Op TV

Waar haalde ik in het najaar van 1992 in ‘s hemelsnaam de tijd vandaan? Voltijdbaan, vijf werkcolleges per week (een in de avond), proefschrift schrijven, vakgroepsecretaris, twee grote contractonderzoeken (omzetten richtlijnen/computers en wetgeving), annotaties, imagesGFLW8RGEartikelen, papers, commentaren, en dan ook nog een dag of twee of zo per week met die Nacht van de columnist bezig….Tussendoor nog getrouwd. En dan schreef ik ook nog voor het glossy magazine Kubus en om de andere week een halve pagina over de voorbereidingen van die Nacht van de Columnist in Univers (het universiteitskrantje). Hoe lukte dat toch allemaal? Zou roken dan toch helpen (ik rookte indertijd als een schoorsteen)? Of was het gewoon de kracht van onnadenkendheid? Ik houd het op dat laatste want de verwikkelingen en complicaties van de organisatie van de Nacht van de Columnist lieten zich niet uitroken.

We hadden dat drieste plan opgepakt de allereerste columnistenprijs van Nederland – de Audax columnistenprijs uit te reiken (zie columnflatie). Dat moest met een grote klapper gepaard gaan om er voor te zorgen dat we vanuit ‘nowhere’ Tilburg ook in de rest van Nederland (lees: Amsterdam) gehoord zouden worden. Ook de hoofdsponsor stond daarop: het moest in Tilburg en het zou ook groot. Vandaar die ‘Nacht van de columnist’ (3000-4000 bezoekers, tientallen columnisten, bekendheden, bands, acts) te houden op 20 november in de Katholieke Universiteit Brabant. Al was het eigenlijk alleen untitlkryujmrhmejhmethedmaar bedoeld als reclamewikkel voor die prijs, die Nacht werd het onstilbaar hongerige zwarte gat van de hele organisatie. Hoe dichter die bij kwam hoe meer toestanden, hoe meer hoofdpijn. Jongens wat gaf een gedoe. Patricia, Clemens, Marinus en ik van de Stichting Fenomeen deden alles zelf, tot aan de keuze van de wijn voor de catering toe. Het liep ons totaal over de schoenen.

Maar op de een of andere manier lukte het steeds toch, uit het niets, minuten en uren te sprokkelen; tijd te toveren uit een niet bestaande ruimte. Waar ik in de week van 25 oktober (tentamenweek Inleiding staatsrecht) de tijd voor vond om het onderstaande stukje voor Univers te schrijven kan ik niet meer reconstrueren. Gemaakt in niet bestaande tussentijd. Wel kun je er gejaagdheid in proeven; van kritisch nalezen kwam het meestal niet.

‘De teller staat op 21 oktober. En dan ineens is er telefoon, die woensdag. Ene Hellen, van de bureauredactie van het programma Sonja op zaterdag. Ze willen zaterdag een item-pje doen over het gekrakeel rond de Audax-columnistenprijs. De zaak is namelijk de volgende: in de afgelopen twee weken hebben een aantal columnisten – na een aanvankelijke toezegging- bedankt voor een optreden op de Nacht van de Columnist 20 november a.s. De prijs, de sponsor ervan en/of de manier waarop de prijs zou worden uitgereikt zinde ze niet. Zowel Henk Hofland (niet eens met de jurysamenstelling en prijsuitreiking), als Theodor Holman (oneens met het feit dat hij niet was genomineerd) , untitleyjkdtyyjsrhgjsrdRik Zaal (niet akkoord met geld in zijn algemeenheid) en Ed Schilders (onduidelijk waarom) deserteerden. Ze deden dit gelukkig in de vorm van krantencolumns, die ons veel gratis publiciteit opleverden. En weer anderen (columnisten schrijven het liefst over elkaar) vonden de gewetensbezwaren van Zaal en Holman klinkklare bullshit (o.a. Sanders en Jaeggi) en deelden dat ook mee in de Volkskrant en Propria Cures.

Vanuit organisatieperspectief vormden de spijtoptanten alleen maar een luxeprobleem: we hadden nu nog maar 37 geboekte columnisten over, net genoeg om twee Nachten van de Columnist mee te vullen. En dat luxeprobleem werd dan weer groter. Omdat de weglopers niet kwamen, wilden juist anderen weer wel (o.a. Max Pam en Derk Sauer). Enfin, het gekakel was doorgedrongen tot de bureauredactie van Sonja (Barend) op zaterdag (dé talkshow van 1992). In de uitzending van zaterdag wilden ze graag een gesprek met de aanstichters van het keukenrelletje (wij dus) en een paar anderen. Een felle polemiek moest het gaan worden waar de vonken van af zouden springen. En wellicht zou onze voorzitter, Clemens van Diek, een toelichtend woordje kunnen spreken. Spannend![1] En goed voor de publiciteit, want al hadden we een fraaie subsidie, we moesten de Nacht nog wel uitverkopen wilden we in de buurt van quitte draaien.

Om er zeker van te zijn dat onze kant van het verhaal goed zou worden gehoord, faxten we ongeveer het hele archief van de organisatie naar de VARA en alles wat er te weten was over Clemens (levensloop, bevallige foto’s – voor zover mogelijk, bloedgroep, dat soort dingen). En we probeerden vooral te doen alsof we kalm bleven. De informatielawine werkte want die vrijdag kregen we het bericht dat we voor de uitzending van zaterdag 24 oktober in Amsterdam werden verwacht.imagesH0ZOVHU5

Voor ons doen waren wij , Patricia, Marinus, Clemens en ik (en de twee dozen van het archief, je weet maar nooit), heel stil in de auto naar Amsterdam die zaterdag. Af en toe werd de stilte doorbroken door de een of andere wilde ingeving: ‘Clemens! Je moet dat en dat zeggen!’ Dat werd dan kort geëvalueerd en dan was het weer stil een kilometer of 20. Na een zenuwslopend parkeeravontuur stonden we dan eindelijk om 18.30 precies (het afgesproken tijdstip) in de Rode Hoed (tevens t.v.-studio) . Kort spraken we nog met de bureauredactrice, die ons ‘bij-de-weg’ meedeelde dat onze voorzitter Clemens he-le-maal niks hoefde te zeggen en ook niet aan tafel zou zitten. Jammer (ook voor het archief), maar alla, het zou wel spannend gaan worden, er hingen ruzie en rellen in de lucht. Stront op tv, dat zie je niet alledag. Toch nog onrustig schoven we aan in de voor ons gereserveerde plekken op de eerste rij in de studiozaal. We grapten met elkaar – alsof ontspannen -. En Van Diek, zo zag ik, begon voor het eerst sinds een paar dagen weer een beetje kleur in zijn lijkbleke gezicht te krijgen. Het duurde en het duurde, maar om zes minuten over negen barstte dan het spektakel los. We zaten op rij één en waren goed in beeld (ja, we waren toch nog op TV!).

