Opluchting: Milieudefensie wint kort geding luchtkwaliteit

Dat is me nog eens een uitspraak van de Haagse kort geding rechter van vandaag (7 september 2017 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:10171). Milieudefensie spande halverwege 2016 al een bodemzaak aan om het getreuzel, gedraal en voortdurende uitstelcircus van de regering om te voldoen aan de EU luchtkwaliteitsnormen aan te pakken. Maar die zaak duurde maar aan mede doordat de Staat ook als procespartij traineerde. Verkiezingen, demissionair kabinet, ongelukkig moment, laatste metingen nog niet binnen, nu niet, volgend jaar misschien, verbeteringen zijn aanstaande etc. etc.

Maar dat gedraal en gedraai heeft een prijs. Iedere dag overlijden er mensen vanwege die slechte luchtwaliteit die maar niet opknapt omdat de regering doodleuk maatregelen blijft nemen die de luchtkwaliteit nog slechter (dreigen) te maken (bijvoorbeeld optrekken naar 130km grens). Daarom daagde Milieudefensie einde van de zomer 2017 de Staat in kort geding voor de rechter. Slim gekozen moment: juist nu wordt er door vier partijen onderhandeld over een nieuw kabinet.

De Haagse rechter heeft – zowel voor kenners als leken – een mooi vonnis gewezen. Een beetje een Salomonsoordeel, al zou je het niet direct zeggen. Vast staat, volgens de Haagse rechter, dat de Staat der Nederlanden al jaren niet voldoet aan de grenswaarden die zijn vastgelegd in de Richtlijn luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (2008/50/EG). Nederland heeft al keer op keer uitstel gekregen van Brussel om de fijnstof-grenswaarde (PM10-waarde) en de maximum waarde voor stikstof-uitstoot (NO2) te halen, maar zelfs de coulante uiterste deadlines van 2011 (PM10) en 2015 (NO2) zijn bij lange na niet gehaald.

Nederland wilde bovendien ook maar geen verplichtend luchtkwaliteitsplan opstellen – met harde en bindende eindtermen en concrete maatregelen  – zoals de Richtlijn uit 2008 verplicht,  maar kwam met een halfbakken en vrijblijvend Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Heel veel tekeningetjes, grafieken en wollige zinnen, maar weinig concrete maatregelen.  En het dateert alweer van 2009. Waar het kabinet vanaf 2012 bepaald niet in de weer was de luchtkwaliteit te verbeteren, werd het NSL doodleuk steeds verlengd – meer autor’s, meer industrie, 130km en veel meer uitstoot ten spijt.

En hier pakt de Haagse kort gedingrechter flink door. De juristen bij Milieudefensie deden hun huiswerk goed en wezen de Haagse rechter op strenge uitspraken van het Hof van Justitue tegen andere EU-landen die niet aan de richtlijn uit 2008 voldeden. Daarom kon de Haagse rechter al niet veel meer of minder doen dan de Staat in dit vonnis te gebieden binnen twee weken een echt bindend luchtkwaliteitsplan op te stellen (althans daarmee te beginnen). Een streep dus door dat verouderde uitstel-afstel-Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. En er moeten, volgens de Haagse rechter, als de donder acurate metingen gaan komen die de werkelijke PM10 en No2 overschrijdingen vastleggen; alle locaties met overschrijdingen moeten binnen twee weken worden geïdentificeerd.

En als klap op de vuurpijl: de kort gedingrechter verbiedt de Staat per onmiddellijk nog maatregelen te treffen die de luchtkwaliteit kunnen verslechteren. Dat is best vergaand. Geen nieuwe 130km-stukken meer.

Dit vonnis is weliswaar  enigszins activistisch, maar toch heel anders dan de Urgenda-uitspraak (ook uit het huis van de Haagse rechtbank overigens). Daar ging de rechter té ver door uit globale verdragsafspraken tussen staten over milieukwaliteit ineens door concretee rechten af te leiden die door burgers op te eisen zijn. Die Urgenda-uitspraak wordt waarschijnlijk in hoger beroep wel weer rechtgezet.

De uitspraak van vandaag kleurt wel precies binnen de juridische lijntjes. De Staat krijgt een flinke veeg uit de pan en de rechter geeft precies aan wat gedaan moet worden…maar wel een opdracht die direct uit de concrete en bindende verplichtingen van de Europese richtlijn voortvloeit. Zo vermijdt de Haagse kort gedingrechter op de stoel van de politiek gaat zitten. Een bevel tot wetgeving wordt evenmin gegeven. Dat mag de rechter in Nederland niet doen heeft de Hoge Raad in 2003 (Hoge Raad, 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462). Maar de overheid opdragen een bindend plan te maken…dat mag natuurlijk wel.

