Minder dan een jaar geleden overleed Fer Nierich. Dit verhaaltje gaat mede over hem. Een onbekende in het dorp. Dat was me wat in de vroege jaren zeventig in Klein-Zundert: iemand van buiten. Zeker als je tegelijkertijd op Udo Jurgens en Louis Neefs leek…

Advertisements
Posted in Uncategorized | Leave a comment

Muziek: best wel belangrijk natuurlijk

Muziek doet ertoe. Natuurlijk.

Het doet iets met je, al is het moeilijk precies uit te leggen wat. Net als de smaak van chocolade: een emotie die nauwelijks in woorden is te vangen.

Ik heb, denk ik, niet echt verstand van muziek. Ik speel geen instrument, heb geen ritmegevoel, en met meezingen op de lagere school werd ik door de muziekonderwijzer altijd ‘afgetikt’. Dan moest je, terwijl de klas lustig verder zong, gaan zitten en je mond houden.

Ik moet dus eigenlijk ook mijn mond houden over muziek, zeker muzieksmaak. Maar toch. Ik kan bijvoorbeeld niet tegen mensen die, als ze in een belspelletje voor de radio wordt gevraagd naar hun muzieksmaak, zeggen dat ze alle muziek eigenlijk wel leuk vinden. Dan heb je volgens mij niet alleen geen muzieksmaak maar ook helemaal geen gevoel. Dan ben je een soort zombie, een levende muziekdode.

Enfin, het was zo idioot vroeg dat hij belde. Nog geneens half acht en dat op een zaterdag. Ik lag er de avond tevoren pas om half drie in. Mijn hoofd bonkte, mijn tong voelde als een twee weken oude broodhomp. En ik kon bijna geen woord uitbrengen.

‘Ja, met mij.’

‘He met mij.’ Het was William.

‘Man weet je wel hoe vroeg het is?’

‘Jij moet toch altijd zo vroeg op?,’ zei hij.

‘Ja, maar niet in het weekend.’

En dat viel inderdaad niet mee het professionele leven na de studie. Ik werkte nog maar een half jaar. En dan kom je terecht in die moeilijk te hanteren schemerzone die ligt tussen studentleven (of wat daar dan voor doorging) en professioneel leven. Van nachtelijk leven, naar dagritme, van maatjes naar collega’s, van je vroegere zelf naar…naar een ander. Maar dat kon ik zo gauw niet allemaal uitleggen natuurlijk. Ik bedoel, dat dat niet mee viel. Jeweetwel.

‘Je moet komen,’ zei William een beetje opgewonden. ‘We hebben nou toch een band in het programma, geweldig…’

William was na zijn vervangende dienstplicht ook gaan werken. Als bureauredacteur bij het televisieprogramma Firma Onrust van de VPRO. De voorhoede van de avant-garde zullen we maar zeggen. Een jongerenprogramma van de VPRO dat zich juist richt op alternatieve of (nog) onbekende muziek, de voorganger van het BNN programma ‘Spuiten en slikken…’ Dat was nog eens wat. En ze draaiden er ook allemaal muziek die je, in het clubje waar ik in rondhing, goed moest vinden. Een beetje een probleem, want ik vond het lang niet altijd goed. Maar dat was omdat, dat hadden we met elkaar vastgesteld, ik geen verstand van muziek had. Tja het was niet anders.

‘Ik kan dat toch gewoon morgen op tv bekijken als jullie programma wordt uitgezonden?’

‘Nee, man, live is veel beter…’

‘En waar is dat dan te doen?’

‘Vlak bij jou man….’

Waar vlak bij mij, want je wordt van zulke vragen toch snel wantrouwig als je al wat langer in Tilburg-West woont.

‘In Utrecht. Je moet er echt bij zijn, ze zijn geweldig.’

‘Hoe heten ze?’ probeerde ik, vissend naar nog een extra reden om er niet heen te hoeven.

William prevelde iets door te telefoon wat ik niet kon verstaan. Ik moest ook hoesten.

‘Wat?’

‘De hele Scandinavische wereld is er gek van. Echte heerlijke maffe neo-punk. Ze lijken wel een beetje op (volgt een lange lijst van idiote bandnamen waar ik nooit van had gehoord)….Helemaal te gek. In Finland maken ze het helemaal. En nou hebben wij ze omdat het optreden van ze in Nergenshuize niet doorging en ze nu toch in Nederland waren.’

(Optreden dat niet doorging?….)

‘Je moet wel opschieten,’

(Hoezo?)

‘Ze treden om 11.00 vanochtend op want ze moeten om half drie vliegen.’

‘Ik voel me niet goed,’ zei ik naar waarheid, ‘ik laat het even voorbij gaan.’

‘Nee, je moet echt komen.’

‘Hoezo?’

‘Nou dan kom je op tv. En….nou ja, we hebben snel publiek nodig want we nemen op in de oude Gasfabriek en we hebben eigenlijk, op zo korte termijn, geen publiek. En een live-opname zonder publiek, is geen porem.’

….

Om 11.00 in de ochtend stonden we met ca. veertig mensen in een kil zaaltje van de oude gasfabriek. We keken naar een drumstel, twee microfoons en een decor dat gemaakt leek van een beetje tuttige blauwe damesshawl, maar dan een hele grote. Laat ik voorzichtig zeggen dat er geen uitgelaten sfeer van hooggespannen verwachting was. En zij van Onrust waren ook nog de presentatrice kwijt.

Het duurde allemaal eindeloos in mijn herinnering. Totdat de band, een stelletje rouwdouwers verscheen en zich achter de instrumenten zette. ‘Ze komen uit IJsland,’ zei een meisje naast mij, met een hele grote rode strik in haar haar. (Cyndi Lauper, schoot me te binnen, ze lijkt op Cyndi Lauper). IJsland?? Helemaal een reden om maar weer direct naar huis te gaan.

De band zette in. Groezelige, kale punkakkoorden, naargeestige slagen op de drum. En toen kwam ze binnen. Muziek. Zij, muziek. In een mal zilverkleurig mantelpakachtig ding. Klein, niet mooi. Een beetje een trol. Een knul met gele bretels ging naast haar staan. Einar, zo leerde ik later.

‘Deus does not exist…’ zo zette ze het nummer in. Een wat onvaste stem, maar ergens naar het einde van het nummer laat ze haar stem overslaan, en in het volgende nummer ‘Cold Sweat,’ haalt ze de handrem eraf en maakt ze een paar achterwaartse salto’s met die verschrikkelijk hoge harde stem. De pure sensatie van muziek. Ze zingt dwars door je heen, je voelt haar stem letterlijk je buik doorgaan, je borstkas beweegt. Ze gebruikt de holle ruimten in jouw lijf als klankkast. Een hele vreemde ervaring, de doordringende stem van dit freaky kleine trollenmens. Björk. Hoe zal ik het zeggen? Nou nee, dan had je ook maar op tijd uit je bed moeten komen. Want dan had je er eigenlijk zelf bij moeten zijn.

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , | Leave a comment

Begin

Alles heeft een begin. Ook een rechtenstudie, ook de mijne. Al weer even geleden, maandag 1 september 1980. Best nog een beetje aardig weer buiten, maar hier binnen in deze grote, muffe collegezaal zonder ramen, CZ 101, merk je daar niks van. Het licht is kil. Alle brugpiepers van de opleiding rechtsgeleerdheid aan de Katholieke Hogeschool Tilburg zijn opgewonden, druk. Half verscholen zitten ze achter rode, losbladige wettenedities van meer dan een kwart meter hoog. Het zijn de eerste jaren van het massa-onderricht in het juridische metier. De faculteit heeft het er maar moeilijk mee. Leuk natuurlijk, zoveel eerstejaars. Maar waar laat je ze? Wat doe je er mee?

hoornen%20bril Mijnheer Jansen (laat ik hem zo maar even noemen) weet ook niet goed hoe hij er mee om moet. Om kwart over negen sluipt hij beneden de zaal binnen. Zijn ogen knijpen een beetje tegen het schelle licht uit de t.l.-bakken aan het plafond. Een kleine, gedrongen man met sluik zwart haar, een non-descript beroosd grijs pak en een dikke hoornen bril. Geen gestalte die indruk maakt op deze verzameling hippe studenten.