Het kleine televisiemoedertje Barend hupte vrolijk heen en weer voor de camera en gaf hem o zo geroutineerd van jetje. Het eerste item behelsde het non-probleem van ouders die op latere leeftijd kinderen krijgen. Een paar lolita’s die kibbelden, met twee Abrahammen en Sara’s. Het ging weer eens lekker nergens over.

Ondanks alle opwinding merkte ik dat het een beetje stonk daar in die studio. Een weëe zoete geur die ik niet thuis kon brengen. Ik keek beschuldigend om me heen. Eindelijk dan de columnisten…Al direct gingen ze in de clinch over die prijs. Holman kreeg zijn trekken thuis. Bernadette de Wit hakte venijnig op hem in. Echt heibel, stront. Na drie minuten zakte de cake echter terug in de bakvorm. Kopschuw geworden door de snelle start imagesOK7B6YNKbegonnen de columnisten aan tafel elkaar ineens minzaam de bal toe te schuiven. Ze werden nog net niet complimenteus, maar het scheelde niks. Wat moedertje Barend ook probeerde (‘vinden jullie jezelf niet laf?’), niks lukte meer. Het grote debat, de vlammende babbelpolemiek, ontaardde in goedaardig gekeutel dat via de coulissen wegpruttelde. Te schijterig dat ze op TV durven te zeggen waar het op staat en straks in de krant sluipmoord plegen op de gesprekspartners van die avond. Shit, wat een domper! Vreselijk. Het stonk een uur tegen de wind in. Letterlijk: toen ik aan het einde van de uitzending  naar mijn voet en daarna onder mijn schoen keek die ik de hele tijd zo übercoool op het podium had gelegd, zag ik dat ik dat er forse hondendrol onder zat, die ook nog eens half aan het podium voor me zat gekleefd. Jak!! Kom ik een keer op mijn TV…..zal je altijd zien. Nou ja, beeld is geurloos. Nu begreep ik ineens ook waarom de mensen naast me zaten, me de hele tijd al met enig afgrijzen hadden zitten bekijken (ik zag het later nog terug op de videoband van de uitzending). Dat was dus niet vanwege mijn vlammend scharlaken rode colbert dus. Enfin, toch nog een beetje stront dan….’

(gepubliceerd op 29 oktober 1992, Univers)

Naschrift. Het ging door op 20 november en het was weergaloos druk. Presentator Keer Driehuis was grootst, de bands waren leuk en veel jonge talenten leuk en naar behoren beschonken (Ronald Giphart, Jack Nouws e.a.) We hadden pesterig de zalen vernoemd naar de columnisten die niet waren komen opdagen. Maar we hadden namen  tekort: de meeste columnisten (althans de meest relevante) waren er. De prijs werd gewonnen door Henk Hofland…maar die was nou juist weer niet opdagen. In zijn zaal hebben we op de goede afloop getoast, voordat we het allemaal (ook weer zelf) op mochten ruimen.imagesMRKB1COB

Literaire prijzen (uit het Archief van het Letterkundig museum)

Audax-Columnistenprijs 1992

Prijswinnaar : H.J.A. Hofland

Bekroond werk : zijn columns in NRC Handelsblad onder eigen naam en onder het pseudoniem S. Montag

Geldbedrag : 15000 gulden

Details : de overige genomineerden waren: Hugo Brandt Corstius (1935), Emma Brunt (1943), Remco Campert (1929), Stephan Sanders (1961), Jan Vrijman (1925-1997)

Jury

John Jansen van Galen

Merel Laseur

Nelleke Noordervliet

Hugo Verdaasdonk

Gerrit-Jan Wolffensperger  (voorzitter)

[1] Al was het voor Clemens de tweede keer dat hij live op televisie zou zijn. Hij was er al een keer eerder om over zijn ‘Baanbrekende brieven’ uit 1989 te spreken.

Posted in Algemeen, Persoonlijk, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

Hans

Komt een man binnengelopen. Er is iets met zijn voet. Hij glimlacht vriendelijk en kuiert met een mal, blauwkartonnen KLM-koffertje naar de vijfnaamlht2q5hqrgh1oosmeter brede lessenaar. Het was al eerder  september 1980 en nu is het dat weer. We zitten met ongelooflijk veel eerstejaarsstudenten rechten te wachten op wat er gaat gebeuren. De pot schaft ‘Burgerlijk recht’. Geen goed woord in 1980. Want wie wil er nou burgerlijk zijn? Niemand toch? Zeker niet op je 18de, zeker niet in 1980. Maar enfin. We waren er nou eenmaal toch en hadden die hele zooi boeken en wettenbundels en syllabi en wat er nog meer in die zowat zicht versperrende papiervracht op onze klaptafels lag, mee naar hier gesleept, dus voor de draad er mee met dat verhaal.

‘Claudius’ werd er gefluisterd. ‘Het is net Claudius.’ (De Britse televisieserie I Claudius naar het boek van Graves was enorm populair op dat moment).

De blonde jongeman met de moeilijke voet daar beneden in de arena van de grote collegezaal lachte vriendelijk en zette bijna peinzend zijn duim onder zijn neus. Zijn twinkelogen spraken van een momentje binnenpret. Daar was geen aanleiding voor, want het was een ordeloze bende in de grote kille collegezaal en het gehoor maakte een kabaal van jewelste. Het wilde maar niet rustig worden – we gingen net het tweede academische kwartiertje in. Het scheen de  docent met zijn volle lippen en bolle wangen niet in het minst te deren. Waar zijn collega’s zure gezichten trokken, hees schreeuwend, vergeefse bevelen tot stilte en aandacht naar ons slingerden, klopten op de microfoon, sloegen op de lessenaar, of (dat was eigenlijk het leukst) hoofdschuddend rechtsomkeer maakten, leek deze man alleen maar plezier in de chaos van deze postpubersoep te scheppen. Zelfs de blaffende hond (zie Begin) deerde hem kennelijk niet. Met de rug naar de zaal klapte hij het blauwe koffertje open.images7IS66046

Ineens vulde een sonore stem, die verrassend ver droeg,  de zaal:

‘Het burgerlijk recht vergt uw aandacht!’