Een mooi vonnis: het lucht op.

Advertisements
Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

Muziek: best wel belangrijk natuurlijk

Muziek doet ertoe. Natuurlijk.

Het doet iets met je, al is het moeilijk precies uit te leggen wat. Net als de smaak van chocolade: een emotie die nauwelijks in woorden is te vangen.

Ik heb, denk ik, niet echt verstand van muziek. Ik speel geen instrument, heb geen ritmegevoel, en met meezingen op de lagere school werd ik door de muziekonderwijzer altijd ‘afgetikt’. Dan moest je, terwijl de klas lustig verder zong, gaan zitten en je mond houden.

Ik moet dus eigenlijk ook mijn mond houden over muziek, zeker muzieksmaak. Maar toch. Ik kan bijvoorbeeld niet tegen mensen die, als ze in een belspelletje voor de radio wordt gevraagd naar hun muzieksmaak, zeggen dat ze alle muziek eigenlijk wel leuk vinden. Dan heb je volgens mij niet alleen geen muzieksmaak maar ook helemaal geen gevoel. Dan ben je een soort zombie, een levende muziekdode.

Enfin, het was zo idioot vroeg dat hij belde. Nog geneens half acht en dat op een zaterdag. Ik lag er de avond tevoren pas om half drie in. Mijn hoofd bonkte, mijn tong voelde als een twee weken oude broodhomp. En ik kon bijna geen woord uitbrengen.

‘Ja, met mij.’

‘He met mij.’ Het was William.

‘Man weet je wel hoe vroeg het is?’

‘Jij moet toch altijd zo vroeg op?,’ zei hij.

‘Ja, maar niet in het weekend.’

En dat viel inderdaad niet mee het professionele leven na de studie. Ik werkte nog maar een half jaar. En dan kom je terecht in die moeilijk te hanteren schemerzone die ligt tussen studentleven (of wat daar dan voor doorging) en professioneel leven. Van nachtelijk leven, naar dagritme, van maatjes naar collega’s, van je vroegere zelf naar…naar een ander. Maar dat kon ik zo gauw niet allemaal uitleggen natuurlijk. Ik bedoel, dat dat niet mee viel. Jeweetwel.

‘Je moet komen,’ zei William een beetje opgewonden. ‘We hebben nou toch een band in het programma, geweldig…’

William was na zijn vervangende dienstplicht ook gaan werken. Als bureauredacteur bij het televisieprogramma Firma Onrust van de VPRO. De voorhoede van de avant-garde zullen we maar zeggen. Een jongerenprogramma van de VPRO dat zich juist richt op alternatieve of (nog) onbekende muziek, de voorganger van het BNN programma ‘Spuiten en slikken…’ Dat was nog eens wat. En ze draaiden er ook allemaal muziek die je, in het clubje waar ik in rondhing, goed moest vinden. Een beetje een probleem, want ik vond het lang niet altijd goed. Maar dat was omdat, dat hadden we met elkaar vastgesteld, ik geen verstand van muziek had. Tja het was niet anders.

‘Ik kan dat toch gewoon morgen op tv bekijken als jullie programma wordt uitgezonden?’

‘Nee, man, live is veel beter…’

‘En waar is dat dan te doen?’

‘Vlak bij jou man….’

Waar vlak bij mij, want je wordt van zulke vragen toch snel wantrouwig als je al wat langer in Tilburg-West woont.

‘In Utrecht. Je moet er echt bij zijn, ze zijn geweldig.’

‘Hoe heten ze?’ probeerde ik, vissend naar nog een extra reden om er niet heen te hoeven.

William prevelde iets door te telefoon wat ik niet kon verstaan. Ik moest ook hoesten.

‘Wat?’

‘De hele Scandinavische wereld is er gek van. Echte heerlijke maffe neo-punk. Ze lijken wel een beetje op (volgt een lange lijst van idiote bandnamen waar ik nooit van had gehoord)….Helemaal te gek. In Finland maken ze het helemaal. En nou hebben wij ze omdat het optreden van ze in Nergenshuize niet doorging en ze nu toch in Nederland waren.’

(Optreden dat niet doorging?….)

‘Je moet wel opschieten,’

(Hoezo?)

‘Ze treden om 11.00 vanochtend op want ze moeten om half drie vliegen.’

‘Ik voel me niet goed,’ zei ik naar waarheid, ‘ik laat het even voorbij gaan.’

‘Nee, je moet echt komen.’

‘Hoezo?’

‘Nou dan kom je op tv. En….nou ja, we hebben snel publiek nodig want we nemen op in de oude Gasfabriek en we hebben eigenlijk, op zo korte termijn, geen publiek. En een live-opname zonder publiek, is geen porem.’