Collegezaal 1980: voornamelijk spijkerbroeken en -jassen, lang haar, benen op tafel. Hier en daar wel poloshirts en bandplooibroeken. En lui die door hun moeder zijn aangekleed om op een rechtenstudent te lijken. De zaal is rumoerig. Er staan pakken melk op de uitklapbare plankjes. Koffie ook, thee, boter, brood, pizza. Er wordt in die tijd tijdens colleges gekaand bij het leven. En, o ja, het is het laatste jaar dat je gewoon mag roken in de collegebanken. Officieel is het verboden in verband met de brandveiligheid, maar er wordt geen werk gemaakt van de handhaving. Docenten doen het ook. En dan is er die ene vent met dat kroeshaar, die achterover gezakt in het midden van de collegezaal in zijn stoel hangt. Die heeft een enorme hond naast zich zitten. Of er iets met zijn ogen was, vroeg een van de mentoren die  die ochtend even langs kwam kijken. “Nee de hond ziet prima.” Joelend hoongelach in de collegezaal.untitbezettingled

Rechtenstudie 1980. Voor de meesten een parkeerstudie. Ze doen een jaartje rechten, misschien twee jaartjes, daarna nog wat sociale geografie of zo. Allemaal om een beetje uit te puffen van die middelbare school waar van alles moest. Nu hoeft er niks meer. Veel studenten hebben een volledige studiebeurs – ongeveer hetzelfde bedrag als een bijstandsuitkering. Veel, heel veel geld. En het collegegeld is een schijntje. Huren zijn na de crisis erg laag. Niet gek dat iedereen gaat studeren. Als je studeert, hoef je niet direct in militaire dienst en je hoeft ook niet te solliciteren; je hoeft trouwens ook helemaal niet te komen. Inschrijven is genoeg. Een dolgedraaid systeem. Er hoeft niets, er moet niets en niemand doet ook iets. Je best doen in je studie wordt in het beste geval gezien als uitsloverij, in het slechtste geval als asociaal: als jij je zo uitslooft, moeten we misschien straks allemaal aan de bak.

En van de kant van de opleiding heb je ook niet veel te verwachten. Ongemotiveerde staf die zich in het beste geval als beroepsactivist heeft verschanst in de faculteitsraad om daar een loopgravenoorlog uit te voeren met de hoogleraren. Vileine, kleingeestige shag-democratie en wetenschappelijke docenten die nooit onderzoek doen. De enkele uitzondering op die regel is steevast vastgelopen in een decennialang aanslepend proefschriftonderzoek.

boring-lecture

Jansen stuntelt met zijn microfoon (Sennheiser). Een zwaar geval dat met een snoer om de nek wordt gedragen. Hij stelt zich mompelend voor. Pas na even dringt het tot de zaal door. ‘Deze man is geen jurist, maar een boekhouder, een registeraccountant.’ Met een vak als Economie 2, zoals het vak stond aangekondigd, hadden we het natuurlijk moeten weten. Een kapitalistenmaatje van het zuiverste water. Er wordt verontwaardigd gesist in de zaal. Jansen begint toch maar zijn college. Draait zijn rug naar de zaal en schrijft berekeningen boven in de hoek van het collegezaalbrede bord. Priegellettertjes die nauwelijks te lezen zijn. Zijn onverstaanbare geprevel helpt ook al niet. Zeker een half uur brouwt hij daar voort op dat bord en de zaal wordt almaar onrustiger. Gelach, luid gepraat, niet te volgen. De hond blaft zelfs een keer en het staat halfblauw van de rook. De enkele keer dat Jansen omkijkt, zie je dat de herrie hem irriteert. Na drie kwartier laat hij ons even los, gekweld en een beetje zwetend.

Dit gaat niet goed.

De enkeling van ons die net als ik na de pauze terugkeert (ik was er nu toch eenmaal) ziet  dat Jansen een plan heeft. Zijn ogen zijn een beetje geniepig samengeknepen; ze twinkelen. Hij doet de microfoon om en begint, maar draait nu steeds om van het bord als de zaal rumoerig wordt. Kijkt bezwerend. Nadat er zomaar iemand hardop begint te lachen, keert hij zich met een ruk om en tuurt nadrukkelijk naar het midden van de zaal waar het al de hele tijd rumoerig is.

“Mag ik u eens een vraag stellen?”, zegt hij dwingend. “Ja u daar!”

Hij wijst. Midden in de zaal duwen ze elkaar en halen hun schouders op.

“Dan kom ik toch gewoon even naar boven,” zegt Jansen, nu met een gemeen glimlachje om de lippen.

“Hebbes!”, zie je hem denken. Met de microfoon in hun neus zo dadelijk zullen ze wel even een toontje lager zingen. Op een soort drafje dat je niet verwacht van dat onhandige lichaam beent Jansen aritmisch de trap op. Het hupje in zijn pas verraadt dat hij pret heeft.

Totdat….

Totdat hij met een ruk onderuit getrokken wordt door het microfoonkoord om zijn nek. Veel te kort dat snoer om het midden van de zaal te bereiken. Kom je dan achter. Met een soort halve salto ruggelings stuitert hij hard achterover de trap af. Hilarisch. Een bezorgde studente (toch nog één dan) helpt hem een overeind, de rest van de zaal rolt van het lachen. Minutenlang.

Rechtsgeleerdheid 1980. Ongemotiveerde studenten, slechte docenten, een verziekte sfeer en waardeloos onderwijs – de enkele meeslepende hoogleraar (Konijnenbelt, Nieuwenhuis) niet te na gesproken. Geen mens die naar dat onderwijs of de studenten om leek te kijken, geen mens die het kon schelen, zo leek het wel. Dieptriest.

De meeste dingen worden niet beter naarmate je ouder wordt, maar één ding is door de jaren enorm opgeknapt: de juridische opleiding.’ Al kan die natuurlijk nog heel veel beter, zeker het begin ervan. Want het mag nooit meer 1 september 1980 worden.

Posted in Geen categorie, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 Comments

Ontgroenen

umeiseIk weet het niet hoor, met dat ontgroenen. Waarschijnlijk heb ik er niks mee omdat ik zelf nooit door de molen ben geweest. Als je zelf niet ontgroend bent, dan begrijp je het niet, zo heet het. Het zal best. Ik begrijp er de lol niet van, noch de functie. Hoe kan je nou bij wijze van goede ontvangst iemand willen vernederen? Als wij nieuwe buren in de wijk krijgen, gooien we die bij wijze van welkom toch ook geen verwensingen naar het hoofd om ze daarna te dwingen in een badpak of zwembroek voor het oog van de verzamelde wijk op hun knieën door het plantsoen te kruipen?

