 1999 toe we net waren opgestegen in Willemstad Curaçao na een week cursus daar. Met KL 736 vlogen we net na cloudssde start door een grote onweerswolk. Het vliegtuig schudde en we zagen bliksemschichten. De piloot trok een keer stevig aan de stuurknuppel en we stegen door het wolkendek heen in luttele minuten. In de late avondzon keken we naar het flitsspektakel op het diepblauwe tapijt net onder ons. Het lampje stoelriemen aan werd al snel uitgezet.

De stem van de gezagvoerder is sonoor en kalm, een echte radiostem. Donkerbruin timbre. Je gelooft ieder woord.

Ding, dong. ‘Dames en heren, mijn naam is Willem-Jan de Vries en ik ben vandaag uw gezagvoerder op deze vlucht KL 736 naar Amsterdam. We zijn zojuist opgestegen van Hato Airport in Curaçao op weg naar Amsterdam. Op het ogenblik klimmen we naar onze kruishoogte van 33.000 voet – ca. 10 km hoogte. De weersvooruitzichten onderweg zijn goed, met wat turbulentie boven de Atlantische Oceaan (…). We verwachten op schema om 7.45 in Amsterdam aan te komen. Het stoelriemen vast licht heb uitgezet toch raad ik u aan (….) Ik hoop onderweg nog met nadere informatie bij u te komen. Ik wens u een aangename vlucht (….)’

imagesRA5FCHCTGaap. ‘Niks over die donder en bliksem,’ denk ik en probeer te slapen. Er lopen twee mannen in uniform door de cabine. Met strepen en een platte pet op. Ook piloten waarschijnlijk. Zit er dan nog wel iemand aan het stuur? (niet meesturen Voermans). Ze groeten vriendelijk en kijken door de ramen. Waarschijnlijk naar de laatste restjes van dat spectaculair belichte wolkentapijt beneden.

Ding dong. ‘Dames en heren, hier spreekt uw gezagvoerder… Een update vanuit de cockpit met de laatste vluchtinformatie. We zijn door geklommen tot op onze kruishoogte van ca. 10 km en vliegen nog steeds op schema. Door de gunstige weeromstandigheden verwachten we iets voor schema te arriveren in Amsterdam. Onder u ziet u aan de rechterzijde van het toestel (….). Zojuist heeft u mijn collega’s uit de cockpit even in de cabine gezien. Het is een vlucht van tien uur naar Amsterdam en ze strekken even de benen (…). Over enkele minuten wordt er een kleine maaltijd geserveerd (…) en onze in-house entertainment systeem (…).

Ik doezel weg en slaap meer dan een uur.

Ding, dong. ‘Dames en heren. Hier gezagvoerder de Vries vanuit de cockpit. Op het ogenblik passeren we het eiland Cuba. U kunt het zien liggen aan de linkerkant van het vliegtuig. Enkele oplettende passagiers wezen de bemanning er al op dat Cuba niet op onze route ligt. Dat klopt. Net na de start hebben we een klein probleem gehad in motor 2. Op onze instrumenten konden we niet precies zien wat er aan de hand was, dus hebben we zelf even gekeken (…) (Aha, niks benen strekken dus). Uit die inspectie bleek dat er een brandje was geweest in motor 2 en we hebben toen besloten die uit te zetten. Nu kan de Boeing 747 volledig veilig op drie motoren verder vliegen naar Amsterdam, maar drie motoren gebruiken meer brandstof dan vier omdat ze gedrieën het missende vermogen van motor 2 op moeten vangen. Dat zou betekenen dat we een tussenstop zouden moeten maken in Ierland. In overleg met de KLM en de vluchtleiding in Amsterdam hebben we besloten – ook in verband met de veiligheid – (was het nou wel of niet veilig om door te vliegen op drie motoren??) door te vliegen naar John F. Kennedy Airport in New York om aldaar een nieuwe motor te installeren. Die wordt nu vanuit Amsterdam overgevlogen. Dat betekent dat we 24 uur oponthoud in New York zullen hebben. Onze verontschuldigingen voor het ongemak. U wordt daar ondergebracht in hotels In New York. We hopen dat u de kans heeft deze mooie stad te bezoeken gedurende het oponthoud. Ik kom straks nog nog bij u terug….’naamloklmos

De bedroom-voice van de gezagvoerder sprak de tekst routineus, bijna verveeld uit. Hij deed voorkomen of het er allemaal bij hoorde. Tja, dan zal het toch wel goed zitten toch? Er was veel geroezemoes in de cabine, maar dat doofde weg nadat hier en daar de stewardessen wat nadere informatie gaven. Wat me opviel was dat ze de cabine een beetje schemerig hielden. Niet meesturen. Ik viel snel weer in slaap want het was ongeveer 23.30 Nederlandse tijd.

Ding dong. ‘Hier vanuit de cockpit. Ik heb zojuist de nadering van John F. Kennedy Airport ingezet (…) Mag ik u verzoeken uw stoelriemen vast te maken en uw stoel rechtop te klappen (…)’

Ik werd wakker. We daalden rustig. Gezeten naast het raampje ter linkerzijde kon ik zien hoe we langzaam door het wolkendek zakten. Het vliegtuig maakte een bocht. En toen konnaatrucksmloos ik ook de landingsbaan zien. Met daarop twintig brandweerauto’s met zwaaiende blauwe sirenes, en een stuk met schuim witgespoten traject (!). Griezelig, tijd om eens lekker mee te sturen. Desondanks landden we veilig.