….

Om 11.00 in de ochtend stonden we met ca. veertig mensen in een kil zaaltje van de oude gasfabriek. We keken naar een drumstel, twee microfoons en een decor dat gemaakt leek van een beetje tuttige blauwe damesshawl, maar dan een hele grote. Laat ik voorzichtig zeggen dat er geen uitgelaten sfeer van hooggespannen verwachting was. En zij van Onrust waren ook nog de presentatrice kwijt.

Het duurde allemaal eindeloos in mijn herinnering. Totdat de band, een stelletje rouwdouwers verscheen en zich achter de instrumenten zette. ‘Ze komen uit IJsland,’ zei een meisje naast mij, met een hele grote rode strik in haar haar. (Cyndi Lauper, schoot me te binnen, ze lijkt op Cyndi Lauper). IJsland?? Helemaal een reden om maar weer direct naar huis te gaan.

De band zette in. Groezelige, kale punkakkoorden, naargeestige slagen op de drum. En toen kwam ze binnen. Muziek. Zij, muziek. In een mal zilverkleurig mantelpakachtig ding. Klein, niet mooi. Een beetje een trol. Een knul met gele bretels ging naast haar staan. Einar, zo leerde ik later.

‘Deus does not exist…’ zo zette ze het nummer in. Een wat onvaste stem, maar ergens naar het einde van het nummer laat ze haar stem overslaan, en in het volgende nummer ‘Cold Sweat,’ haalt ze de handrem eraf en maakt ze een paar achterwaartse salto’s met die verschrikkelijk hoge harde stem. De pure sensatie van muziek. Ze zingt dwars door je heen, je voelt haar stem letterlijk je buik doorgaan, je borstkas beweegt. Ze gebruikt de holle ruimten in jouw lijf als klankkast. Een hele vreemde ervaring, de doordringende stem van dit freaky kleine trollenmens. Björk. Hoe zal ik het zeggen? Nou nee, dan had je ook maar op tijd uit je bed moeten komen. Want dan had je er eigenlijk zelf bij moeten zijn.

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , | Leave a comment

Ontgroenen

umeiseIk weet het niet hoor, met dat ontgroenen. Waarschijnlijk heb ik er niks mee omdat ik zelf nooit door de molen ben geweest. Als je zelf niet ontgroend bent, dan begrijp je het niet, zo heet het. Het zal best. Ik begrijp er de lol niet van, noch de functie. Hoe kan je nou bij wijze van goede ontvangst iemand willen vernederen? Als wij nieuwe buren in de wijk krijgen, gooien we die bij wijze van welkom toch ook geen verwensingen naar het hoofd om ze daarna te dwingen in een badpak of zwembroek voor het oog van de verzamelde wijk op hun knieën door het plantsoen te kruipen?

Vernederen, want daar draait het bij ontgroenen om, heeft nooit zin. ‘Je leert je plek kennen’, hebben ze me ooit uitgelegd, ‘en het schept een band.’ Maar wat voor een band is dat eigenlijk? Dat je van elkaar weet dat een ouderejaars-broeder vol pukkels, vies colbert en met een rooie kop, boven je hoofd de meest vreselijke vuiligheid over je heeft uitgestort. En dat je in de wetenschap dat iemand dat in zich heeft zo met elkaar verder mag. Wat zeg ik: moet.asfcasdvased

Volgens mij word je van ontgroenen alleen maar slechter. Als je toelaat dat je zo wordt behandeld, zul je ander onaanvaardbaar gedrag in de toekomst ook eerder accepteren. Toch? Het verlaagt de drempel. En het brengt al helemaal niet de goeie dingen boven in de lui die het doen. Die jutten elkaar op en het gaat ook nogal eens fout. Goed fout. Dan zijn er gratuite beloften van verenigingen aan het College van bestuur – dat excuusgedoe is verworden tot een soort loze-beloften-ritueel – totdat er in het volgende jaar weer iemand het ziekenhuis in draait in een halve coma nadat ie – met de handen op de rug gebonden – via een gieter vijf liter bier heeft moeten gulpen. Basisscholen en middelbare scholen hebben pestprotocollen, zelfs de politie zit achter structureel treiteren aan, maar ontgroeningsflauwekul en -geweld wordt weg-ge-glimlacht. Traditie, onschuldige eeuwenoude rituelen. Ach, we moeten het allemaal niet zo hoog opnemen.

Wat een onzin.