Vernederen, want daar draait het bij ontgroenen om, heeft nooit zin. ‘Je leert je plek kennen’, hebben ze me ooit uitgelegd, ‘en het schept een band.’ Maar wat voor een band is dat eigenlijk? Dat je van elkaar weet dat een ouderejaars-broeder vol pukkels, vies colbert en met een rooie kop, boven je hoofd de meest vreselijke vuiligheid over je heeft uitgestort. En dat je in de wetenschap dat iemand dat in zich heeft zo met elkaar verder mag. Wat zeg ik: moet.asfcasdvased

Volgens mij word je van ontgroenen alleen maar slechter. Als je toelaat dat je zo wordt behandeld, zul je ander onaanvaardbaar gedrag in de toekomst ook eerder accepteren. Toch? Het verlaagt de drempel. En het brengt al helemaal niet de goeie dingen boven in de lui die het doen. Die jutten elkaar op en het gaat ook nogal eens fout. Goed fout. Dan zijn er gratuite beloften van verenigingen aan het College van bestuur – dat excuusgedoe is verworden tot een soort loze-beloften-ritueel – totdat er in het volgende jaar weer iemand het ziekenhuis in draait in een halve coma nadat ie – met de handen op de rug gebonden – via een gieter vijf liter bier heeft moeten gulpen. Basisscholen en middelbare scholen hebben pestprotocollen, zelfs de politie zit achter structureel treiteren aan, maar ontgroeningsflauwekul en -geweld wordt weg-ge-glimlacht. Traditie, onschuldige eeuwenoude rituelen. Ach, we moeten het allemaal niet zo hoog opnemen.

Wat een onzin.

Kijk, ik kan begrijpen waar het vandaan komt. Honderd jaar geleden was studeren alleen weggelegd voor een kleine elite. De standverschillen tussen die studenten van toen waren aanzienlijk. Er gingen baronnen en graven studeren, maar ook kinderen van gewone (gegoede, dat wel) burgers. Even nivelleren tijdens de introductie in een studentenclub was functioneel. De boodschap: iedere student is hier hetzelfde, we zijn voor zes jaar even allemaal gelijk, had zin. Je had elkaar in die tijd ook echt nodig, omdat het onderwijs op een manier was georganiseerd die het zonder hulp of voorlichting van medestudenten onmogelijk maakte het programma te doorlopen.

fsfsdfsgdsfgdfhdsjsfgjfNu zijn alle aankomende studenten al pre-genivelleeerd. Rangen en standen kennen we niet echt meer en je kunt zelfs als eenling vrij gemakkelijk de studie volgen. Dan kun je toch ook iemand met alle égards ontvangen in je club? En toch gebeurt dat niet. Niet eens vanwege de traditie, denk ik, maar vanwege zoiets als de ‘goodwill’ of beter gezegd de ‘ill will’- cyclus. Ontgroenen werkt een beetje als de goodwill die medisch specialisten betalen aan een specialistenpraktijk in een ziekenhuis. Dat is een grote bom duiten die je kwijt bent om in die praktijk als partner te mogen werken (tussen de 100.000 en 500.000 euro las ik ergens). Als je die som eenmaal hebt betaald, dan wil je natuurlijk dat dat systeem blijft bestaan. Ik vermoed dat bij ontgroenen eenzelfde ijzeren ‘ill will’-cyclus bestaat; als jij je eenmaal hebt laten pesten en treiteren door een stel randidioten en je bent eenmaal toegelaten, dan ga jij natuurlijk niet meer toestaan dat jouw kans om anderen op eenzelfde manier terug te pakken, je wordt afgenomen. En trouwens, of ik het nou wel of niet bij het rechte eind heb met deze laatste inschatting: hou eindelijk eens op met dat kinderachtige en onwaardige gedoe. Niemand wordt tegenwoordig beter van ontgroenen.

untitfdsfasdfasdgled

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

De Droste Cacao-bus: een referendum over de intrekkingswet van de Wet raadgevend referendum?

Kafkaësk. Een discussie over een mogelijk referendum over de intrekkingswet van de Wet raadgevend referendum. GecompliceerdzzcccAScascASCa. Kan het nou wel of kan het nou niet? Minister Ollongren kwam er tijdens het debat van 16 november al niet goed uit. Ze zei nog niet te weten wat de regering zou gaan doen. Het regeerakkoord is dan wel duidelijk: de Wet raadgevend referendum wordt ingetrokken. Maar hoe gaan we dat nu doen?

Normaal treedt een wet (en dus ook een intrekkingswet) nadat die is bekendgemaakt in werking. Onmiddellijke werking heet dat. Als je dat zou doen met de intrekkingswet van de Wet raadgevend referendum (Wrr), dan is de wet die een referendum mogelijk maakt weg voordat je er nog een referendum over aan zou kunnen vragen. Je trekt als het ware de mat onder jezelf weg.

Bij een normale inwerkingtredingstermijn van de intrekkingswet, met inwerkingtreding direct of een paar dagen na de bekendmaking heb je al geen kans meer. Zo’n periode is te kort om  nog succesvol een referendum te kunnen lanceren. Je moet campagne voeren en handtekeningen verzamelen voordat er überhaupt een referendum wordt toegestaan. De Wet raadgevend referendum (Wrr), zoals die nu geldt, kent daarom termijnen die ervoor moeten zorgen dat referenda over wetten mogelijk blijven, ongeacht de inwerkingtredingstermijn die de wet, waartegen je op wil komen, zelf regelt (inderdaad ingewikkeld allemaal).

De techniek van de Wrr is dat een wet niet eerder in werking kan treden dan op het laatste moment waarop nog om een referendum kan worden verzocht (acht weken – artikel 8 Wrr). Maar geldt dat systeem nu ook voor de Wrr zelf, met name voor de intrekkingswet van de Wrr?

Je zou kunnen zeggen van niet (ook als is de Wrr in de Wrr zelf niet uitgezonderd). Als de Wrr wordt ingetrokken, is daarvan de hele bedoeling natuurlijk dat er geen referendum meer kan worden gehouden. En eigenlijk is met een aangenomen intrekkingswet Wrr de wet die referenda mogelijk maakte weg.

Aan de andere kant kan je volhouden dat ook (of wellicht juist) over de intrekking van de Wrr moet kunnen worden gereferendeerd.

Het precedent van de intrekking van de Tijdelijke referendumwet in 2004

De regering stelde zich in 2002 bij het voornemen tot intrekking van de Tijdelijke referendumwet (Trw), die tussen 1999 en 2004 gold, op het eerste standpunt. De intrekkingswet maakte het door de gehanteerde methodiek van uitzondering en inwerkingtredingstechniek onmogelijk om over de intrekkingswet van de Trw nog een referendum te organiseren.

Dat ging de Raad van State, die in 2002 adviseerde over het voorstel van de intrekkingswet (Kamerstukken II 2002/03, 28 739, A) Trw, té ver. De Raad oordeelde als volgt:

“Een inwerkingtredingsbepaling die de toepasselijkheid van de geldende Trw op de mogelijkheid van het indienen van een inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de intrekkingswet voor wil zijn, blijft dus een slag in de lucht. Na onherroepelijke toelating van zo’n inleidend verzoek vervalt ingevolge artikel 13 Trw hetgeen in de intrekkingswet over de inwerkingtreding ervan is geregeld. Enkel en alleen indien op de voet van artikel 16 Trw met een uitdrukkelijke verwijzing naar die bepaling wordt vastgesteld dat de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden, kan het wetsvoorstel zo worden opgezet dat het in werking treedt voordat gebruik gemaakt kan worden een referendum over de intrekkingswet te houden. Dan zou echter gemotiveerd moeten kunnen worden dat die inwerkingtreding geen uitstel kan lijden.”

Dus alleen als de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden, geen referendum over de intrekkingswet én het moet deugdelijk gemotiveerd.