36 Uur later vlogen we door naar Amsterdam, dwars door de staart van de orkaan Lenny. We hadden kennelijk een ongunstige slot geloot op deze geïmproviseerde vlucht. Vier uur lang constante turbulentie, heen en weer geslingerd als in een achtbaan. Alle alarmsignalen gehoord die ze in een vliegtuig hebben. Stewardessen en duwkarretjes vlogen soms door de lucht. ‘Ting, ting, cabin crew be seated immediately.’ En dat in de wetenschap dat de nieuwe motor 2 er net in New York provisorisch onder was gesoldeerd. Na een uur went het, na twee uur verveelt het alleen nog maar. Je kunt er toch niks aan doen. En als het mis gaat, gaan ze het jou niet direct vertellen. Ze gaan je echt niet laten meesturen.

 

 

 

 

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Waar was je op het moment dat…?

untiasagfsdgjdyhkerytledWaar was je op het moment dat Pim Fortuyn werd doodgeschoten? Waar was je bij de aanslag op Kennedy? Waar was je….? Dit soort beroepen op je emotionele Tom-Tom bedoelen niet je ter verantwoording te roepen om uit te leggen waar je precies zat, nee, met dit soort vragen bedoelen we het psychologische fenomeen te duiden dat iedereen zich decennia nadien nog precies weet  te herinneren (of nog denkt te weten) wat er gebeurde op het moment dat er een beroemd iemand werd vermoord. Dat maakt een letterlijk onuitwisbare indruk op ons individuele en collectieve geheugen. Althans dat is de theorie.

Ik reed met de auto naar huis met een bak Chinees naast me op de passagierstoel toen ik op de radio hoorde van de moord op Pim Fortuyn. Kreeg in een bus tussen Den Haag Centraal en Kijkduin door, uit flarden van gesprekken van een stel pubers, dat er iets aan de hand was met de Twin Towers in New York. En bij Theo van Gogh…dat weet ik niet meer.

En volgens mij ben ik niet de enige. Want je exact herinneren waar je was op het moment van, wordt na verloop van jaren net zo lastig als het herinneren van al dat andere. En dan verzinnen we meestal maar wat, omdat we het weliswaar vergeten zijn, maar vinden dat we het eigenlijk niet mogen vergeten. Reverse psychology.

Dat Willem van Oranje gezegd zou hebben: ‘Mijn God, mijn God, heb medelijden met mijwvod en met dit arme volk…’ nadat hij door twee kogels was doorboord in 1584 (eentje sloeg direct een deel van de hartkamer weg en doorboorde de long). Dat is klinkklare onzin volgens forensisch arts Mat Weststrate, want van zo’n wond bent je op slag dood. Maar daar gaat het ook niet om. Die zin helpt ons herinneren. En hoe beter het verhaal, hoe langer de herinnering.

Op de kop af 2057 jaar geleden (onthoud: er was geen jaar 0) kuierde hij naar de Senaat. Er is weinig reden aan te nemen dat de Pontifex Maximus Caesar – toch een gelovig en op zijn minst een bijgelovig man (lees de Gallische Oorlog) – al die ongunstige voortekenen die er waren voor die dag in de wind zou hebben geslagen. Een waarzegger Spurrina zou hebben gewaarschuwd: ‘Pas op voor de 15de (Iden van) maart! Mevrouw Caesar (Calpurnia) zou na een nare droom hem hebben bezworen niet naar buiten te gaan. Caesar zelf zou ook een nachtmerrie hebben gehad (hoe weten we dat trouwens?), en de dierenoffers die hij met de priesters die ochtend had gebracht zaten vol slechte voortekenen. Heel onwaarschijnlijk als je het bij elkaar optelt. En dat hij zich dan had laten overhalen door niemand minder dan Marcus Brutus om die voortekenen te negeren en toch maar te komen. Ik denk het echt niet. Nee volgens mij had Caesar d’r best wel een beetje soort van zin an die dag. Voorjaarsweer en het vooruitzicht om weer eens een lekker lange neus te maken naar dat stelletjes losers van het oude establishment dat de carrière van zijn vader en lange tijd die van Caesar zelf zo in de weg had gezeten. Stukkie klimmen, stukkie dalen en overal uitgelaten mensen die hem groetten. Eenmaal aangekomen in de senaat moeten zijn ogen even wennen aan het duister. Alle senatoren zijn opgestaan en Caesar wil naar zijn stoel lopen. Wat er dan JEAN-L~1gebeurt is dat Marcus Tullius Cimber naar Caesar toeloopt. Cimber’s broer is net verbannen en onder het mom dat hij Caesar iets wil vragen namens die verbannen broer, pakt hij hem bij de panden van zijn toga vast. Geïrriteerd probeert Caesar zich los te rukken, judoka-style, maar direct is daar Lucius Cassius Longinus die hem door de keel steekt. Alles staand. De onvervaarde Caesar probeert Cassius nog met zijn schrijfstift terug te steken, terwijl hij – volgens de overlevering – uitroept: ‘Maar dit is geweld!’ En dan storten de andere samenzweerders zich als één man op hem met hun dolken. Wanneer de dolk van Marcus Brutus hem doorboort weet Caesar nog uit te brengen: ‘Jij ook mijn zoon?’ (Et tu Brute?). En als hij ziet dat er tegen de overmacht niets meer is uit te richten, gooit hij de toga over zijn hoofd en zakt in elkaar onder het beeld van Pompeius. Ieder van de samenzweerders doorboort hem vervolgens met eigen dolk (43 keer) zonder dat Caesar ook maar één zucht of kreuntje geeft. En dan rent iedereen weg – volgens de overlevering van de Romeinse geschiedschrijvers. Zo zit dit theaterstuk met grote woorden en wijdse gebaren ook in ons collectieve geheugen.