Kijk, ik kan begrijpen waar het vandaan komt. Honderd jaar geleden was studeren alleen weggelegd voor een kleine elite. De standverschillen tussen die studenten van toen waren aanzienlijk. Er gingen baronnen en graven studeren, maar ook kinderen van gewone (gegoede, dat wel) burgers. Even nivelleren tijdens de introductie in een studentenclub was functioneel. De boodschap: iedere student is hier hetzelfde, we zijn voor zes jaar even allemaal gelijk, had zin. Je had elkaar in die tijd ook echt nodig, omdat het onderwijs op een manier was georganiseerd die het zonder hulp of voorlichting van medestudenten onmogelijk maakte het programma te doorlopen.

fsfsdfsgdsfgdfhdsjsfgjfNu zijn alle aankomende studenten al pre-genivelleeerd. Rangen en standen kennen we niet echt meer en je kunt zelfs als eenling vrij gemakkelijk de studie volgen. Dan kun je toch ook iemand met alle égards ontvangen in je club? En toch gebeurt dat niet. Niet eens vanwege de traditie, denk ik, maar vanwege zoiets als de ‘goodwill’ of beter gezegd de ‘ill will’- cyclus. Ontgroenen werkt een beetje als de goodwill die medisch specialisten betalen aan een specialistenpraktijk in een ziekenhuis. Dat is een grote bom duiten die je kwijt bent om in die praktijk als partner te mogen werken (tussen de 100.000 en 500.000 euro las ik ergens). Als je die som eenmaal hebt betaald, dan wil je natuurlijk dat dat systeem blijft bestaan. Ik vermoed dat bij ontgroenen eenzelfde ijzeren ‘ill will’-cyclus bestaat; als jij je eenmaal hebt laten pesten en treiteren door een stel randidioten en je bent eenmaal toegelaten, dan ga jij natuurlijk niet meer toestaan dat jouw kans om anderen op eenzelfde manier terug te pakken, je wordt afgenomen. En trouwens, of ik het nou wel of niet bij het rechte eind heb met deze laatste inschatting: hou eindelijk eens op met dat kinderachtige en onwaardige gedoe. Niemand wordt tegenwoordig beter van ontgroenen.

untitfdsfasdfasdgled

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Een minderheidskabinet – waarom niet?

Minderheidskabinet?

Er wordt de laatste dagen door informateur Edith Schippers af en toe waarschuwend gesproken over een ‘minderheidskabinet’ dat er aan zit te komen als de partijen betrokken in de informatieonderhandelingen niet willen bewegen. Ze brengt het een beetje als een doemscenario. Maar is het wel zo’n ramp op termijn? Dat kun je je afvragen. We hebben, net na de verkiezingen van maart 2017, 13 fracties in de Tweede Kamer waarvan er maar 2 meer dan 20 zetels hebben (VVD 33, PVV 20), 4 partijen tussen de 10 en 20 zetels CDA en D66 19, en Groen Links en SP 14), eentje met 9 zetels en 6 fracties met 5 of minder zetels (CU 5, Partij voor de dieren 5, 50plus 4, SGP 3, Denk 3, Forum voor de Democratie 2). Een sterk gefragmenteerd landschap waarin de puzzel voor een meerderheidskabinet bijna onmogelijk te leggen valt. De grootste partij heeft maar 22% van de stemmen, de op een na grootste 13%. Een rekenkundige nachtmerrie. Dat wordt alleen maar erger nu alle partijen een van de grotere partijen (PVV) uitsluiten. Het telt maar nooit eenvoudig op boven de 76. De situatie doet sterk denken aan die van het versplinterde politieke landschap van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Meerderheids- en minderheidskabinet

Eerst even iets over de terminologie. We noemen een kabinet een meerderheidskabinet als het kan rekenen op de – vooraf vaststaande – steun van een meerderheid van de Tweede Kamer. Is dat niet het geval dan wordt het kabinet aangeduid als een minderheidskabinet. Natuurlijk moet een kabinet om te kunnen functioneren ook steun krijgen van de Eerste Kamer. Echter zelfs als eens kabinet niet kan steunen op een vooraf vaststaande meerderheid in de Eerste Kamer dan nog noemen we zo’n kabinet toch nog een meerderheidskabinet. Het kabinet Rutte-II (2012-2017) was dus een gewoon meerderheidskabinet.

Er wordt ook nog wel onderscheiden naar interim- en rompkabinetten waarin een kabinet wegens een kabinetscrisis (ontstaan door wegvallend vertrouwen in een van de Kamers of interne conflicten) noodgedwongen even verder gaat als een ‘minderheidskabinet’ – bijvoorbeeld om ‘missionair’ een paar belangrijke zaken af te handelen tot aan nieuwe verkiezingen. Zo’n kabinet dat een bedrijfsongeluk heeft gehad onderweg noemen we daarmee nog geen minderheidskabinet. Die term is eigenlijk gereserveerd voor een kabinet dat vanaf de start – willens en wetens – geen meerderheid in de Tweede Kamer heeft. Toch wordt er in de wandeling ook dan bij zo’n rompkabinet ook wel eens gesproken van een minderheidskabinet.