Zijn pretogen twinkelden weer en het werd een beetje stiller, vooral toen hij een enorme schaar uit het koffertje haalde. Niet zo’n gewoon papierschaartje maar een exemplaar van zeker veertig centimeter lang. ‘Aanschouwelijk onderwijs,’ bromde hij, ‘dat werkt al sinds de dagen dat Socrates over de Agora zwierf het best…’

Wat? Wat zegt ie?

Het werd al weer rumoeriger.

‘ALS ik dit…’ Plotsklaps katapulteerde de blonde docent zich naar de eerste rij, greep de paardenstaart van een tuttig blond corpsmeisje beet en zette de beide opengesperde benen van de enorme schaar er in. De zaal was in één klap stil. Verlamd van collectieve schrik.

ALS ik zou knippen….Wat voor daad zou ik dan naar burgerlijk recht plegen?!’

Het paardenstaartenmeisje keek angstig omhoog, waar nog steeds de sperrende bek van de schaar aan de aanzet van heur haar gaapte.

‘Wat zou dat dan zijn?’ herhaalde hij vervaarlijk zijn vraag. Zij van de paardenstaart schudde dat ze het niet wist en was kennelijk bang dat dat uitblijvende antwoord de korte route naar een bobkapsel zou worden.

Een on-recht-matige-daad,’ zei die net benoemde lector Hans Nieuwenhuis. Weer lachte hij schalks, vooral met zijn neus, zoals alleen hij dat kon.

images6GJCXX9KDie jungle van een collegezaal daar in Tilburg 1980 was in een keer gevloerd, lag aan zijn voeten – zijn piste voor het overdragen van het burgerlijk recht was gebaand. En toen nam hij ons mee naar het oude Rome, Tilburg-West, Poolse vorsten, via Aristoteles’ klippen van de moraal terug naar Seneca, om vervolgens via de Holterberg, Orestes en Salomon te wervelen naar de ringen van Dante en uiteindelijk te landen in 17de eeuwse Hollandse rechtbanken. Wie op het magische tapijt van Hans mocht aanmonsteren, die vloog Duizend-en-een-nacht-lang door eeuwen intellectuele geschiedenis, door de beste boeken ooit geschreven, langs de mooiste verhalen ooit. Soms vlogen we via de slaapkamer van imagesH4LYSO1QMarcel Proust, en de raadkamergesprekken van Huib Drion, wel eens langs een leerstuk of een ander stukje recht, maar de zoektocht was niet begonnen om de regels van het recht. Je werd langs de eregalerij van menselijke wijsheid getroond, en het vallen-en-opstaan van de menselijke beschaving, die zo kwetsbaar en toch zo wezenlijk is. En zo liet hij, Hans, zien hoe het bij dat streven naar ons hogere zelf soms lukt met wikken en wegen, en het ingewikkelde hinkelspel rond de boom van goed en kwaad werkelijk ‘recht’ te doen.

Hans liet ons door het verhaal over het recht, het verhaal van het recht zien. Dat heeft in zichzelf eeuwigheidswaarde, al zal ik de verteller zelf, die sinds vorige week niet meer onder ons is, blijvend missen.

Dag Hans.

naamdfhsdba DFbDFBDSFloos

 

Posted in Algemeen | Tagged | 1 Comment

Spijkerbroekenmisbruik

Spijkerbroekenmisbruik.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De nacht heeft duizend ogen

‘(…) de duisternis is een gericht, en de nacht een tweesnijdend zwaard’,

Marsman, De laatste nacht

 ipitchdarkmagesYMVDIH04

Aartsdonker, het donker waarin je geen hand voor ogen ziet. Oneindig zwart dat je zintuigen ontregelt, het soort duister dat bedriegt. Meer dan zwart om je heen, zonder onder boven voor of achter, naast of ver. Angstaanjagend diepdonker-donkerst waaruit zomaar, zonder waarschuwing, gevaren zich op je kunnen storten. Geluiden, geuren, niet meer te peilen. Alle veiligheidskleppen weg.

Zo donker kon het bij ons worden, helemaal achteraf, ver buiten de bebouwde kom op het platteland van Zundert. Laatste stop aan het einde van de wereld. Vooral in de winter. Inktzwart donker, duister nog aangezet door kou, zonder sterren of maanlicht. Waarom herinner ik me dat nog zo levendig bijna vijftig jaar later?

(Lees hier verder De nacht heeft duizend ogen)

 

Posted in Algemeen, Persoonlijk, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

La débandade Française

Geen mens die tegenwoordig nog weet wat er in deze titel staat. Iets met Frans inderdaad. En ik mag eigenlijk niks zeggen, want al was ik op de middelbare school een kei in Frans, ik kan geen poot Frans meer spreken of schrijven. Komt natuurlijk omdat je het niet onderhoudt, en je onderhoudt het niet meer omdat het uit je omgeving verdwijnt. In imagesCAEKEJ0IEuropese politiek, in de wetenschap, in de wereld van populaire cultuur* is de Franse taal in rap tempo aan het verdwijnen. Een soort ordeloze aftocht van het Frans (zoiets betekent die titel – letterlijk: de ordeloze Franse aftocht). Dat vind ik op zich jammer, zeker ook vanwege die zes jaar moeite die ik er in stak. Het is een verarming. Soort van dan toch. Aan de andere kant is het ook de schuld van Frankrijk zelf dat niet meer dat  vanzelfsprekende gidsland is, dat ik kende in mijn jeugd. Dat hebben de Fransen grotendeels zelf over zichzelf afgeroepen. Door een fatale mix van plank-voor-de-kop-nationalisme, economisch autisme, en conservatieve gemakzucht, hangen de Franse economie, cultuur en taal nu in de touwen. Frankrijk weet niet beter te reageren op een snel veranderende wereld dan met taalwetten, protectiemaatregelen (om de concurrentie voor wijn, kaas en andere streekproducten te weren), en verkapte staatssteun en subsidies om verouderde industrie en sectoren, die al jaren geen kans imafrancegesmeer maken op de wereldmarkt, te stutten. En vooral door die stille obstructie van de financiële begrotingsafspraken in Europa (en zo valse hoop te wekken bij landen als Griekenland). Het zijn achterhoedegevechten. Geen land is in de recente geschiedenis zo snel zijn leidende positie kwijtgeraakt en geen land heeft in de recente geschiedenis zo slecht geluisterd naar treffende analyses van de Franse situatie noch naar de goede, dringende adviezen om te hervormen. Frankrijk begrijpt het niet, Frankrijk luistert niet. Misschien verstaat Frankrijk de boodschap inmiddels niet meer.