Tot zoverre is het duidelijk. Maar wat is de waarde van dat advies van 2002 nu in 2017.  Waarschijnlijk zal de Raad van State in grote lijnen wel eenzelfde benadering van de intrekking van een referendum wet hebben, als in 2002, maar…het is alleszins waarschijnlijk dat de regering zal betogen dat het intrekkingsvoorstel van de Wrr uit 2017 geen uitstel duldt. Het regeerakkoord is een precair bezit – alles is tegen elkaar afgewogen en uitkomst van de rekensom is geweest dat de Wrr weg moet. Dat staat tussen partijen met een Kamermeerderheid van één zetel. Laten ze dit los, dan moet er heronderhandeld worden. Dat wil niemand met vier partijen aan boord en 225 dagen hoofdpijn van het onderhandelen net achter de rug. Dat belooft weinig goeds voor de inhoudelijke argumenten en draagkrachtige motivering die de Raad van State vraagt bij een intrekking Wrr zonder referendum. ‘Het referendum heeft niet gebracht wat er van werd gebracht’ moppert het regeerakkoord. Heel veel verder komen we niet. Minister Ollongren maakte het vanmiddag alleen maar erger door te zeggen dat er wel andere manieren zijn om burgers te betrekken…Wordt daarmee bedoelt dat de regering, of andere bestuurders eens wat vrijblijvend gaat praten met groepen burgers van eigen verkiezing om eens te horen of er ideeën en instemmende geluiden opgehaald kunnen worden. Democratie op de voorwaarden van het bestuur zelf? Dat lijkt me geen goede vergelijking (nog minder een goed idee trouwens).

Naar alle waarschijnlijkheid zal de regering gaan proberen een onmiddellijke inwerkingtreding van de intrekking van de Wrr te bewerkstellingen die net zo kort en politiek wordt gemotiveerd als de tweezinsverhandeling uit het regeerakkoord. Einde oefening. Wie weet lukt dat zo en wil de Raad van State ook een beetje meebuigen. Die staat nu onder leiding van een van de meest uitgesproken referendumtegenstanders die we kennen: Donner. Zelfs als vice-president van de Raad van State sprak hij zich publiekelijk tegen het instrument uit (Trouw april 2016). Dat instrument zou niet samengaan met de representatieve democratie. Dat dat in meer dan 90 parlementaire democratieën prima lukt, laten we dan maar even buiten beschouwing (Qvortrup 2017). Maar zelfs al mocht de Raad van State op het 2002-standpunt blijven staan, dan nog. Dat advies hoeft – ook als het gelijkluidend is met dat van 2002 – niet te worden gevolgd. Ik vrees dat daarmee de kous af zal zijn. Het wordt naar alle waarschijnlijkheid een politiek spel want in het parlement heeft de Wrr nauwelijks vrienden.

 

 

 

(N.B. een gedeelte van dit stuk publiceerde ik eerder op 9 oktober 2017 op deze website)

Posted in Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , | 2 Comments

Duominister: Van Dale woord van het jaar?

Wat een gekke brief van de Voorzitter van de Eerste Kamer aan premier Rutte, die brief van 24 oktober 2017 over de kabinetsformatie. De senaat vraagt zich hoe het toch eigenlijk kan dat, zoals de bedoeling is, drie ministeries ieder twee ministers aan het hoofd gaan krijgen (eigenlijk zelfs vier).

Staatsrechtelijk is van belang, zo weet de senaat in de brief, dat duidelijk is welke van de twee ministers in zo’n geval belast is met de leiding van het ministerie. Want artikel 44 van de Grondwet luidt toch immers:

Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

De tekst – ‘een minister’ – sluit feitelijk uit dat twee minister tegelijkertijd met de leiding van een hetzelfde ministerie worden belast, volgens de senaat. Wat gebeurt strijdt dus met de Grondwet.

??

Echt niet. Dit is een staaltje staatsrecht maken waar je bij staat.

Ten eerste staat staatsrechtelijk al decennia vast dat de regering, in goed overleg met het parlement, bepaalt welke ministeries er zullen zijn, hoe die worden ingericht en welke ministerposten en staatssecretariaten daarbij gaan horen. De Grondwet laat daar terecht zoveel mogelijk ruimte voor. Het tweede lid van artikel 44 Grondwet, dat het mogelijk maakt om ministers aan te stellen die niet zijn belast met de leiding van een ministerie, moet ook in die zin worden gezien. Het is een ruimte scheppende bepaling. Ook dat soort ministers mag worden benoemd. Je mag dat niet andersom lezen (zoals de senaat doet): hooguit één minister per ministerie en anders een ‘tweede lid minister’-zonder portefeuille. Dat zou het de facto onmogelijk maken om twee ministers gebruik te laten maken van (onderdelen van) één ambtelijk apparaat, door het gezamenlijk aan te sturen.. Waar ze die stellige staatsrechtelijke overtuigingen vandaan halen weet ik niet. Het vindt geen grond in de grondwetsgeschiedenis, de juris- of legisprudentie of de literatuur. Het is nieuw staatsrecht van senatoriale makelij, zo lijkt het.

Ten tweede: de letterknechterij van de senaat op de tekst van artikel 44 Grondwet slaat ook tekstueel de plank  mis. Het lidwoord ‘een’ in de zin ‘Zij staan onder leiding van een minister’ is geen numerieke of getalsaanduiding, maar een soort- of genusaanduiding. Je moet het lezen in de context van artikel 46 dat over de staatssecretarissen gaat, en artikel 48 Grondwet over de minister-president. Met ‘een minister’ wordt verwezen naar het soort ambt dat hier wordt bedoeld: minister (en niet een staatssecretaris). Zo wordt, om het een beetje dichter bij de Eerste Kamer te brengen, in artikel 57, tweede lid, van de Grondwet dat luidt dat:

2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer (…).

niet bedoeld dat van al die 225 leden van de Staten-Generaal er maar één niet die functies kan verenigen. Ook hier wordt de ‘soort’ lid van de Staten-Generaal bedoeld.

Ik begrijp dat de Eerste Kamer om zich op wil werpen als hoeder van de Grondwet, en ik snap ook dat ze een beetje stoom af willen blazen omdat ze er zo bij hangen bij de kabinetsformatie, maar dit….dit moesten ze maar niet meer doen. Dit  helpt niet.

Posted in Algemeen, Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , | Leave a comment

Hoe groot is de kans dat Rutte III de eindstreep haalt?

Grote coalitiekabinetten die steunen op vier of meer partijen in de Tweede (en de Eerste Kamer) zijn kwetsbaar. Zou je zo zeggen. Veel verschillen van inzicht en richting, veel potentiële twistpunten. Met vier partijen van verschillende signatuur achter zich en een minimale meerderheid in de Tweede Kamer (en Eerste Kamer) wordt het kabinet Rutte III zo op het eerste gezicht onder een slecht gesternte geboren. Voor de kansen dat Rutte III de hele rit van vier jaar uit zit wordt dan ook weinig gegeven. Dat de formatie zo lang heeft geduurd (een record in de parlementaire geschiedenis) is zelfs uit te leggen als een veeg teken.

Maar liggen die kansen ook werkelijk zo slecht? Niemand heeft natuurlijk een kristallen bol, maar je zou eens kunnen kijken naar de langjarige gemiddelden. Hoe lang zaten vierpartijenkabinetten (ongeveer) de afgelopen honderd jaar (als we voor het gemak even rekenen vanaf de introductie van het algemeen kiesrecht in 1919) gemiddeld? Op basis van die cijfers is er wellicht iets te zeggen over de gemiddelde overlevingskansen van verschillende kabinetstypen uit de periode 1919-2017.

Gemiddelde overlevingskans

We berekenen de overlevingskans op een hele grofmazige wijze. Een kabinet heeft, in onze berekening, een 100% overlevingskans als het 4 x 365 = 1460 dagen of meer zit (4 jaar is de gemiddelde periode tussen 2 reguliere verkiezingen – soms gaat het zelfs om meer dagen). De dagen die een kabinet zit, zetten we af tegen deze 1460 dagen en beschouwen dat als ‘de overlevingskans’. Helemaal klopt dat niet natuurlijk want kabinetten komen om een veelheid van redenen aan hun eind, en soms is al vooraf afgesproken dat een kabinet maar even aanblijft. Die nuances maken vergelijken onmogelijk en dat is toch juist wat we willen doen. En natuurlijk, de vergelijking gaat ook mank doordat in de vergelijking kabinetten uit hele andere tijden zijn betrokken met hele andere politieke, sociale en culturele randvoorwaarden en achtergronden. Een vergelijking van appels en peren, en eigenlijk ook nog eens tussen koolrapen en schorseneren… maar toch. We beginnen onze telling vanaf de introductie vanaf het (gedeeltelijk) algemeen kiesrecht in 1917 toen het moderne kiesstelsel werd geïntroduceerd op basis van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste kabinet kon nog niet bogen op vrouwenstem; die werd pas vanaf 1919 geïntroduceerd.