Een enkele keer spreken we ook van extraparlementaire of zakenkabinetten om daarmee aan te geven dat veel of de meeste van de ministers niet uit de Kamer afkomstig zijn (dus ook niet verkozen zijn). Dat komt tegenwoordig eigenlijk niet meer voor.

Wat is er nu zo erg aan een minderheidskabinet?

Er zijn twee problemen met een minderheidskabinet. Ten eerste (en het meest belangrijke) is er het probleem van het té kleine draagvlak. Kort en goed: met een minderheidskabinet krijg je een landsbestuur dat niet de wil van de meerderheid van de kiezers vertegenwoordigt. Nu wordt de volkswil zelden onversneden uitgedrukt in de Nederlandse coalitiedemocratie, maar minderheidskabinet vertegenwoordigt niet echt. Vandaar ook dat de meeste minderheidskabinetten in onze parlementaire geschiedenis als een soort armoede-bod (niets anders lukte) en onder druk van de omstandigheden tot stand kwamen. Een tweede probleem van minderheidskabinetten is hun gebrekkige stabiliteit. Een minderheidskabinet kan door wisselende meerderheden die het tegenover zich vindt eenvoudig beentje worden gelicht en naar huis worden gestuurd. Minderheidskabinetten zijn heel gevoelig voor ‘politieke spelletjes’. Je zou zeggen dat het voordeel van een minderheidskabinet is dat ze net als meerderheidskabinetten die een regeerakkoord op hoofdlijnen hebben gesloten, veel ruimte laten voor debat met de Kamer (dualistische verhoudingen). In theorie komt zo’n constructie het debat met de Kamer ten goede – geen achterkamertjesgedoe. Maar dat is slechts de theorie. Een minderheidskabinet dat op niet meer dan een paar fracties steunt kan meestal ook niet rekenen op enige politieke loyaliteit van de meerderheid van de Tweede Kamer. Andere dan de coalitiefracties in de Kamer zullen geen verbondenheid voelen met het kabinet en het daarom zo kort als mogelijk in leven willen houden om zo weer nieuwe kansen te creëren bij volgende verkiezingen. Zeker in het snel wisselende politieke landschap en met de grote aantallen permanent zwevende kiezers zijn de kansen van een minderheidskabinet nu slecht. Een manier om die kansen te keren (als geen meerderheidskabinet mogelijk blijkt) is om een gedoogconstructie met een fractie buiten het kabinet af te spreken. Die ‘gedogende’ fractie steunt het kabinet dan op een groot aantal vooraf afgesproken dossier, maar kan op een of enkele andere terreinen de handen vrijhouden. Al levert een gedogende partner geen ministers of staatssecretarissen, het zit in bepaalde opzichten in een ideale positie: het hoeft zijn politieke ziel niet te verkopen (in een compromis) maar bestuurt wel mee. De PVV spinde er tussen 2010 en 2012 garen bij. Je bent er tegelijkertijd in en ook weer niet. Je hoeft in ieder geval minder vuile handen te maken.

Een gedoogconstructie (bijvoorbeeld van GroenLinks of een andere grote fractie) kan mogelijk het probleem van de instabiliteit van een minderheidskabinet (VVD, D66, CDA) ondervangen, maar het is de vraag of de huidige onderhandelaars er trek in hebben. De ervaring van 2010 is natuurlijk nog vers. En die was grotendeels niet goed.

Kansen van een minderheidskabinet

Zoals de formatieonderhandelingen er nu bij liggen, breekt de fase aan waarin gekozen moet worden tussen varianten van het minste kwaad. Hoe liggen de kansen van een minderheidskabinet? Hoe liggen de kansen van een coalitie met – heel – veel partners? Je zou daarvoor te rade kunnen gaan bij de parlementaire geschiedenis van de afgelopen honderd jaar. Het is niet voor het eerst dat we in Nederland geconfronteerd werden met een versplinterd politiek landschap. Is er wellicht iets te leren uit eerdere ervaringen?