Bewijs:

* 1976: het francofiele jaar De populariteit van Frankrijk en het Frans bereikte in 1976 een na-orloogs[1] hoogtepunt. De minister-president, den Uyl, reed in een Citroën. En hij niet alleen. Een groot deel van de bevolking reed rond in uiterst hippe Franse auto’s (en dat ze snel roestten deerde niemand). We aten in bistrootjes,[2] kaanden stokbrood met Paturain en dronken rode wijn (meestal Caveau[3]) uit lompe flessen. We luchtten naar Franse parfum. Nederland trok in die zomer massaal naar Franse campings en nooit eerder in de na-oorlogse geschiedenis stonden zoveel Franse liedjes in de Nederlandse top 40. Elf maar liefst in 1976. Dat is meer dan 10% van alle Franse nummers die de afgelopen zestig jaar in de Top-40 stonden. 10% van dat totaal in één jaar (8,4% meer dan bij een gelijkmatige verdeling over de jaren het geval zou zijn geweest).

Was op 14 juli 1976[4] het Franse leger bij de Maas Nederland binnengemarcheerd dan zou niemand in Nederland, denk ik, ze hebben tegen gehouden.

Artiest Nummer hoogste notering top 40
Gerard Lenorman Ballade des gens heureux 2
Julien Clerc Venise 14
Kate & Anna McCarrigle Complainte pour Ste Catherine 17
Shake Tu sais je t’aime [5]
Michel Fugain Une belle histoire 21
Dalida J’attendrai 8
Catherine Ferry 1 2 3 5
Julien Clerc This melody 1
Eve Brenner Le matin sur la rivière 8
Manhattan Transfer Chanson d’amour[6] 5
Dave Du Côté De Chez Swann 9

imagesCAW10PZP En er kwamen ook nog eens drie nummers in de tipparade terecht (‘Quand un amour’ van Richard Cocciante, ‘Mes emmerdes’ van Charles Aznavour en ‘Avant de nous dire adieu’, Jeane Manson). Wat een jaar was dat! Met Joop Zoetemelk die tweede werd in de Tour de France (Nederlandse ritoverwinningen en de definitieve doorbraak van het Nederlandse wielrennen). En die een heerlijke, Frans aandoende zomer met een paar hittegolven.

Noten met triviale weetjes

[1] We vieren 200 jaar Koninkrijk, maar in het Nederland van 1814-1815 was Frans de omgangstaal en waren Franse mode en cultuur bepalend. Tot juni 1830 bijvoorbeeld was het gebruik Frans te spreken in de Staten-Generaal. Een groot deel van de Handelingen is in het Frans.

[2] Lees voor het ontwikkelen van de eetcultuur in de jaren zeventig ook: http://www.wimvoermans.nl/pdf%20documenten/De%20Bistrot.pdf

[3] Caveau werd niet gebotteld in Frankrijk maar in Tilburg. Degenen die het advies dat op de parafinekurk ‘visitez nos caves’ zou hebben opgevolgd was waarschijnlijk uitgekomen bij een paar aftandse loodsen op een industrieterrein in Tilburg-Noord.

[4] Het was een zwaarbewolkte dag met een paar spatten regen – ca. 19-20 graden C.

[5] Wel kort in top 40 1976 – terug in 1978 – toen plaats 19. [6] Niet helemaal Frans….

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Rocky Butz

Waaiweer, alleen met mijn gedachten. Op zulke momenten komt hij wel eens langs drijven: Rocky Butz. Kijk, alle mensen zijn dan misschien verschillend, maar er zijn er maar een paar echt anders. Bertus van Helvoirt, bijvoorbeeld. Wie? Precies: Rocky Butz.

Voor hij bij ons in huis kwam had hij even vastgezeten, tenminste, dat zei die zelf. In Vlissingen. Omdat hij een agent met een motorketting had geslagen toen die de motor waaraan Rocky op de stoeprand zat te sleutelen aan de kant wilde zetten. Onrechtvaardig, en daar kon hij niet tegen. Hoe lang dat nou weer precies geleden was wist hij zelf ook niet. En of hij nou daarvoor, of juist daarna in opvangtehuizen had gezeten. De ene keer wel, de andere keer weer niet. Tijd, gebeurtenissen en plaatsen, dat liep altijd door elkaar bij hem. Van een verhaal twintig versies, eenzelfde gebeurtenis op verschillende tijden, verleden en heden in en door elkaar. Zo was Bertus nou eenmaal.

untitelvisledOktober 1980, of daaromtrent, kwam hij bij ons in huis. In het achterhuis op de begane grond. Doordat we met 22 in dat huis woonden en er geen ordentelijk selectiesysteem was, was hij er zo maar ineens. In de duistere met marmer behangen gangen van de voormalige slagerij – nu studentenwoonkazerne, zij het nagenoeg zonder echte studenten – slenterde hij rond. Zelfs in deze grote, onoverzichtelijke bijenkamerkorf vol met de meest bizar uitgedoste punkers en mods sprong hij er uit. Bijna twee meter lang, blonde lange kuif en een Catwezelachtige vlassige puntbaard en strosnor. Tanig, met hele lange ledematen. Achttien jaar denk ik. Net zo oud als wij. Maar al was hij nog maar een week in huis, hij gedroeg zich alsof hij er al jaren woonde. Dat was zijn stieltje: stellige vaderlijkheid. De man die alles al had gezien en de wereld kende. Het overtuigde geen mens, maar het was prettig om naar zijn onsamenhangende levenswijsheden te luisteren.