Nicolaas van Damascus een geschiedschrijver aan het Hof van Herodes is een paar jaar later in Rome (rond het jaar 41) en spreekt met een aantal mensen die bij de aanslag aanwezig waren. Zijn verslag van de gebeurtenissen is wat anders, een beetje geloofwaardiger ook. Ook daar loopt Caesar de senaat binnen. De samenzweerders hebben zich al in de buurt van de binnenlopende Caesar gepositioneerd. Tullius Cimber loopt – als Caesar eenmaal is gaan zitten – op Caesar af en pakt hem onder het mom van een verzoek namens zijn broer inderdaad beet bij de toga. Caesar probeert zich los te trekken. Dat is het signaal voor de samenzweerders om hun dolken te ontvesten (hingen aan een riempje onder de toga in een foedraal) en zich op Caesar te storten. Servilius Casca is de eerste die uithaalt naar het linkerschouderblad van de nog zittende Caesar (hij mikte op het hart), maar hij mist. Caesar staat vervolgens op en Casca schreeuwt in het tumult in het Grieks naar zijn broer Gaius om hem te helpen. Die steekt zijn zwaard tussen de ribben van Caesar. En dan komt hetmurder_julian_cesar_b verzwegen gedeelte. Cassius (de man die volgens de officiële versie als eerste zou hebben gestoken) steekt zijn dolk recht in het gezicht van Caesar (daar komt waarschijnlijk dat gedeelte met de toga over het hoofd vandaan uit het officiële verhaal, want een wond in het gezicht werd vernederend geacht). Tot zover lijkt het op de overlevering, maar wat Damascus achterhaalt is de rommeligheid van de vechtpartij die dan volgt. Cassius Longinus wil nog een keer steken, maar mist en raakt de hand van Marcus Brutus. Minicius steekt naar Caesar, mist en raakt in het gedrang de dij van Rubrius, een andere samenzweerder. Bloederig, rommelig, schreeuwend en tumultueus, met als eindresultaat een dode Caesar aan de voet van het beeld van Pompeius inderdaad met – curieus detail – 35 steekwonden (8 minder dan in de officiële versie). En in de ooggetuige-reconstructie geen woord uit de mond van Caesar en geen toga over het hoofd.

Lang niet zo’n gedenkwaardig verhaal als het ‘echte´ verhaal natuurlijk. Ik zou ook niet meer weten waar ik was op dat moment.

Posted in Algemeen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Zinnetjes

Er zijn van die stukjes muziek die in je hoofd blijven hangen. Rifs en zinnetjes die in één keer een herinnering terug kunnen halen, je in de stemming brengen, iets over kunnen dragen dat niet in woorden te vatten is. Zoals dat zinnetje van Vinteuil. Een paar maten muziek voor piano en viool in Proust’s De Kant van Swann die bij Swann een heftige esthetische sensatie teweegbrengt. We kennen dat allemaal wel denk ik. Die unzdfhsdafhnsatitledtwee losse openingsakkoorden van ‘Don’t stop’ van Fleetwood Mac en ik zit weer achter op de brommer in 1977. Ik ruik het zomeravondrood op weg naar een feest in Etten-Leur, ik herinner me exact het stuk van de Zundertseweg waarlangs we rijden. Muziek als inprint. Minder mensen hebben dat met stukjes songtekst al kunnen we allemaal gedachteloos hele regels en refreinen nazingen van liedjes die we leuk vinden. In veel gevallen kunnen we dan wel de woorden reproduceren, maar – ik vraag dat wel eens –  waarover het gaat weet bijna niemand. Nee..echt? Ja echt. Geloof je me niet? Nou dan maar direct een test. Zing de eerste regels van Bohemian Rhapsody van Queen….Ja prima. En nu onmiddellijk antwoord: waar gaat het verhaal over? Wat is de situatie? Uuuhhhhh….. Zie je wel? Maar daar gaat het me dus niet om, gedachteloze tekst. Bij mij blijven nogal eens stukjes songtekst hangen als regels uit een gedicht. En dat worden dan later evenzovele gedachtenkapstokjes soms zelfs persoonlijke tegeltjeswijsheden, in het beste geval motto’s. Ze was nog piepjong – amper 17 – Neneh Cherry toen ze de leadzangeres werd in de aciduntgargheitled jazz/punk formatie Rip Rig and Panic. Alle bandleden waren zowat net puber af. En hoe je dan op zo’n tekst kan komen. ‘Storm the reality asylum…’ (van het tweede album I am Cold 1982). Dat hele concept: de realiteit als een soort kliniek voor mensen met een geestelijke beperking. Mooi gevonden. Maar dan die laatste zin, een zin die me al jaren geestelijk gezond houdt: ‘Time is just a trick of the mind…’ Mooi toch? Daarom draag ik tot op de dag van vandaag geen horloge. Dat te bedenken op je 17de. Misschien moet je wel juist heel jong zijn om zo mooi te kunnen dichten. Rimbaud was ook nog maar net uit de luiers zowat toen hij zijn Le Bateau Ivre schreef. untitlrimbaudedHet mag dan zo zijn dat geen mens meer een gedicht leest en er ook nog maar weinig moois en toegankelijks wordt gemaakt. Dat onze kinderen niks meer met taal, tekst, woordenreeksen of romans hebben. Het zal wel. Ik kan er mee leven dat er tekstsparels als sublimale tekstboodschappen verpakt in rockbeats en gitaarsriffs de hoofden ingaan en daar blijven hangen aan haakjes waar ze ooit nog eens afgehaald worden. Om iets beter te smaken of te begrijpen. Mijn eigen vak bijvoorbeeld, want daarover zegt ‘Storm the reality’-tekst ook zoiets belangwekkends: ‘Your laws treat crocodiles for acne…’ dkjbkdjksdjd