We zetten hieronder de overlevingskansen minderheidskabinetten, afgezet tegen die van meerderheidskabinetten met 4 of meer partijen (die zijn namelijk ook altijd iets instabieler dan combinaties met 3 of minder partijen aan boord) eens op een rijtje. We berekenen de overlevingskans op een hele grofmazige wijze. Een kabinet heeft, in onze berekening, een 100% overlevingskans als het 4 x 365 = 1460 dagen of meer zit (4 jaar is de gemiddelde periode tussen 2 reguliere verkiezingen – soms gaat het zelfs om meer dagen). De dagen die een kabinet zit zetten we af tegen deze 1460 dagen en beschouwen dat als ‘de overlevingskans’. Helemaal klopt dat niet natuurlijk want kabinetten komen om een veelheid van redenen aan hun eind, en soms is al vooraf afgesproken dat een kabinet maar even aanblijft. Die nuances maken vergelijken onmogelijk en dat is toch juist wat we willen doen. En natuurlijk, de vergelijking gaat ook mank doordat in de vergelijking kabinetten uit hele andere tijden zijn betrokken met hele andere politieke, sociale en culturele randvoorwaarden en achtergronden. Een vergelijking van appels en peren, en eigenlijk ook nog eens tussen koolrapen en schorseneren… maar toch. We beginnen onze telling vanaf de introductie vanaf het (gedeeltelijk) algemeen kiesrecht in 1917 toen het moderne kiesstelsel werd geïntroduceerd op basis van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste kabinet kon nog niet bogen op vrouwenstem; dat werd pas vanaf 1919 geïntroduceerd.

Vergelijking minderheidskabinetten – grote coalities (4+ meerderheidskabinetten)

  1. de minderheidskabinetten
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Rutte I  2010-2012 parlementair minderheidskabinet, met gedoogconstructie 557 dagen = 38%
Balkenende III 2006-2007 minderheidskabinet (overgangskabinet) 230 dagen = 15%
Van Agt III 1982 minderheidskabinet (overgangskabinet)  159 dagen = 11%
Biesheuvel II 1972-1973 parlementair minderheidskabinet  275 dagen = 18%
Zijlstra i 1966-1967 minderheidskabinet (overgangskabinet) 133 dagen = 9%
Colijn V 1939 extraparlementair minderheidskabinet 2 dagen = 0,1%
De Geer I 1926-1929 extraparlementair interim-kabinet 1212 dagen = 83%
Ruijs de Beerenbrouck I 1918-1922 parlementair minderheidskabinet 1417 dagen = 97%

 

We hebben in de afgelopen honderd jaar dus maar liefst 8 ‘minderheidskabinetten’ gehad. Die laten een treurige gemiddelde overlevingskans van 21,7% zien. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de meeste van die minderheidskabinetten er niet op uit waren om de hele rit uit te zitten. De meesten dienden slechts voor kortere tijd in aanloop naar verkiezingen, maar moesten zodanig belangrijke zaken afhandelen dat ze het zich niet konden permitteren louter demissionair door te gaan. Maar toch: geen fijne overlevingskans.

Hoe ligt dat nu bij de grote coalities van 4 partijen of meer?

  1. Grote coalities (4 partijen of meer in het kabinet)
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Den Uyl 1973-1977 Meerderheidskabinet (5) 1683 dagen = 100% ++
Biesheuvel I 1971-1972 Meerderheidskabinet (5) 400 dagen = 27%
De Jong 1967-1971 Meerderheidskabinet (4) 1553 dagen = 100% +
De Quay 1959-1963 Meerderheidskabinet (4) 1527 dagen = 100% +
Drees III 1956-1958 Meerderheidskabinet (4) 800 dagen = 54%
Drees II 1952-1956 Meerderheidskabinet (4) 1502 dagen = 100% +
Drees I 1951-1952 Meerderheidskabinet (4) 537 dagen = 36%
Drees-Van Schaik 1948-1951 Meerderheidskabinet (4) 950 dagen = 65%
Schermerhorn-drees 1945-1946 Meerderheidskabinet (4) 374 dagen = 25%
De Geer II 1939-1940 Meerderheidskabinet (5) 390 dagen[1] = 26%
Colijn III (en II) 1933-1937 Meerderheidskabinet (4) 788 dagen = 53%
colijn I 1925-1926 Meerderheidskabinet (4) 99 dagen = 0,6%
 
 

Slotsom

We hebben in totaal 3 vijfpartijen-meerderheidscoalities gehad en 9 vierpartijen-meerderheidscoalities. Gemiddeld hebben die een ‘overlevingskans’ van 57% (niet heel slecht). Vierpartij-combinaties doen het zelfs heel goed (59% overlevingskans – al trekt Colijn I het gemiddelde wel heel fors omlaag). Vijfpartijen-kabinetten blijken niet eens zo wankel (51% overlevingskans) al hebben we daar wel erg weinig ervaring mee.