Hans had meer aarzelingen dan ik denk ik. En Suus werd helemaal gek van deze onverwachte ‘but-hippie’ die ze ‘een bout vond’. ‘Straks zit het hier helemaal vol met die kutkabouters,’ vloekte ze. ‘Hij moet er uit.’ Zij had net de nieuwste plaat van Pil opstaan en toen had daarop die nieuwe beneden een plaat van Elvis opgezet, zodat zij niks meer horen kon. Ze trok aan haar kapotte rode nylons die maar nooit goed onder haar zwarte leren rok bleven zitten. Te groot gekocht, die tweedehandsnylons.

‘Scooter zegt dat ze die Butz in de Fabriekstraat wel kennen,’ vervolgde Suus opgewonden. ‘Een koekwous, zo uit de bak, jat al je spullen hoor….en hij betaalt ook geen huur!’ Dat laatste verontrustte Hans nog het meest, want we waren net aan het proberen de huurbaas zover te krijgen dat hij wat aan de riolering zou doen. Nu stroomde de drek van de plee op de eerste verdieping direct op de binnenplaats. Niet te doen. De verhuurder wilde daar – na lang soebatten – wel wat aan laten doen op voorwaarde dat de huur op tijd untigasrtledovergemaakt zou worden.

‘We moeten eens met Rocky gaan praten,’ vond Hans.’ En met dat ‘we’ was ik dan ook neens onderdeel van de partij.

Al woonde hij er al weken, toch waren Hans en ik geloof ik de eersten van het hele huis die op zijn kamer kwamen. Hij was net wakker, Bertus. Met een ruk trok hij de deur open. Vriendelijke, een beetje verwarde ogen. ‘Kom binnen…Thee?’ Het was er binnen erg donker. De gordijnen waren dicht en er brandden alleen kaarsen en waxinelichtjes. Een beklemmende sfeer. ‘Silence of the Lambs’ gezien? Nou, zoiets. Penetrante cannabislucht en vette kaarswalm (honingwaskaarsen rook ik) vochten om voorrang. Toen onze ogen eenmaal aan het duister waren gewend (het was midden op de dag) – ja doe maar thee – zagen we pas al die beelden. Hoe had hij die allemaal naar binnengekregen? Waar je ook keek in de kamer van drie bij vier meter, de hele ruimte stond vol met Mariabeelden, een paar crucifixen en twee glimmende bustes van Elvis Presley.

Rocky zette ‘Are you lonesome tonight’ op.

‘Eeh..Bertus,’ begon Hans, ‘Je heet toch Bertus niet…?

‘Ze noemen me Rocky,’ zei Bertus, ‘Rocky Butz, maar je mag me noemen zoals je wil.’

‘Ja, uh Rocky. Eh, ja, wij waren benieuwd…Benieuwd te weten…’

‘Hoe het je bevalt?’ vulde ik snel aan, om niet al direct aan het mogelijk minder aangename gedeelte van het gesprek toe te komen.

uwelvisntitled‘Goed,’ zei Bertus…’Beetje krap eigenlijk. Komt er niet een grotere kamer vrij binnenkort?’

‘Nou ja, niet dat ik zo direct weet…,’ zei Hans een beetje overrompeld, ‘Uhh, maar mag ik eens vragen, hoe ben je eigenlijk aan deze kamer gekomen?’

‘Die stond leeg,’ zei Bertus terwijl hij een shaggie opstak, ‘dus ik dacht…’

‘Wie heeft jou gezegd dat die leeg stond?’ probeerde Hans.

‘Niemand,’ zei Rocky, (..) ‘O wacht nou komt het mooiste stuk. Hij zetten de versterker op vol en Presley scheurde met vervormde lange halen door de boxen (toegegeven, zelfs dan blijft de stem van de King in tact).

Hans ergerde zich.

‘Max,’ zei Rocky. ‘Die was ik in de Spoel en toen zijn we hier doorgezakt. En toen zag ik dat die kamer beneden leeg was.’

‘Max?? Maar die woont hier helemaal niet, die zit toch in dat kraakpand in de Tuinstraat?’

‘Ja,’ zei Rocky, ‘hoezo? Daar zat ik eerst ook, maar daar was geen plaats meer. Die kamer was veel te klein voor me en ik kon daar geen grotere krijgen…’

‘Ja, maar…’

‘Wat nou, ja maar…?’

‘Ja maar, dit is geen kraakpand….’

‘Ja maar, deze kamer nu wel…’

De macht van feiten, een kraakkamer in een huurpand. Als je er over nadacht zat er wel een soort logica in. Hans probeerde nog. Dat we moesten betalen omdat we anders met zijn allen konden fluiten naar de opknapbeurt van de riolering. Rocky zag het juist andersom. Misschien konden we allemaal stoppen met de huur totdat die riolering was gemaakt. Ook daar zat iets in natuurlijk. Hij had koekjes. Begon te vertellen over de King, die de grootste en de beste was. En dat hij vroeger zo gewelddadig was geweest, en in krakersrellen altijd tot de vaste kern van de knokploeg had behoord, maar dat dat nu allemaal, dankzij zijn diepere begrip van de boodschap van Presley, voorgoed tot het verleden behoorde. Een ander leven. Het was niet wat hij zei – want dat was eigenlijk maar moeilijk te volgen – maar wel hoe die het zei wat toch indruk op me maakte. Onsamenhangend, maar op een overtuigende manier.

Hans was minder ingenomen.

De tijd ging voort zoals die doet.

In januari 1981 woonde Rocky al weer bijna een kwart jaar bij ons. Hij was er niet veel, maar als hij er was, was hij zeer aanwezig. Op de een of andere wonderlijke manier kon hij prima overweg met ons bonte gezelschap puberpunkers en Deutsche Welle-specialisten die hij onophoudelijk probeerde te overtuigen van de superioriteit van Elvis Presley’s werk. Een maand of wat geleden had Rocky zich binnen de Presleykerk gevoegd in de rangen van de fans die niet langer geloofden dat The King dood was. Waar hij eerst nog vol had gehouden dat Elvis was vermoord in opdracht van het grootkapitaal, wist hij nu als feit te melden dat Elvis teruggetrokken leefde in Nevada. Binnenkort zou hij op messiaanse wijze weer opstaan. Enfin, huur betaalde hij – waarschijnlijk in afwachting van de jongste dag en wederopstanding van Elvis – nog steeds niet. Het was een raadsel wat hij met zijn uitkering deed van 1000 gulden per maand (verhoogd vanwege een vast adres nu). Zichtbaar was maar één kostenpost. De groeiende verzameling tatoeages aan de binnenkanten van zijn onderarmen. Links een levensgrote kleurige beeltenis van Elvis Presley, rechts een van de maagd Maria in devote aanbidding. Keer op keer herinnerde Hans hem aan zijn huurverplichting, want Rocky’s weigering te betalen raakte ons allemaal.