Posted in Algemeen | Tagged , , , , , | Leave a comment

Is Jezus ooit geboren?

dasdgafhsgfhfrtgjnes2014 Komt er aan. 2014 Jaar al weer na de geboorte van Christus zou je zo denken. Nou ja, nou nee, nou niet helemaal precies, want er is eigenlijk geen jaar 0. In de Gregoriaanse kalender – opvolger van de Juliaanse kalender – wordt het jaar 1 voor Christus direct gevolgd door het jaar 1 na Christus. Dat volgens de logica die ook geen maand of een week kent die begint met dag 0. Maar die logica loopt wel stuk op de wende van 1 voor Christus naar 1 na Christus. Dan missen we dus eigenlijk een jaar. Vervelend want het niet bestaan van het jaar 0 doet er natuurlijk wel degelijk toe. In de taal bijvoorbeeld (‘hij reed rond in een heel oud barrel, zo’n auto uit het jaar 0’). Je wil er niet aan denken dat het getal 0 of jaar 0 niet bestaat als je je computer opstart (alleen nog maar 1-en, dat werkt niet in een binair stelsel). En dan HIJ. Ik heb het altijd al gek gevonden dat HIJ 1 jaar na Christus werd geboren, als het ware een jaar na zichzelf. Maar nu we zeker weten dat het jaar 0 niet bestaat, wanneer is HIJ dan geboren? Is HIJ wel geboren? Wat een gedoe. We moeten het maar snel corrigeren. Gelukkig 2013 allemaal! Of 2-14, wat jij wil joh.

Posted in Algemeen | Tagged , , , | 2 Comments

Olivetti M24

olivetti_m24_1‘De computer is er,” zei de vakgroepvoorzitter met een geheimzinnige glimlach rond de lippen. Het was nog maar mijn tweede dag, na een eerste dag vol ongemakkelijke kennismakingsgesprekken, daar op dat grote kantoor op de 8ste verdieping van de Katholieke Universiteit Brabant. Midden maart, midden jaren ’80. Personal computers waren nog ongebruikelijk op kantoren zoals die van de juridische faculteit. Ja, je had wel hele, hele grote computers, lijkend op drukpersen, waarmee ponskaarten werden verwerkt of gegevens van banden zo groot als filmspoelen werden gelezen. Maar een machientje waarmee je gewoon zelf een stukje tekst kon editen en printen, nee dat nog nauwelijks. Voor het schrijven van brieven, rekeningen en andere schriftelijke stukken werd nog de typemachine gebuikt. Zo rond 1985 meestal al wel een elektrische schrijfmachine met – een hele opluchting – een correctielint. Teksten maken met een computer bestond eigenlijk nog nauwelijks. Dat was voorbehouden aan jongens die op Bill Gates leken. Die klooiden tot diep in de nacht met hun Commodore 64’s of in Engeland bestelde moederborden, membraantoetsenborden en cassettebandjes die een half uur moesten draaien voor er 3 stippen op een mini beeldscherm verschenen. Je moest minstens handig zijn met een soldeerbout en een instapcursus informatica hebben gevolgd om zo’n hobbyapparaat aan de  praat te krijgen. Printen ging eigenlijk helemaal niet.

En nu was er dan die personal computer en ik was de eerste van de vakgroep staats- en bestuursrecht naast  de voorzitter – die had er een thuis – die zo’n ding zou gaan gebruiken. Een omstreden apparaat, want – dat merkte ik later pas – de wat oudere medewerkers wilden er eigenlijk niet van weten. Die waren bang – terecht achteraf – dat hun vertrouwde wijze van werken (kladje schrijven en afgeven aan de mevrouwen van de typekamer, hapje gaan eten, tekst corrigeren en voor de borrel weer de zaak droppen bij de nijvere bijtjes van diezelfde tikhal) op de tocht zou komen staan. En stel je dat toch eens voor zeg, de deconfiture van zelf tikken!

Had ik ervaring met computers?, wilde collega B. (pijprokend en met iets van een schaakaandoening) weten. Samen met enkele anderen ving hij me die ochtend van de computeraankomst op voor mijn deur. Hij keek me onderzoekend aan. Toen ik zei dat dat niet het geval was, lachte hij een beetje schamper en knipoogde naar de rest van het ontvangstcomité. Ze hadden mij tot computerproefkonijn gemaakt en de kansen op mislukking schenen voorshands geruststellend groot. Daarmee zou het straks voor eens en altijd uit zijn met die malligheid van die computers.