Dat brengt op de volgende totalen voor vierpartijenkabinetten:

Overlevingsduur vierpartijenkabinetten 1919-2017

naam periode soort Dagen/’Overleving’
De Jong 1967-1971 Meerderheidskabinet (4) 1553 dagen = 100% +
De Quay 1959-1963 Meerderheidskabinet (4) 1527 dagen = 100% +
Drees III 1956-1958 Meerderheidskabinet (4) 800 dagen = 54%
Drees II 1952-1956 Meerderheidskabinet (4) 1502 dagen = 100% +
Drees I 1951-1952 Meerderheidskabinet (4) 537 dagen = 36%
Drees-Van Schaik 1948-1951 Meerderheidskabinet (4) 950 dagen = 65%
Schermerhorn-Drees * 1945-1946 Meerderheidskabinet (4) 374 dagen = 25%
Colijn III (en II) 1933-1937 Meerderheidskabinet (4) 788 dagen = 53%
Colijn I 1925-1926 Meerderheidskabinet (4) 99 dagen = 0,6%
* Het kabinet Schermerhorn-Drees was een ‘noodkabinet’ dat net na de Tweede Wereldoorlog aantrad; er waren nog geen verkiezingen geweest – het werkte samen met een ‘noodparlement’.

Het gemiddelde en het vooruitzicht

Bij elkaar opgeteld zaten de negen vierpartijenkabinetten van na 1919, 8.130 dagen. We berekenen dat totaal op basis van het netto aantal dagen. Dat ligt soms boven de 1460 dagen van de vierjaarperiode, maar de berekening is zo wel het meest zuiver. Gemiddeld regeerden vierpartijenkabinetten vanaf 1919 dus 903,3 dagen. Daarmee komt de overlevingskans op een gemiddelde van 62%. En dat is lang niet gek. In de gehele periode tussen 1919 en 2017 ligt de overlevingskans van alle vormen van kabinetten zo rond de 63%. Cijfermatig bezien is er dus geen reden om aan te nemen dat de coalitie van Rutte III als vierpartijen kabinet wankeler is dan drie- of tweepartijenkabinetten van na 1919. Wel maakt de mini-meerderheid van 76 zetels het kabinet Rutte III  ‘kwetsbaar als porselein’ (De Volkskrant 10 oktober 2017)

Als het aanstaande kabinet op 26 oktober beëdigd wordt (verwachten we) dan zal Rutte waarschijnlijk, na een marathondebat, op donderdag 16 april 2020, zo rond een uur of elf ‘s avonds, aankondigen dat het kabinet zijn ontslag aanbiedt aan de koning. Dat op basis van meerjarige gemiddelden-verwachting. Zeker weten doen we dat natuurlijk niet: we kunnen er natuurlijk zomaar een paar dagen naast zitten.

 

Posted in Algemeen, Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

Wat gaat er gebeuren met de Wet raadgevend referendum?

Niemand kan in de toekomst kijken, maar het ziet er naar uit dat we een raadgevend referendum gaan krijgen over de onlangs gewijzigde Wet Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (sleepwet). De grens van 300.000 steunbetuigingen schijnt te zijn bereikt. Een referendum waarnaar door de formerende partijen niet reikhalzend wordt uit gezien, om het voorzichtig te stellen.

Een tweede referendum in twee jaar. Het instrument voorziet kennelijk in een behoefte, zou je kunnen zeggen.

Wat gaat er gebeuren?  Waarschijnlijk zullen we bij gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen (maart 2018) de vraag voorgelegd krijgen of met de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten de juiste balans is getroffen tussen de veiligheidsbelangen – behartigd via de operationele mogelijkheden van de veiligheidsdiensten – en de grondrechtelijke belangen van burgers en organisaties (privacy, vrijheid van informatievergaring en meningsuiting, e.d.). Een heel wat minder ingewikkeld vraagstuk dan de kluwen van vraagstukken die bij de goedkeuringswet van het EU-Oekraïne Associatieverdrag voorlag. Een controversieel vraagstuk ook waar heel verschillend over wordt gedacht, ook binnen partijen. Een goed onderwerp om eens te oefenen met het referendum; want referenderen moet we in Nederland echt nog leren.

(Zie daarover de Volkskrant, Referendum speeltje voor populisten? (26 november 2016)  en eerder de Volkskrant, Schaf referendum niet af wegens eigen falen (8 april 2016).

Er wordt inmiddels wel flink gespeculeerd. Kan de regering niet een referendum voorkomen door alsnog de Wet raadgevend referendum snel in te trekken? (Zoals de Kiesraad bij monde van een woordvoerder theoretisch mogelijk acht.) Of misschien snel de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten te wijzigen, zodat het onderwerp van het referendum wegvalt?

Nee. Dat kan niet. De Wet raadgevend referendum intrekken kan natuurlijk altijd, maar dan zal het raadgevende referendum over de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten toch gewoon afgehandeld worden onder de regels van de oude Wet raadgevend referendum. Je kunt niet tijdens de wedstrijd de goalpalen gaan verzetten. Wetten en ook de intrekking van wetten hebben – op grond van het rechtszekerheidsbeginsel  (een van de meest fundamentele beginselen van een rechtsstaat) – in beginsel geen terugwerkende kracht. Het snel wijzigen van de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten stuit op datzelfde rechtszekerheidsbeginsel. En dat dan nog los van de totale politieke chaos die zo’n manoeuvre zou veroorzaken en de smet die het op de betrouwbaarheid van de overheid zou werpen.  Zeker het snel wijzigen van de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten zou, als dat nog zou kunnen, vals spel zijn.

Maar wat dan met artikel 128 van de Wet raadgevend referendum (Wrr)? Dat artikel zegt tot dat de Wrr vervalt als de grondwetsherziening die voorziet in een correctief referendum in werking treedt? Ja, dat staat er zeker, maar die grondwetsherziening gaat er niet komen. En door het feit dat de wet met de grondwetsherziening tot een correctief referendum er niet komt (niet zal worden aangenomen), kan die ook niet in werking treden. En dat betekent dat ook de Wet raadgevend referendum niet automatisch gaat vervallen. De Wrr zal uit het juridische leven moeten worden getild door expliciete intrekking. Wellicht is het verstandig om daarmee – als dat al het plan is – even te wachten tot aan het referendum van maart 2018.

Voor wie het eens na wil lezen: hierbij de tekst artikel 128 Wet raadgevend referendum:

Artikel 128

 1 Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en vervalt op het tijdstip waarop de wet of wetten ter uitvoering van de in het voorstel tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van bepalingen inzake het correctief referendum, ingevoegde paragraaf 1A van hoofdstuk 5 van de Grondwet in werking treedt of treden

2 Ten aanzien van wetten waarvoor op het tijdstip van het vervallen van deze wet de termijn voor het indienen van een inleidend verzoek tot het houden van een referendum is ingegaan, blijft het bepaalde in deze wet ook na dat tijdstip van kracht

De nog belangrijker vraag is natuurlijk  nu:

Kan er een referendum komen over de intrekkingswet van de Wet raadgevend referendum?

Het  regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst van oktober 2017 stelt: ‘De Wet raadgevend referendum wordt ingetrokken.’ Zou je over de intrekking van de Wet raadgevend referendum nog een referendum kunnen houden? Heel waarschijnlijk niet.

Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat de intrekkingswet raadgevend referendum een uitgestelde inwerkingtredingsbepaling zou kennen, en dus niet onmiddellijk na bekendmaking inwerking treedt (onmiddellijke inwerkingtreding is de regel) lijkt dat niet voor de hand te liggen. Onze Grondwet bepaalt (art. 87) dat een wetsvoorstel een wet wordt nadat het is bekrachtigd door de regering. Dat gebeurt meestal onmiddellijk na het aannemen van het voorstel door de Eerste Kamer. Gebruikelijk is de wet daarop ook direct inwerking te laten treden (onmiddellijke inwerkingtreding, dus aansluitend op de bekendmaking van de wet met inachtneming van de termijnen van de Bekendmakingwet).. De regering, die kennelijk van de wet af wil, zal daar zeker op aan sturen.

Zo’n  normale inwerkingtredingstermijn zal op zich meestal te kort zijn om dan nog succesvol een referendum te kunnen lanceren. De Wet raadgevend referendum (Wrr) kent daarom termijnen (en ook beslissingen) die ervoor moeten zorgen dat referenda mogelijk blijven. De techniek is dat een wet niet eerder in werking kan treden dan op het laatste moment waarop nog om een referendum kan worden verzocht. Maar geldt dat nu ook voor de Wrr zelf, met name voor de intrekkingswet van de Wrr? Je zou kunnen zeggen van niet (ook als is de Wrr in de Wrr zelf niet uitgezonderd). Als de Wrr wordt ingetrokken, is daarvan de hele bedoeling natuurlijk dat er geen referendum meer kan worden gehouden. En eigenlijk is met een aangenomen intrekkingswet Wrr de wet die referenda mogelijk maakte weg. Aan de andere kant kan je volhouden dat ook (of wellicht juist) over de intrekking van de Wrr moet kunnen worden gereferendeerd.

Het precedent van de intrekking van de Tijdelijke referendumwet in 2004

De regering stelde zich in 2002 bij het voornemen tot intrekking van de Tijdelijke referendumwet (Trw), die tussen 1999 en 2004 gold, op het eerste standpunt. De intrekkingswet maakte het door de gehanteerde methodiek van uitzondering en inwerkingtredingstechniek onmogelijk om over de intrekkingswet van de Trw nog een referendum te organiseren.

Dat ging de Raad van State, die in 2002 adviseerde over het voorstel van de intrekkingswet (Kamerstukken II 2002/03, 28 739, A) Trw, té ver. De Raad oordeelde als volgt.

“Een inwerkingtredingsbepaling die de toepasselijkheid van de geldende Trw op de mogelijkheid van het indienen van een inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de intrekkingswet voor wil zijn, blijft dus een slag in de lucht. Na onherroepelijke toelating van zo’n inleidend verzoek vervalt ingevolge artikel 13 Trw hetgeen in de intrekkingswet over de inwerkingtreding ervan is geregeld. Enkel en alleen indien op de voet van artikel 16 Trw met een uitdrukkelijke verwijzing naar die bepaling wordt vastgesteld dat de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden, kan het wetsvoorstel zo worden opgezet dat het in werking treedt voordat gebruik gemaakt kan worden een referendum over de intrekkingswet te houden. Dan zou echter gemotiveerd moeten kunnen worden dat die inwerkingtreding geen uitstel kan lijden.”

Dus alleen als de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden, geen referendum over de intrekkingswet én het moet deugdelijk gemotiveerd. In die zin klopte het wat vanmorgen (11 oktober 2017) in de Volkskrant stond: De Raad van State vindt dat een referendum over de intrekkingswet mogelijk moet zijn. Tenminste…De tegenwoordige tijd loopt wat voor de troepen uit. Dat was wat de Raad van State vond in 2002 in het kader van de advisering over de intrekking van de Trw. Waarschijnlijk zullen ze dat ook in 2017 nog wel zo vinden, maar…het is alleszins waarschijnlijk dat de regering zal betogen dat het intrekkingsvoorstel van de Wrr uit 2017 geen uitstel duldt. En naar alle waarschijnlijkheid zal de regering net zo kort en politiek motiveren als de tweezinsverhandeling uit het regeerakkoord: de Wrr ‘heeft niet gebracht wat werd verwacht’. Einde oefening. Het advies van de Raad van State hoeft – ook als het gelijkluidend is met dat van 2002 – niet te worden gevolgd. Ik vrees dat daarmee de kous af zal zijn. Het wordt naar alle waarschijnlijkheid een politiek spel want in het parlement heeft de Wrr nauwelijks vrienden.

En overigens ben ik van mening dat, mocht er toch voor de chique oplossing worden gekozen – dus toch een mogelijkheid tot referendum over de intrekkingswet Wrr – dat dat dan zou moeten gebeuren via de overgangsrechtelijke techniek van de uitgestelde werking van de procedurebepalingen en niet via op termijn gezette inwerkingtreding.

 

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , | 1 Comment

Opluchting: Milieudefensie wint kort geding luchtkwaliteit

Dat is me nog eens een uitspraak van de Haagse kort geding rechter van vandaag (7 september 2017 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:10171). Milieudefensie spande halverwege 2016 al een bodemzaak aan om het getreuzel, gedraal en voortdurende uitstelcircus van de regering om te voldoen aan de EU luchtkwaliteitsnormen aan te pakken. Maar die zaak duurde maar aan mede doordat de Staat ook als procespartij traineerde. Verkiezingen, demissionair kabinet, ongelukkig moment, laatste metingen nog niet binnen, nu niet, volgend jaar misschien, verbeteringen zijn aanstaande etc. etc.

Maar dat gedraal en gedraai heeft een prijs. Iedere dag overlijden er mensen vanwege die slechte luchtwaliteit die maar niet opknapt omdat de regering doodleuk maatregelen blijft nemen die de luchtkwaliteit nog slechter (dreigen) te maken (bijvoorbeeld optrekken naar 130km grens). Daarom daagde Milieudefensie einde van de zomer 2017 de Staat in kort geding voor de rechter. Slim gekozen moment: juist nu wordt er door vier partijen onderhandeld over een nieuw kabinet.

De Haagse rechter heeft – zowel voor kenners als leken – een mooi vonnis gewezen. Een beetje een Salomonsoordeel, al zou je het niet direct zeggen. Vast staat, volgens de Haagse rechter, dat de Staat der Nederlanden al jaren niet voldoet aan de grenswaarden die zijn vastgelegd in de Richtlijn luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (2008/50/EG). Nederland heeft al keer op keer uitstel gekregen van Brussel om de fijnstof-grenswaarde (PM10-waarde) en de maximum waarde voor stikstof-uitstoot (NO2) te halen, maar zelfs de coulante uiterste deadlines van 2011 (PM10) en 2015 (NO2) zijn bij lange na niet gehaald.

Nederland wilde bovendien ook maar geen verplichtend luchtkwaliteitsplan opstellen – met harde en bindende eindtermen en concrete maatregelen  – zoals de Richtlijn uit 2008 verplicht,  maar kwam met een halfbakken en vrijblijvend Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Heel veel tekeningetjes, grafieken en wollige zinnen, maar weinig concrete maatregelen.  En het dateert alweer van 2009. Waar het kabinet vanaf 2012 bepaald niet in de weer was de luchtkwaliteit te verbeteren, werd het NSL doodleuk steeds verlengd – meer autor’s, meer industrie, 130km en veel meer uitstoot ten spijt.

En hier pakt de Haagse kort gedingrechter flink door. De juristen bij Milieudefensie deden hun huiswerk goed en wezen de Haagse rechter op strenge uitspraken van het Hof van Justitue tegen andere EU-landen die niet aan de richtlijn uit 2008 voldeden. Daarom kon de Haagse rechter al niet veel meer of minder doen dan de Staat in dit vonnis te gebieden binnen twee weken een echt bindend luchtkwaliteitsplan op te stellen (althans daarmee te beginnen). Een streep dus door dat verouderde uitstel-afstel-Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. En er moeten, volgens de Haagse rechter, als de donder acurate metingen gaan komen die de werkelijke PM10 en No2 overschrijdingen vastleggen; alle locaties met overschrijdingen moeten binnen twee weken worden geïdentificeerd.