Alles is relatief trouwens als je deze overlevingscijfers afzet tegen de gemiddelde levensduur van kabinetten na WO II:

1945-1950 – gemiddelde zittingsduur 697 dagen = 47%

1950-1960 – gemiddelde zittingsduur 902 dagen = 61%

1960-1970 – gemiddelde zittingsduur 726 dagen = 49%

1970-1980 – gemiddelde zittingsduur 930 dagen = 63%

1980-1990 – gemiddelde zittingsduur 945 dagen = 64%

1990-2000 – gemiddelde zittingsduur 1446 dagen = 99%

2000-2010 – gemiddelde zittingsduur 751 dagen = 51%

De gemiddelde overlevingskans van een kabinet na WO II in Nederland ligt daarmee zo rond de 62%. Langjarig op net iets boven de 63%. En dat wijkt dan niet eens zo heel veel af van de overlevingskansen van grote coalitiekabinetten.

Concluderend: minderheidskabinetten hebben – met alle slagen die bij de vergelijking om de arm moeten worden gehouden – klaarblijkelijk veel kleinere overlevingskansen (21,7%) dan meerderheidskabinetten, zelfs veel beter dan van vier- of vijfpartijenkabinetten (57%). En dan nog iets. Hoe stabiel is een land waarin in de afgelopen 100 jaar een kabinet net iets meer dan 60% kans had de rit uit te zitten. Heeft dat wellicht met ons kiesstelsel te maken? Iets om eens over na te denken rond de viering van 100 jaar kiesrecht.

 

[1] Tot aan de Duitse inval mei 1940.

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Proust lezen (A La Recherche du Temps Perdu)

Vandaag is Thérèse Cornips overleden. http://nos.nl/artikel/2091627-proust-vertaalster-therese-cornips-89-overleden.html Goed vertalen is eerst en vooral goed begrijpen, proeven en dan in de eigen taalcultuur omzetten. Helemaal aan het einde van dat proces komen eerst de zinnen en letters. Goh wat was ze goed. Hertalen om te doen snappen.

PROUST LEZEN

Ik weet niet meer helemaal zeker hoe het kwam. Waarschijnlijk omdat op de middelbare school die ene Franse leraar (Malherbe) had gezegd dat dat boek te moeilijk was voor gewone luitjes. Waarmee het…

Bron: Proust lezen (A La Recherche du Temps Perdu)

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Deze week overleed Fer Nierich. Dit verhaaltje gaat mede over hem. Een onbekende in het dorp. Dat was me wat in de vroege jaren zeventig in Klein-Zundert: iemand van buiten. Zeker als je tegelijkertijd op Udo Jurgens en Louis Neefs leek…

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Vervolging fractieleiders?

imaxcbadfbnaDfbdFBedgeshttp://nos.nl/artikel/2068513-om-een-of-meer-fractievoorzitters-mogelijk-schuldig-aan-ambtsmisdrijf.html

 

Jongens, wat een gedoe met die mogelijke vervolging van één of meerdere fractievoorzitters wegens het lekken uit de commissie Inlichtingen en veiligheidsdiensten (commissie stiekem). Het gaat hier om de meest stoffige bepaling uit onze Grondwet (art. 119). Nog nooit eerder gebruikt sinds 1848 (of zelfs 1814). Zo weinig dat toen een keer een Kamerlid in 1991 ‘vergat’ zijn neveninkomsten te melden bij het vaststellen van een schadeloosstelling de verkeerde procedure werd gebruikt. De spelregel van art. 119 GW was zo in de vergetelheid geraakt dat ze die onjuist toepasten. De zaak ging niet naar de Hoge Raad, zoals had gemoeten, maar naar een rechtbank (Utrecht). Die kon er ook geen chocola van maken, maar sprak de betrokkene uiteindelijk vrij. Het was dan ook niet echt een halszaak, meer een interpretatieding.

Maar in dit geval van ligt het anders. Ingewikkeld. Kamerleden die toch een soort verbondenheid met elkaar hebben (zelfs met al het partijpolitieke theater) die nu een vervolgingsbeslissing moeten gaan nemen over één of enkele van hun collega’s. Fractievoorzitters ook nog. Een bijna onmogelijke beslissing. Zo een die je fout of fout kan doen. De geloofwaardigheid van de Tweede Kamer is door de overdracht van het dossier van het OM sowieso al in het geding. Je kunt je afvragen of artikel 119 Grondwet, die het in handen van de Tweede Kamer legt om te beslissen over de vervolging, tegenwoordig nog wel zo’n handige bepaling is. Stokoud – meer dan 150 jaar. Natuurlijk, je wil voorkomen dat het OM zomaar Kamerleden kan vervolgen, maar dit legt de bal wel heel eenzijdig in de hoek van de Kamer. Zou het niet beter zijn dat de Kamer bij dit soort vermoedens en vervolging van ambtsmisdrijven een soort suspensief veto krijgt, als het gewone OM de zaak over wil dragen aan de Procureur-Generaal. Dat de Kamer dan lichtvaardige vervolging kan stuiten met tweederden meerderheid of zo. Dat werkt denk ik beter dan de situatie nu, waarbij de Kamer met een vervolgingsbeslissing eigenlijk al zelf oordeelt over de verdenking. De fractieleider in kwestie kan natuurlijk op geen enkele manier meer verder in zo’n geval. En de Kamer zelf gaat zeker niet zomaar over tot de orde van de dag in zo’n geval.

imagvbdfbnDfbaDBdfBes

 

Posted in Politiek | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Overleven in verscheidenheid

untvdabvswfbsfbsdbitled‘Een waagstuk’, zo noemde Henk te Velde – hoogleraar geschiedenis Universiteit Leiden en lid van het organisatiecomité – de slotbijeenkomst van de viering 200 jaar Koninkrijk. En dat was het natuurlijk ook. 2 Jaar lang al zijn we aan het jarige koninkrijk aan het vieren en wat voor slotakkoord moet je dan nog bedenken? Eenheid in verscheidenheid. Ik vond het goed verzonnen en feestelijk, al is nu eenheid niet het eerste waaraan ik denk als het erom om gaat onze politieke cultuur te duiden. ‘Overleven in verscheidenheid’ zou volgens mij treffender en zeker realistischer zijn geweest, al klinkt dat natuurlijk veel zuurder en zou zeker niet hebben gepast bij het majesteitelijke publiek daar aan de Amstel bij de Magere brug. Dieimbadfbadfbadfbadfbadfvbages duiding heeft niets van doen met somberen of pessimisme, maar onze politieke cultuur zit al eeuwen in elkaar. Ik ontleen deze wijsheid aan Alan Bikk die in 2007een mooi stuk schreef getiteld ‘Tolerance as Value-Neutrality In the Seventeenth Century Dutch Republic’. Hij maakt duidelijk dat de veelgeprezen tolerantie uit de 17de en 18de eeuw in Nederland in wezen rustte op twee ogenschijnlijk aan elkaar tegengestelde karaktertrekken van het systeem van de Republiek der Verenigde Nederlanden: non-acceptatie en niet-vervolging. In tegenstelling tot wat we tegenwoordig graag geloven, gingen de vele geloofsminderheden uit de 17de en 18de eeuw niet respectvol of wederzijds begrijpend met elkaar om, in tegendeel, maatschappelijk tolereerden ze elkaar niet tot nauwelijks – er werd niet onderling getrouwd, samen ter school of ter kerke gegaan, en al helemaal weinig redelijk gedebatteerd. Alleen omdat het land van minderheden aan elkaar hing werden andersgelovigen of andere gezindten niet vervolgd, volgens de praktische wijsheid; heden ik, morgen gij. ‘Praktische tolerantie’ noemt Bikk dat. Eigenlijk een land dat politiek en maatschappelijk gesproken één grote LAT-relatie untidfhehehqehqetledmet elkaar onderhoudt. Een raadselachtige eigenschap waar ook Jonathan Israel in zijn magistrale The Dutch Republic: Its Rise, Greatness and Fall, 1477-1806 uit 1998 op wijst. Een ongemakkelijke trek ook.

Want wie is daar nou trots op?

Dat we elkaar maar een beetje nemen zoals we zijn, niet vanuit empathie en doorleefd respect, maar vanuit praktische noodzaak, omdat het gewoon niet anders kan. Al horen we dat liever niet, waarschijnlijk heeft juist die cultuur ons de afscheiding van Spanje gebracht en ook de verzuiling in de 19de en 20ste eeuw. Wellicht dat de viering van de eerste eeuw van het Koninkrijk in 1914 daarom ook zo lauwtjes was. Wat dan zijn we ten diepste: een land van splinters en scherfstukken, een land met 16 fracties op 150 zetels en 11 op 75, een land dat eigenlijk niet kan.

Tenminste…het kan zolang dat land zich maar niet bekent tot één richting of één idee. Vandaar dat ik na alle vertoon van eenheid nu, al weer wat geruster, me opmaak voor de viering van de aankomende eeuw van verscheidenheid. Dat is niets om je voor te schamen.

AYGg14FR-dFXkN-2-JGnuAIsRLOYGOy-t7EwblrOMtY

Gepubliceerd in: SC nummer 16, dinsdag 13 oktober 2015, p. 6

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Wat als…?

Bron: Wat als…?

Posted in Uncategorized | Leave a comment