Met een zwaai gooide een andere collega de deur van mijn eigen kantoor voor me open en daar stond die dan, DE COMPUTER. Twee grote dozen met de pakbon er nog op midden op mijn stalen bureautafel. Van aansluiten wist niemand iets af. Een dag of wat ben ik bezig geweest om de Olivetti M24 in elkaar te zetten. De gebruiksonvriendelijke handleiding hielp maar weinig. Maar op een gegeven moment lukte het toch. Het ding startte op en je kon zowaar met een slappe 5.25 inch floppydisk met daarop het eigen operating systeem van Olivetti een paar letters op het scherm krijgen. Ze waren wel vergeten er andere software bij te bestellen, maar die kwam gelukkig enkele weken later ook aan. Het programma Framework van Ashton Tate (een soort proto-windows). En daar kon je warempel al een beetje tekst mee verwerken, al was het eigenlijk voornamelijk een spreadsheetprogramma en een personal databasemanager. Veel stelde het allemaal niet voor, maar het was een ware gebeurtenis.

De Olivetti M24 was een soort kloon van de in 1981 gelanceerde, succesvolle IBM Personal computer, maar dan wel op zijn Italiaans. Strak gestileerd, jaren tachtig vierkant, zwart en grijs. Het had een geheugen kleiner dan dat van een demente eendagsvlieg (128k) een processor waarvan je de transistorpoortjes open en dicht hoorde slaan elke keer als er een bit werd doorgelaten (8086-16 bit) en je werd volstrekt tureluurs van het gewissel van de software floppies van Framework (twee stuks) en de opslagfloppy. Er was in mijn machine maar een diskettestation (en geen harde schijf) waardoor je voor elke bewerking een van de twee programmaschijven (naargelang de bewerking) er uit moest halen, dan opslagschijf er weer in, iets opslaan, opslagschijf eruit, programmaschijf er weer in voor een instructie, opslagschijf er weer in voor je gegevens, enz. Maar het was niets meer of minder dan een technisch mirakel. Zelfs de printbeperkingen konden de pret niet drukken. Om iets wat je had gemaakt af te drukken, moest je namelijk een afspraak maken met een speciale ‘operator’ – een mijnheer in een witte stofjas – in het Rekencentrum in een ander gebouw. Een paar meter brede naaldprinter raasde dan als een soort breimachine over een grote rol papier met tractor gaatjes aan de zijkant. Het resultaat was slecht leesbaar maar dat deerde niet: je had een machine zover gekregen dat tekst werd opgeslagen en oneindig kon worden gereproduceerd. Bij het maken van die tekst mocht je best fouten maken (dat was zo te corrigeren) en die tekst was ook – in theorie – oneindig te verveelvoudigen. Dat was nog eens wat.

Na het eind van de jaren tachtig tuimelden de digitale ontwikkelingen over elkaar heen. Harde schijven, daisywheel printers (eigenlijk elektrische typemachines die je aan kon sluiten op een personal computer), de opkomst van de fax, pc privé, printers, Word Perfect, MS Windows, email, kleurenschermen, internet, pentium, usb sticks, noem maar op. Mijn harde schijf zit vol met 20-jaar junk-dna van de digitale revolutie. Ik heb nog dozenvol stekkertjes, kabels, disks die getuigen van het brandende spoor dat de ‘roaring ICT years’ hebben getrokken.

Wat is het blijvende gevolg van die revolutie? Misschien nog te vroeg om dat in te schatten. We kunnen elkaar in ieder geval veel makkelijker bereiken en vlooien en hoeven daarvoor niet meer bij letterlijk bij elkaar op schoot te zitten. Daarmee is alles wel anders geworden, de wereld tegelijkertijd kleiner en zoveel groter. Beter ook, wie weet.