En als klap op de vuurpijl: de kort gedingrechter verbiedt de Staat per onmiddellijk nog maatregelen te treffen die de luchtkwaliteit kunnen verslechteren. Dat is best vergaand. Geen nieuwe 130km-stukken meer.

Dit vonnis is weliswaar  enigszins activistisch, maar toch heel anders dan de Urgenda-uitspraak (ook uit het huis van de Haagse rechtbank overigens). Daar ging de rechter té ver door uit globale verdragsafspraken tussen staten over milieukwaliteit ineens door concretee rechten af te leiden die door burgers op te eisen zijn. Die Urgenda-uitspraak wordt waarschijnlijk in hoger beroep wel weer rechtgezet.

De uitspraak van vandaag kleurt wel precies binnen de juridische lijntjes. De Staat krijgt een flinke veeg uit de pan en de rechter geeft precies aan wat gedaan moet worden…maar wel een opdracht die direct uit de concrete en bindende verplichtingen van de Europese richtlijn voortvloeit. Zo vermijdt de Haagse kort gedingrechter op de stoel van de politiek gaat zitten. Een bevel tot wetgeving wordt evenmin gegeven. Dat mag de rechter in Nederland niet doen heeft de Hoge Raad in 2003 (Hoge Raad, 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462). Maar de overheid opdragen een bindend plan te maken…dat mag natuurlijk wel.

Een mooi vonnis: het lucht op.

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

Een minderheidskabinet – waarom niet?

Minderheidskabinet?

Er wordt de laatste dagen door informateur Edith Schippers af en toe waarschuwend gesproken over een ‘minderheidskabinet’ dat er aan zit te komen als de partijen betrokken in de informatieonderhandelingen niet willen bewegen. Ze brengt het een beetje als een doemscenario. Maar is het wel zo’n ramp op termijn? Dat kun je je afvragen. We hebben, net na de verkiezingen van maart 2017, 13 fracties in de Tweede Kamer waarvan er maar 2 meer dan 20 zetels hebben (VVD 33, PVV 20), 4 partijen tussen de 10 en 20 zetels CDA en D66 19, en Groen Links en SP 14), eentje met 9 zetels en 6 fracties met 5 of minder zetels (CU 5, Partij voor de dieren 5, 50plus 4, SGP 3, Denk 3, Forum voor de Democratie 2). Een sterk gefragmenteerd landschap waarin de puzzel voor een meerderheidskabinet bijna onmogelijk te leggen valt. De grootste partij heeft maar 22% van de stemmen, de op een na grootste 13%. Een rekenkundige nachtmerrie. Dat wordt alleen maar erger nu alle partijen een van de grotere partijen (PVV) uitsluiten. Het telt maar nooit eenvoudig op boven de 76. De situatie doet sterk denken aan die van het versplinterde politieke landschap van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Meerderheids- en minderheidskabinet

Eerst even iets over de terminologie. We noemen een kabinet een meerderheidskabinet als het kan rekenen op de – vooraf vaststaande – steun van een meerderheid van de Tweede Kamer. Is dat niet het geval dan wordt het kabinet aangeduid als een minderheidskabinet. Natuurlijk moet een kabinet om te kunnen functioneren ook steun krijgen van de Eerste Kamer. Echter zelfs als eens kabinet niet kan steunen op een vooraf vaststaande meerderheid in de Eerste Kamer dan nog noemen we zo’n kabinet toch nog een meerderheidskabinet. Het kabinet Rutte-II (2012-2017) was dus een gewoon meerderheidskabinet.

Er wordt ook nog wel onderscheiden naar interim- en rompkabinetten waarin een kabinet wegens een kabinetscrisis (ontstaan door wegvallend vertrouwen in een van de Kamers of interne conflicten) noodgedwongen even verder gaat als een ‘minderheidskabinet’ – bijvoorbeeld om ‘missionair’ een paar belangrijke zaken af te handelen tot aan nieuwe verkiezingen. Zo’n kabinet dat een bedrijfsongeluk heeft gehad onderweg noemen we daarmee nog geen minderheidskabinet. Die term is eigenlijk gereserveerd voor een kabinet dat vanaf de start – willens en wetens – geen meerderheid in de Tweede Kamer heeft. Toch wordt er in de wandeling ook dan bij zo’n rompkabinet ook wel eens gesproken van een minderheidskabinet.

Een enkele keer spreken we ook van extraparlementaire of zakenkabinetten om daarmee aan te geven dat veel of de meeste van de ministers niet uit de Kamer afkomstig zijn (dus ook niet verkozen zijn). Dat komt tegenwoordig eigenlijk niet meer voor.

Wat is er nu zo erg aan een minderheidskabinet?

Er zijn twee problemen met een minderheidskabinet. Ten eerste (en het meest belangrijke) is er het probleem van het té kleine draagvlak. Kort en goed: met een minderheidskabinet krijg je een landsbestuur dat niet de wil van de meerderheid van de kiezers vertegenwoordigt. Nu wordt de volkswil zelden onversneden uitgedrukt in de Nederlandse coalitiedemocratie, maar minderheidskabinet vertegenwoordigt niet echt. Vandaar ook dat de meeste minderheidskabinetten in onze parlementaire geschiedenis als een soort armoede-bod (niets anders lukte) en onder druk van de omstandigheden tot stand kwamen. Een tweede probleem van minderheidskabinetten is hun gebrekkige stabiliteit. Een minderheidskabinet kan door wisselende meerderheden die het tegenover zich vindt eenvoudig beentje worden gelicht en naar huis worden gestuurd. Minderheidskabinetten zijn heel gevoelig voor ‘politieke spelletjes’. Je zou zeggen dat het voordeel van een minderheidskabinet is dat ze net als meerderheidskabinetten die een regeerakkoord op hoofdlijnen hebben gesloten, veel ruimte laten voor debat met de Kamer (dualistische verhoudingen). In theorie komt zo’n constructie het debat met de Kamer ten goede – geen achterkamertjesgedoe. Maar dat is slechts de theorie. Een minderheidskabinet dat op niet meer dan een paar fracties steunt kan meestal ook niet rekenen op enige politieke loyaliteit van de meerderheid van de Tweede Kamer. Andere dan de coalitiefracties in de Kamer zullen geen verbondenheid voelen met het kabinet en het daarom zo kort als mogelijk in leven willen houden om zo weer nieuwe kansen te creëren bij volgende verkiezingen. Zeker in het snel wisselende politieke landschap en met de grote aantallen permanent zwevende kiezers zijn de kansen van een minderheidskabinet nu slecht. Een manier om die kansen te keren (als geen meerderheidskabinet mogelijk blijkt) is om een gedoogconstructie met een fractie buiten het kabinet af te spreken. Die ‘gedogende’ fractie steunt het kabinet dan op een groot aantal vooraf afgesproken dossier, maar kan op een of enkele andere terreinen de handen vrijhouden. Al levert een gedogende partner geen ministers of staatssecretarissen, het zit in bepaalde opzichten in een ideale positie: het hoeft zijn politieke ziel niet te verkopen (in een compromis) maar bestuurt wel mee. De PVV spinde er tussen 2010 en 2012 garen bij. Je bent er tegelijkertijd in en ook weer niet. Je hoeft in ieder geval minder vuile handen te maken.

Een gedoogconstructie (bijvoorbeeld van GroenLinks of een andere grote fractie) kan mogelijk het probleem van de instabiliteit van een minderheidskabinet (VVD, D66, CDA) ondervangen, maar het is de vraag of de huidige onderhandelaars er trek in hebben. De ervaring van 2010 is natuurlijk nog vers. En die was grotendeels niet goed.