‘Je bent niet alleen op de wereld. We wonen hier samen in dit huis…’

Dat raakte een gevoelige snaar. Na een lange vergadersessie van de meeste bewoners van het huis, ging Rocky ergens eind januari 1981 door de knieën. Maar hij niet alleen. Het afgelopen jaar was onze woonkazerne aan de Gasthuisring sterk vervuild. Overal zooi, winkelwagentjes, lege flessen en vuilnis. Daarbij kwam nog dat het hele pand vol hing met de resten van een paar pallets gekleurd toiletpapier. Overal hingen in treurige guirlandes, lange slierten (binnen en buiten) pastelkleurig pleepapier dat was blijven hangen nadat we Albert hadden uitgezwaaid omdat hij zijn eerste jaar Kunstacademie, voor de tweede keer, niet zou halen. Dat wisten ze al in december. Het was een ongelooflijke smerige bende, het leek wel een vuilnisbelt. We moesten wat doen, we zouden wat doen en Bertus deed, tot ieders verrassing, mee. Twee dagen lang sjouwden we met afval en onbruikbaar spul totdat we genoeg ruimte hadden om de zaak eens te dweilen en alles tot aan de lambrisering onder te spuiten met dikke bleek. Het leek te helpen. Het vage pleegeurtje verdween en op de vleugels van dat succes werden er direct ferme afspraken gemaakt. Over het bijhouden van de wc’s, over het opruimen van de gangen en gezamenlijk eten. Dat zou de samenhang in het huis ten goede komen. Iedereen was er voor. Ook Rocky stemde in en – om zijn goede bedoelingen te demonstreren (hij stond plechtig op van tafel en reikte er vervolgens onder) presenteerde hij: ‘Hier…een spiksplinternieuwe t.v.’

We waren allemaal geroerd door het gebaar, al keek Suus even veelbetekenend naar Erik, die wat met zijn ogen rolde. Zal allemaal wel, maar Rocky liet toch maar zien dat hij in wezen gast was met een gouden hart.

Op 23 februari 1981 was het rotweer. Schielijk had ik mijn moeder al ’s morgens gebeld op die ene vaste telefoon midden in het huis. Om haar te feliciteren met haar verjaardag. Zachtjes pratend omdat ik niet wilde dat iedereen ons innige, zware Westbrabantse dialect zou horen. De deuren zwaaiden open en dicht en de huisbewoners druppelden als natte honden binnen. Met fiets en al aan de hand, waardoor de witte marmervloer die we zo geschrobd hadden weer als vanouds zwartgrijs van het vuil, slijk en de meuk kleurde. Hans, inmiddels een soort huisoudste tegen wil en dank geworden, wilde er wel iets van zeggen, maar liet het er bij zitten nadat hij de drie tot vier dubbele sporen zag. Voor een andere keer.

Om vijf uur schoven we aan tafel. Het was Rocky’s beurt om te koken en we waren benieuwd, want al die keren dat hij tot nu toe zelf zijn benen onder tafel had geschoven had hij afgegeven op de onverantwoordelijke manier waarop er werd gekookt. Of wij wel wisten wat de varkens die wij in onze Chili con carne hadden vermalen door hadden moeten maken? Dat uien eigenlijk levensgevaarlijke, kleine chemische bommen waren. Maar verantwoord eten was gewoon te duur in die tijd, als je er al zin in had. Door het regenachtige weer liet de lijst veel inschrijvers zien voor het avondmaal, maar toen we om half zes de keuken binnenliepen kwamen, werden we niet begroet door etensgeuren uit de achterliggende bijkeuken. Het stonk er naar bleekmiddel, nog steeds.

‘Hè net vandaag….dat ie er dan niet is.’ Suus, Erik, Tom en Ruudje van het achterhuis gromden. ‘Zullen we maar iets gaan halen?’

Ook Hans was nu binnen. ‘Ja, dit kan echt niet…!’ foeterde hij. ‘We moeten het toch eens over Rocky hebben. Dat kan zo niet doorgaan. Geen huur betalen, je afspraken niet nakomen. Herrie midden in de nacht.’

Ruudje, die het niet zo interesseerde zette de t.v., Rocky’s t.v., aan.

‘Ik denk dat we hem de wacht aan moeten zeggen.’ Suus en Erik keken elkaar fronsend aan. ‘Ik zie geen andere mogelijkheid,’ zette Hans zijn requisitoir kracht bij, ‘want hij moet wel een verdomd goeie reden hebben om ons zo te laten stikken met het eten.’

En toen ineens maakte Ruudje voor de t.v. stotende geluiden. Op de televisie was in zwart wit te zien hoe de ME met een politietank over een brandende krakersbarricade heenreed. Die barricade was opgericht door krakers in Nijmegen die zich heftig verzetten tegen de afbraak van woningen om plaats te maken voor een parkeergarage (de Piersonrellen). Er hingen slierten traangas en de opstandelingen vluchten weg voor de meppende ME-ers.

‘Een verdomd goede reden,’ vervolgde Hans, die niet meekeek.

‘Maar dat heeft ie!’, gilde Ruudje enthousiast.