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Fietsjongens

In deze zomerperiode ga ik elke dag met de fiets op en neer van Nootdorp naar Leiden. Een droomrit langs de Vliet, 16 kilometer enkele reis, 32k per dag. Heerlijk, maar wel altijd pittig wind tegen in de ochtend nu de wind zo in het Noorden zit. Het is er sowieso tochtig langs het Rijn-Schiekanaal en als de wind in het gezicht blaast dan is dat ook meer dan 10 kilometer lang het geval – het is een rechte streep. Uitputtend. Maar daar heb ik iets op gevonden. Nu met de Tour de France op de televisie rijden er ook heel veel wat oudere wielrenners op dit traject met een nagelnieuwe racefiets rond, geheel gestoken in de meest moderne fietskleding (met kekke bril). Mannen die met een wat uitpuilend lijf in het wielertricot geperst fanatiek de pedalen beroeren; die tekeer gaan op hun impulsaankoop en  zich Mollema en Ten Dam tegelijkertijd wanen. Met hun meestal brede derrière vormen ze een ideaal windscherm en ze schieten ook best redelijk op, ware het niet dat ze zich ingewikkeld gedragen vanwege misplaatste competitiedrift. Als je zomaar achter ze aan gaat rijden – is mijn ervaring – gaan ze steeds harder fietsen tot op het moment dat ik er met mijn stadsfiets (Gazelle Mondeo) af moet en dus weer de wind vol in mijn snuffer heb. untisdgWDGDGledDaarom doe ik het nu anders. Ik rijd eerst een minuutje of zo achter ze aan en passeer ze dan ineens met een rotvaart. De aanblik van een grijsaard op een stadfiets die voorbij komt schieten is onverdraaglijk voor deze nadaagse wielrenners. Zo hard ze kunnen proberen ze mij in te halen. Ik laat ze dan graag voorbij en huf en puf een paar keer nadrukkelijk om de indruk van totale uitputting te wekken. Als ze je passeren, zijn ze zelf ook te moe om nog hard te demarreren. En ik kan mooi tot aan Leiden achter ze aan peddelen. Werkt altijd. Tot op die ene vent vanmorgen na, die met zijn Vacansoleil-outfit op zijn peperdure Sensa Giulia Dura Ace. Even gepasseerd, en hij weer voorbij mij. Het ging heerlijk zo uit de wind bij hem al meer dan een minuut of vijftien lang. Hij hijgde op een gegeven moment wel dat het een aard had, deze krachtmens van ca. 110 kilo en een jaar of veertig. Naarmate we dichter bij Leiden kwamen, werd hij merkbaar vermoeider en schokte steeds meer met het bovenlijf. Net na de bocht bij de Vlietlanden rechtte hij plots zijn rug en draaide bozig half om op zijn fiets: ‘Als we in de waaier rijden moet je verdomme zelf ook een keer op kop komen!!!’ De mevrouw die al meer dan vijf minuten met haar elektrische fiets met kinderzitje, net als ik, achter dit wielerbeest aankoerste, keek eerst hem en toen mij verbaasd aan. ‘Waaier??’

Tja het leven valt nog niet mee voor fietsjongens van een zekere leeftijd.

untgeatrhwqthdandgaitled

Posted in Algemeen | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

PAK(44)

10313374_1473823159518101_636618479763406172_nDe Tweede wereldoorlog klopte overal aan in Nederland, maar kwam niet overal binnen. Voor mijn vader, zo’n jaar of acht in 1944, vloog die vooral over. Engelse en Amerikaanse vliegtuigen die de spoorlijn tussen Breda, Roosendaal en Antwerpen beschoten en bombardeerden. Samen met zijn twee jaar jongere broer Toon klom hij ’s nachts op het gewelfde dak van de boerderij aan de Lage Donk (in Etten) om er het spektakelvuurwerk te bekijken. Op de eerste rang hoorden ze de motoren van de Spitfires en Mosquitos janken in hun duikvlucht, zagen ze de zoeklichten tegen de donkere hemel vegen en de streepsalvo’s lichtspoormunitie die het luchtafweergeschut afvuurde. Een schitterend spektakel. Zoiets hadden ze nog nooit gezien en ze zaten er op zijn hoogst twee kilometer vandaan. Tot in hun buik voelden ze de inslaande bommen in de koele augustusnacht. Het was voor het eerst dat ze direct iets van die oorlog merkten, want verder was het vooral een oorlog uit de tweede hand geweest.1795727_1473825462851204_3981110812008367278_n

Tuurlijk. Er was wat minder van alles, maar er was altijd al niet zoveel geweest. Op een grotendeels zelfvoorzienende boerderij aan de rand van Etten-Leur, half weggedoken in de polder onder Breda, merkte je er niet zoveel van dat de wereld in brand stond. Die wereld was klein, en werd ook klein gehouden. Een preek van de pastoor over de moeilijke tijden en de slachtoffers van de oorlog (alles een beetje voorzichtig natuurlijk, want ‘Feind hört mit’, ook in de kerkbanken). Alle nieuws kwam via-via, want kranten of tijdschriften lazen ze nauwelijks. Wat mijn grootouders wisten, hoorden ze uit de buurt, van winkeliers en colporteurs. Tegenstrijdige berichten over een wereld die vooral veraf leek. En van dat beetje wat ze wisten, vertelden ze de kinderen liever niets. Er waren al genoeg zorgen met die net geboren tweeling. Ze waren ziek, kregen soms ’s nachts een epileptische aanval. Akelig. Heel akelig. Dat hielden ze allemaal liever weg bij de andere vijf, nog jonge kinderen.

Natuurlijk kregen ze ervan langs, mijn vader en zijn broer, toen ze hun dakavontuur bekenden, maar toch ook weer niet al te erg. Ze vertelden in geuren en kleuren, en iedereen luisterde. Alsof het een Polygoon journaal was dat ze hadden bekeken. Dat die vliegtuigen de trein uiteindelijk toch geraakt hadden. Dat die in de brand vloog, maar wel door bleef rijden.

Die Tweede wereldoorlog gleed langs. In het geheugen van mijn vader –  de bron waaruit ikimagesCAMV2T90 die periode leerde kennen – was het niet meer dan een voetafdruk op het strand. Af en toe reed er een vrachtwagen met Duitsers over de Ettense markt, of een colonne met een paar stuks geschut. Het liet nauwelijks sporen na bij hem. Ze waren te jong om van de Arbeidseinsatz te hoeven duchten. Te weinig welvarend waarschijnlijk om te lijden onder invordering, en voor zover er al gevorderd werd, maakte het te weinig indruk om te beklijven. Nee, dat spektakel van die beschietingen en bominslagen naast het spoor, dat herinnerden ze zich dertig jaar later nog wel. Dat kwam boven als er met een moorkop op schoot verhalen werden verteld over de oorlog.