Kansen van een minderheidskabinet

Zoals de formatieonderhandelingen er nu bij liggen, breekt de fase aan waarin gekozen moet worden tussen varianten van het minste kwaad. Hoe liggen de kansen van een minderheidskabinet? Hoe liggen de kansen van een coalitie met – heel – veel partners? Je zou daarvoor te rade kunnen gaan bij de parlementaire geschiedenis van de afgelopen honderd jaar. Het is niet voor het eerst dat we in Nederland geconfronteerd werden met een versplinterd politiek landschap. Is er wellicht iets te leren uit eerdere ervaringen?

We zetten hieronder de overlevingskansen minderheidskabinetten, afgezet tegen die van meerderheidskabinetten met 4 of meer partijen (die zijn namelijk ook altijd iets instabieler dan combinaties met 3 of minder partijen aan boord) eens op een rijtje. We berekenen de overlevingskans op een hele grofmazige wijze. Een kabinet heeft, in onze berekening, een 100% overlevingskans als het 4 x 365 = 1460 dagen of meer zit (4 jaar is de gemiddelde periode tussen 2 reguliere verkiezingen – soms gaat het zelfs om meer dagen). De dagen die een kabinet zit zetten we af tegen deze 1460 dagen en beschouwen dat als ‘de overlevingskans’. Helemaal klopt dat niet natuurlijk want kabinetten komen om een veelheid van redenen aan hun eind, en soms is al vooraf afgesproken dat een kabinet maar even aanblijft. Die nuances maken vergelijken onmogelijk en dat is toch juist wat we willen doen. En natuurlijk, de vergelijking gaat ook mank doordat in de vergelijking kabinetten uit hele andere tijden zijn betrokken met hele andere politieke, sociale en culturele randvoorwaarden en achtergronden. Een vergelijking van appels en peren, en eigenlijk ook nog eens tussen koolrapen en schorseneren… maar toch. We beginnen onze telling vanaf de introductie vanaf het (gedeeltelijk) algemeen kiesrecht in 1917 toen het moderne kiesstelsel werd geïntroduceerd op basis van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste kabinet kon nog niet bogen op vrouwenstem; dat werd pas vanaf 1919 geïntroduceerd.

Vergelijking minderheidskabinetten – grote coalities (4+ meerderheidskabinetten)

  1. de minderheidskabinetten
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Rutte I  2010-2012 parlementair minderheidskabinet, met gedoogconstructie 557 dagen = 38%
Balkenende III 2006-2007 minderheidskabinet (overgangskabinet) 230 dagen = 15%
Van Agt III 1982 minderheidskabinet (overgangskabinet)  159 dagen = 11%
Biesheuvel II 1972-1973 parlementair minderheidskabinet  275 dagen = 18%
Zijlstra i 1966-1967 minderheidskabinet (overgangskabinet) 133 dagen = 9%
Colijn V 1939 extraparlementair minderheidskabinet 2 dagen = 0,1%
De Geer I 1926-1929 extraparlementair interim-kabinet 1212 dagen = 83%
Ruijs de Beerenbrouck I 1918-1922 parlementair minderheidskabinet 1417 dagen = 97%

 

We hebben in de afgelopen honderd jaar dus maar liefst 8 ‘minderheidskabinetten’ gehad. Die laten een treurige gemiddelde overlevingskans van 21,7% zien. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de meeste van die minderheidskabinetten er niet op uit waren om de hele rit uit te zitten. De meesten dienden slechts voor kortere tijd in aanloop naar verkiezingen, maar moesten zodanig belangrijke zaken afhandelen dat ze het zich niet konden permitteren louter demissionair door te gaan. Maar toch: geen fijne overlevingskans.

Hoe ligt dat nu bij de grote coalities van 4 partijen of meer?

  1. Grote coalities (4 partijen of meer in het kabinet)
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Den Uyl 1973-1977 Meerderheidskabinet (5) 1683 dagen = 100% ++
Biesheuvel I 1971-1972 Meerderheidskabinet (5) 400 dagen = 27%
De Jong 1967-1971 Meerderheidskabinet (4) 1553 dagen = 100% +
De Quay 1959-1963 Meerderheidskabinet (4) 1527 dagen = 100% +
Drees III 1956-1958 Meerderheidskabinet (4) 800 dagen = 54%
Drees II 1952-1956 Meerderheidskabinet (4) 1502 dagen = 100% +
Drees I 1951-1952 Meerderheidskabinet (4) 537 dagen = 36%
Drees-Van Schaik 1948-1951 Meerderheidskabinet (4) 950 dagen = 65%
Schermerhorn-drees 1945-1946 Meerderheidskabinet (4) 374 dagen = 25%
De Geer II 1939-1940 Meerderheidskabinet (5) 390 dagen[1] = 26%
Colijn III (en II) 1933-1937 Meerderheidskabinet (4) 788 dagen = 53%
colijn I 1925-1926 Meerderheidskabinet (4) 99 dagen = 0,6%
 
 

Slotsom

We hebben in totaal 3 vijfpartijen-meerderheidscoalities gehad en 9 vierpartijen-meerderheidscoalities. Gemiddeld hebben die een ‘overlevingskans’ van 57% (niet heel slecht). Vierpartij-combinaties doen het zelfs heel goed (59% overlevingskans – al trekt Colijn I het gemiddelde wel heel fors omlaag). Vijfpartijen-kabinetten blijken niet eens zo wankel (51% overlevingskans) al hebben we daar wel erg weinig ervaring mee.

Alles is relatief trouwens als je deze overlevingscijfers afzet tegen de gemiddelde levensduur van kabinetten na WO II:

1945-1950 – gemiddelde zittingsduur 697 dagen = 47%

1950-1960 – gemiddelde zittingsduur 902 dagen = 61%

1960-1970 – gemiddelde zittingsduur 726 dagen = 49%

1970-1980 – gemiddelde zittingsduur 930 dagen = 63%

1980-1990 – gemiddelde zittingsduur 945 dagen = 64%

1990-2000 – gemiddelde zittingsduur 1446 dagen = 99%

2000-2010 – gemiddelde zittingsduur 751 dagen = 51%

De gemiddelde overlevingskans van een kabinet na WO II in Nederland ligt daarmee zo rond de 62%. Langjarig op net iets boven de 63%. En dat wijkt dan niet eens zo heel veel af van de overlevingskansen van grote coalitiekabinetten.

Concluderend: minderheidskabinetten hebben – met alle slagen die bij de vergelijking om de arm moeten worden gehouden – klaarblijkelijk veel kleinere overlevingskansen (21,7%) dan meerderheidskabinetten, zelfs veel beter dan van vier- of vijfpartijenkabinetten (57%). En dan nog iets. Hoe stabiel is een land waarin in de afgelopen 100 jaar een kabinet net iets meer dan 60% kans had de rit uit te zitten. Heeft dat wellicht met ons kiesstelsel te maken? Iets om eens over na te denken rond de viering van 100 jaar kiesrecht.

 

[1] Tot aan de Duitse inval mei 1940.

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , | 1 Comment

Proust lezen (A La Recherche du Temps Perdu)

Op 9 maart 2016 overleed Thérèse Cornips overleden. Goed vertalen is, volgens haar, eerst en vooral goed begrijpen, proeven en dan in de eigen taalcultuur omzetten. Helemaal aan het einde van dat proces komen eerst de zinnen en letters.

Goh wat was ze goed. Hertalen om te doen snappen.

PROUST LEZEN

Ik weet niet meer helemaal zeker hoe het kwam. Waarschijnlijk omdat op de middelbare school die ene Franse leraar (Malherbe) had gezegd dat dat boek te moeilijk was voor gewone luitjes. Waarmee het…

Bron: Proust lezen (A La Recherche du Temps Perdu)

Posted in Boeken, Persoonlijk, Uncategorized | Tagged , , , , , , , | Leave a comment