En samen keken we naar dat onvergetelijke beeld waarop een eenzame, alleen achtergebleven tanige, gemaskerde kraker met een lange lat als een bezetene op de flanken van de politietank inhakt. Ja, we zagen het aan de onmiskenbare, kleurrijke Elvis-tatoeages op zijn binnenarmen, dat was niemand minder dan de onvergetelijke Rocky Butz.

imhsghwrgnanages untjsgmnwannaitled piersongarage 1untitled

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Verscheurde stad

Jeruzalem, nog in het oude jaar op 11 december 2014. De straat waar ik logeer heet Givat Ram, heb ik ergens opgeschreven. Maar dat ga ik natuurlijk weer vergeten. Zoals ik altijd vergeet een kaart te schrijven of foto’s te nemen (of zelfs te filmen) als ik ergens ver weg op bezoek ben. Voor een herinnering hoef je trouwens zelf niet meer te filmen of te fotograferen. Anderen maken veel betere films en foto’s, die ze ook nog delen. Beter kun je je tijd gebruiken om alles goed waar te nemen, om herinneringen te maken. Dat helpt beter dan een portret of selfie; dat soort kinderachtige markeringen, waarmee je via een gefotografeerde geurvlag probeert de plaats waar je was tot de jouwe te maken. Onzin. Kijken, je moet gewoon goed kijken en de plaatsen en indrukken op je in laten werken. Later kan je er heel makkelijk de foto’s en films bij zoeken. Als je tenminste nog weet waar je zat natuurlijk…

Nissim is van 1954, samen met zijn vriend Menashe staat hij elke dag te posten bij het hotel. Vriendelijke, gezellige vroegbejaarden met verweerde koppen. Elke keer als ik naar buiten kom, stappen ze op me af en geven me een hand. Dat heeft te maken met dat ritje van gisteren. Omdat ik Jeruzalem helemaal niet ken, vroeg ik de receptie naar een aardig, eenvoudig restaurant. De gezette receptionist zette een straat en huisnummer op een papiertje. Dat gaf ik vervolgens direct aan de taxichauffeur net buiten het hotel. Nissim naar later bleek. Die zuchtte een beetje, maar reed me toen geduldig en netjes de hele 475 meter verder naar dat restaurant. Ik betaalde daarvoor (later omgerekend) 87 eurocent precies, inclusief tip. Dat vond zelfs ik wat te Nederlands. Toen ik – eenmaal teruggelopen – Nissim weer aantrof bij het hotel vroeg ik hem in een opwelling:

‘Can you bring me back to the airport on Saturday Night?’

‘Airport – yes…’ had hij vriendelijk lachend gezegd. Helemaal naar Tel Aviv was natuurlijk een mooi ritje. Hij had de deur al open gehouden. ‘No, no…Saturday Night, at one’.

Tevreden dat ik zonder dat het me verder iets zou kosten de zaak over dat veel te korte ritje goed had opgelost (die te declareren taxi terug moest ik toch nemen), ging ik vervolgens naar binnen, naar boven, waar ik mijn spulletjes voor de andere dag nakeek. naamlbndafghartjnargnanaoos

Het wordt donderdag.

Ook elke keer als ik nu het hotel uitkom, lopen Nissim en Menashe op me af. Wel een keer of vier in totaal. Een hand, een praatje. In het begin ben ik wat overdonderd door zoveel vriendelijkheid. Het zijn twee hele aardige opa’s met hondstrouwe ogen, die je onmiddellijk voor zich innemen. ‘Harrhh..business is bad.’ klagen ze. ‘Turmoil,’ zegt Menashe die, dat heb ik nu pas door, eigenlijk een beetje de rol speelt van tolk voor Nissim, wiens Engels slecht is. Hij gooit zijn hoofd in de richting van de oude stad. ‘De toeristen zijn bang geworden…’

‘Zaterdagavond, ha?’ vraagt Nissim nog een keer. ‘Hoe laat?’

‘Een uur in de ochtend…’

Hij kijkt Menashe aan. ‘Een uur…zondagmorgen toch?’

Menashe vertaalt in het Hebreeuws. ‘Nee na vrijdagavond, zaterdag vroeg in de ochtend.’

‘Oi,oi, no, dat kan niet. Sabbath…’ zegt Nissim. De teleurstelling druipt van zijn gegroefde bruine gezicht.

‘Sorry …,’ zeg ik, terwijl ik uit probeer te rekenen wanneer die Sabbath dan precies begint en eindigt.

‘Dan laat ik je de stad zien’, zegt Nissim. ‘Beste plaatsen mijn vriend. Je moet mijn stad zien.’

‘Ok,’ zeg ik, uit een soort misplaatst schudgevoel, maar heb er al onmiddellijk spijt van. Ik ben niet zo’n toerist. Niks zo erg als een ‘guided tour’. Enfin, nou ja, toe maar, hem vertrouw ik.

‘Wanneer?’ ‘Vrijdag 10.30?’ (Kan ik rond een uur of twee terug zijn voor mijn skype-afspraak met de studenten, reken ik terug).

Vrijdagmorgen.

Nissim heeft pretogen. Hij heeft er kennelijk zin in. Ik stap in. ‘Lionsgate?’ vraag ik. Ik heb gehoord dat je je daar af moet laten zetten voor een bezoek aan de oude stad.

‘No, no park there…I take you to best places. Bethlehem, Mountain of Olives, Garden of Gethsemane, old town.’

Ik aarzel. ‘Prijs?’ (‘…’) Dat valt eigenlijk best mee. Vort dan maar. Ik gun het hem en hoe ga ik anders in een uur of twee ook maar iets zien? Ik ken de weg hier niet.

Zijn Skoda ruikt muf. Een rommelige vrijgezellenhuiskamer. Er zit een scheur in de voorruit en hij krijgt hem maar slecht gestart. Meer dan 300.000 km op de teller zie ik in de gauwigheid. Er bungelen geurkerstboompjes aan de spiegel, er slingeren overal bonnetjes, bekertjes en flesjes water. En zijn keppeltje.

We rijden. Eerst naar de Olijfberg, want Bethlehem is te ver weg en dan moeten we langs de bordercontrol. Dat duurt te lang.

De plekken waar we naar toe rijden zijn dan wel te verstaan in het soort Engels dat hij spreekt, maar niet de context. Hij kent al die plekken goed. Eerst rijden we naar de top van de Olijfberg. Daar kent hij een vriend. Nissim is geboren in Jeruzalem, overal heeft hij kennissen en vrienden. We moeten wel opschieten. Waarom weet ik niet.

Nissim’s vriend is een Palestijn, die een soevenirshop runt. Een grote. ‘Met hem heb ik op school gezeten,’ zegt Nissim, ‘maar dat gedeelte van Jeruzalem was toen nog van Jordanië.’ Ik word binnen geleid in de winkel van Marwan op de top van de berg – de gedachte is dat ik iets koop.