Bij mijn moeder thuis – die hemelsbreed veertien kilometer zuidoostelijker woonde – lag het iets anders, maar toch niet veel. Bij haar thuis (familie Sprenkels) werden in 1944 Duitsers ingekwartierd. Soldaten die een paar nachten bleven slapen. Jonge mannen, 1608-000461ventjes eigenlijk, die ’s avonds op een accordeon speelden en vooral heimwee hadden. Ze namen wel het paard mee. Dat was een slag, want dat beest hadden ze nodig om het land te bewerken. En – o, ja – er was een Engelse parachutist geland, al ergens in 1943. Een geheimzinnige affaire, want opa Sprenkels vertelde er niemand over. De parachute had hij diep in het land begraven, en daarmee was de kous af. Pas na de oorlog gaf die – zonder enige verdere uitleg – mijn oma een enorme lap parachutezijde. Tot ver in de jaren vijftig droeg de familie Sprenkels ondergoed van de allerfijnste kwaliteit. Wat overbleef van de lap verkochten ze. Hadden ze toch nog wat terug voor dat paard.

Ze vertelden er ook over alsof ze er geen deel van hadden uitgemaakt, alsof ze toeschouwers waren op een tribune, alsof ze met zijn allen op dat dak hadden gezeten. Ook – of eigenlijk vooral –  mijn opa Voermans besprak de oorlog als een zaak van anderen. De zoveelste vergeefse poging van de geschiedenis om zich te mengen met de wisseling van seizoenen, de eeuwige cyclus van zaaien en oogsten, de gang van het leven. Eigentijdse historische gebeurtenissen maakten weinig indruk op hem. Zo haalde hij zijn schouders op bij de maanlanding, waarvan hij vermoedde dat het studio-opnamen waren. Misschien deed ie dat omdat hij een diep, intuïtief begrip  voor de grote gang van de geschiedenis had, misschien ook omdat het hem gewoon niet interesseerde. Wat er ook van zij, met een stug volgehouden historisch autisme, wekte hij de indruk dat bezetting en bevrijding – waarover ik als kind zo graag uit de eerste hand wilde horen – ergens anders hadden plaatsgevonden. En dat terwijl de gebeurtenissen zelf dicht genoeg bij waren geweest…

Het verhaal werd van teveel kanten bevestigd om een fabeltje te kunnen zijn. Keer op keer werd het verteld tijdens verjaardagen.  Aangelengd, opgesmukt en overdreven, maar de kern van de gebeurtenissen bleef constant. Het moet zo – denk ik – wel ongeveer echt zijn gebeurd.

Ergens in het late najaar van datzelfde 1944. Een artilleriecompagnie van de Wehrmacht steekt zo rond een uur of elf in de ochtend met een aantal gepantserde rupsvoertuigen de weg op de Lage Donk over, de velden in. Ze rijden dwars door de Hoge Akker, achter langs Dillekes, richting het spoor. Een opmerkelijk tafereel dat mijn opa en zijn oudste kinderen – die net aan het aardappelrooien zijn –  op een afstandje bekijken. De Duitsers rijden met hun materieel dwars door de velden, maar doen dat wel ordelijk. Ze gebruiken de dammen en doen netjes de hekken en de sloppen open en dicht om zo in positie te komen.

“Wehrmacht,” zegt Nort, mijn opa’s zwager, die er ook bij is. En omdat Nort-oom alwetend is, en zelf heeft gediend in het leger (net na De Grote Oorlog), weet iedereen op het veld dat dat dus ook zo is. Ze zijn maar met een handje vol soldaten, de Duitsers. Slungelige types die moeizaam over de zware natte grond voortbewegen. Je kunt zelfs op zo’n grote afstand zien dat hun uniformen te groot zijn. Jonge gastjes, die allemachtig veel moeite hebben het kanon dat ze meevoeren van het pantserrupsvoertuig los te koppelen en op de goeie plek te krijgen. Met zijn zevenen hijsen en trekken ze aan de boom van het affuit, totdat de loop imagesCA7Q1QXQvan het spoor af wijst. In een hoek van zowat 35 graden, de vuurmond gericht op de lege hemel boven Hoeven.

“Wat zouden ze d’r mee doen?” vraagt mijn grootvader, die volgens het vernederende bijnamenregister van het dorp niet Willem maar Willeke werd genoemd.

“Volgens mij komen ze dichterbij,” zegt Nort, daarmee doelend op de geallieerden.

“Want dat is geen luchtafweergeschut, maar gewoon een kanon om mee op de pantserdivisies van de Amerikanen te schieten. Die zijn vlakbij…”

“Kunnen ze dat niet ergens anders zetten?”

“Wat?”

“Dat kanon.”

Nort-oom spuugt misprijzend een kwieter pruimtabak voor zich uit.

“In een oorlog wordt niks gevraagd.”

Enfin. Ze kijken de bedrijvigheid nog een beetje aan, maar gaan dan weer aan het werk. Er zit regen aan te komen en die aardappels moeten uit de grond. Als de poldergrond te nat wordt, kan je het wel vergeten. Af en toe gooien ze een aardappel naar elkaar. Vrolijk gekwetter. Als ze het in de verte in Etten in de Lambertuskerk twaalf horen luiden, gaan ze op huis  aan om te eten.

Er wordt – zo lang ik me weet te herinneren – altijd om een tweede schepje van mijn oma’s groentesoep gevraagd. Heerlijk is die. Zelfs in deze moeilijke tijden zitten daar nog zelf gedraaide soepballetjes in. Iedereen lepelt en uit mijn vaders achtjarige mondhoek bungelt een sliertje vermicelli als er ineens een enorme klap weerklinkt. Er breekt glas en eventjes zijn ze met zijn allen verdoofd. Letterlijk, want een moment lang kunnen ze niks meer horen. De meisjes beginnen te huilen. Oma rent naar boven. Naar de tweeling die daar ligt te slapen, naar het geluid van het brekende glas. Opa rent achter haar aan. Mijn vader staat dan al buiten met zijn broer, uit te kijken over de velden in de richting van de klap. Ziet nog net dat er een pluim zwartgrijze rook uit de loop van het kanon daar bij het spoor verwaait. Het 75 mm Panzer Abwehr Kanone, de PAK (44), is afgevuurd. Wat een herrie voor een projectiel van niet meer dan zeveneneenhalve centimeter. Mijn vader kijkt gefascineerd toe hoe ze het geschut terug in positie kruien. Net dan komt Nort-oom met een rooie kop langs hem heen stormen en vliegt naar binnen. Opgewonden stemmen, de mannen vloeken, mijn oma huilt hees.

“Er ligt glas in de bedjes van de jongens…Zulke scherven….Ze hadden wel.. Ze hadden…” Ze komt niet meer uit haar woorden.

“Bij ons is het voorhuis zo van de stal gescheurd,” legt Nort-oom uit en hij wijst naar het ouderlijke huis van mijn opa, dat zo’n zestig meter verder op aan de straat ligt. En verdomd, je ziet van hier af de scheur zitten.

“Nog zo’n klap en het voorhuis zakt in mekaar. De bouw is bijna honderd jaar oud. Die houdt dat niet.”

Ze kijken elkaar een keer aan, zeggen geen woord, maar lopen zo het land in, richting van de Duitse compagnie. Een minuut of wat, kruipend over de prikkeldraad, plompverloren springend over sloten met hun logge klompen, en dan zijn ze er. Vanaf de boerderij is niet te volgen wat ze zeggen tegen de kanonniers. Van de hele groep van vanmorgen zijn nog maar een stuk of drie soldaten over.

“Broekies,” volgens Nort-oom, “Mannekes van een jaar of zestien, zeventien, nog nat achter hun oren.”

Mijn vader herinnert zich het tafereel dat zich ontvouwt als volgt: eerst is er een soort gesprek, opgewonden, iedereen wijst en gebaart met de armen en handen. Mijn opa en zijn zwager maken veel misbaar, en die jongens met hun wiebelige helmen en te grote laarzen staan maar wat te kijken. Op afstand is te zien dat ze elkaar niet verstaan, niet begrijpen. Een van de slungels haalt zijn schouders op, en de andere twee maken aanstalten verder te gaan met de voorbereiding van een tweede schot. Mijn grootvader wordt nog kwaaier valt uit zijn bewegingen te lezen (hij heeft een legendarisch temperament) en ineens loopt hij naar het affuit en begint er aan te trekken. Een van die soldaten grijpt in. Trekt hem bij zijn schouder weg. Dan komt Nort-oom er tussen. Die wijst nog eens met een beschuldigende vinger naar zijn bijna gehalveerde boerderij en pakt dan ook de boom van het affuit vast. Met zijn tweeën geven ze de hele PAK 44 een halve draai en beginnen er dan gezamenlijk aan te sjorren. Het hele geval begint te bewegen en na wat gekrui, slepen ze het mee in noordelijke richting, weg van de twee boerderijen. De drie soldatenknullen kijken elkaar aan, lijken niet te weten wat ze moeten doen. Een neemt zijn geweer in de aanslag en richt op opa en Nort-oom, maar een tweede duwt de loop ervan imagesCA1QU2EUnaar beneden en gooit met zijn hoofd in de richting van de boeren die als een paar trekpaarden het kanon verrijden. Een beetje gedwee sjokken de andere jongens er dan maar achteraan. Er helpt er zelfs een met duwen. Uiteindelijk verplaatsen ze het hele ding een paar honderd meter. Nort en opa draaien het ding met de loop in de gewenste westelijke richting en gaan dan, zoals ze zelf zeggen, zonder verder een woord met die mannen te wisselen naar huis. Het kanon heeft niet een keer meer geschoten.

Dat verhaal kan niet waar zijn, heb ik al van heel veel mensen te horen gekregen. Echte onzin. Een burger die het waagde om in de buurt van stellingen of geschut te komen, die er ook maar naar durfde te wijzen, werd zonder pardon geëxecuteerd. Dat waren de orders. Zulke op het oog onschuldige boerenlui konden immers wel partizanen zijn. En vooral jonge, bange Duitsers – met de Amerikanen in aantocht – zouden niet geaarzeld hebben.

‘Urban myth’, ‘Fabeltje’.

Tja, zeker weten doe ik het ook allemaal niet. Ik was er niet bij. Maar zo is het mij verteld, dus zo is het voor mij gebeurd.

Posted in Familie, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , | 2 Comments