‘Goede spullen, echt antiek,’ prijst Marwan aan. ‘Nissim is een goede vriend,’ zegt hij als hij me mee naar achteren troont waar hij spul heeft uit opgravingen. ‘Maar zelfs voor goede vrienden zijn het moeilijke tijden.’ Hij laat me spullen zien uit de tijd van koning Herodes. ‘Van echte opgravingen, jazeker,’ beklemtoont hij. Met zijn getrainde koopmansinstinct ruikt hij het echter snel: aan mij gaat hij niets verkopen.  ‘Ja douane zou lastig kunnen worden. Maar ik kan het toe laten sturen.’

Het verrast me dat hij me zo snel laat schieten. Hij legt zijn hand op mijn schouder. ‘Het leven wordt al maar moeilijker hier.’ Nissim die er bij is komen staan, knikt.

‘Het conflict?’, pobeer ik.

‘Ja dat ook, maar daar praten we nooit over,’ zegt Marwan. ‘Oude vrienden kijken niet naar elkaars vrouwen en praten niet over politiek…’

‘Nee dat is niet het enige probleem. Ik zal het je laten zien,’  zegt Nissim.

We geven Marwan een hand en steken de weg over naar de parkeerplaats waar hij de taxi heeft geparkeerd. Het duurt minuten voor de diesel aanslaat. Hij rijdt me naar de top van de Olijfberg, Vanachter de ruit gebaart hij naar de politieauto’s en bussen die zich overal verzamelen.

‘Laten we snel zijn dan kunnen we nog rustig even kijken.’ Er wordt nu al opgeroepen tot het vrijdagmiddaggebed. Daarna..,rellen.  Een hele politiemacht trekt samen met pantserwagens en waterkannonnen. Hun pantser nog besmeurd met verf van vorige incidenten.

‘Elke vrijdag opnieuw, jonge gastjes die het verpesten voor de rest,’ volgens Nissim. ‘Ja en dat van die muur die nu wordt gebouwd. Niet goed,’  zegt hij. ‘Maar ja wat wil je…’ Ik snap niet goed wat hij bedoelt.

Na een steile klim zijn we er. Het uitzicht op de oude stad is adembenemend vanaf de top van de Olijfberg. Nissim wijst met zijn vinger de route die we af zullen leggen. ‘Zo en zo gaan we rijden, daar langs die Dominus Flevitkerk en dan naar de tuin van Gethsemane, dan naar de Zionpoort.’

‘Maar wat was nou het probleem dat je me wilde laten zien?’

‘Americans,’ zegt Nissim. ‘Kijk maar…’ Ik kijk naar de stad en zie niks. Nissim is Joods. Hoe kunnen de Amerikanen nu een probleem zijn? De VS zijn al decennialang de onwankelbare beschermheer van Israël.

‘No,’ zegt Nissim. ‘Je kijkt verkeerd.’ ‘Look down’. mountofolivesamloosBeneden is op de flanken van de Olijfberg een enorme begraafplaats vol platte witte manshoge stenen die zich uitstrekken tot zover het oog reikt. De hele vlakte tegenover de stad is bezaaid met graven. ‘Dat is een probleem,’ zegt Nissim. ‘De Amerikanen kopen alle grond op deze begraafplaats en ze kopen de appartementen in het Joodse kwartier van Jeruzalem. Alles in onze stad is daardoor onbetaalbaar geworden. Mijn kinderen kunnen geen huis meer kopen in de stad, ik kan me geen graf veroorloven op deze heilige berg. Is dit het loon voor alles wat wij hebben meegemaakt? Wij woonden net bij de Leeuwenpoort die er met een kanon werd uitgeblazen. Ons hele huis was kapot in1967. Is dat wat ons rest? Dat je niet meer in je eigen stad kan wonen, er zelf een toerist in wordt? Oi, niet goed, niet goed.’

We rijden door, de Olijfberg af, zwijgend nu even. Hij brengt me langs de kerk waar Jezus gehuild zou hebben over het lot van de stad, die hij ook toen al vanaf die Olijfberg zo mooi panoramisch kon zien liggen. De berg zwermt met religieuze toeristen, die hun biddende vuisten wit knijpen. Dertig katholieke nonnen uit Angola, een groep protestanten met een gids uit Zuid-Korea (die angstvallig de nonnen uit Angola proberen te mijden). Ze loeren wantrouwig naar elkaar. Geen mens die lacht. Bij de tuin van Gethsemane hebben een aantal Russisch-orthodoxen het aan de stok met een groep die zo te zien uit India komt. De Russische priester zingt in de hoek van de tuin met een prachtige Iwan-Rebrov-bassstem voor en de plat op de grond gelegen gelovigen antwoorden hem met hoge sopranenstemmen. Maar ze willen dat iedereen stil is, en dat kan helemaal niet hier in deze drukbezochte tuin waar mensen in grote groepen zij-aan-zij schuifelen.gohistoric_18127_m We rijden verder, naar de Zion-poort en kijken er naar het graf van David. Orthodoxe Joden  bidden en zingen daar fanatiek wiegend met hun lijven. Hun pijpenkrullen zwieren onder de grote zwartvilten hoeden. Verder gaat het dan naar de heilige Grafkerk en de Via Dolorosa. Eerst door de Armeense wijk. ‘No good’ volgens Nissim. ‘Hier niets kopen. Slechte mensen’. (Hoe die daar nu ineens bij komt?) Overal waar we komen strakke en vaak geïrriteerde blikken van mensen die deze stad voor zichzelf en hun geloofsbelijdenis opeisen.  Ze slalommen tussen de handelaren door, gaan plat liggen op de wassteen in de Grafkerk. Ze bekruisen zich, raken alles aan, kussen stenen, besprenkelen zich met iedere druppel vocht die ze aantreffen en sukkelen dan weer voort in een door geloofsdrift ontmenste karavaan van intolerantie, van totale en exclusieve aanspraken op de heiligheid van deze stad.

‘Nu moeten we weg….’ Zegt Nissim.

‘Wordt het te gevaarlijk?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt Nissim, ‘maar je wilde toch om half twee terug zijn?’

Bij het afscheid lacht hij nog eens minzaam. ‘Je bent een goede vriend,’ zegt hij. ‘You understand.’ En dan zet hij me af – voor ongeveer 30 euro meer dan het afgesproken bedrag.

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment