Nieuwe wetsvoorstel Tijdelijke maatregelen covid-19 nog steeds niet aan de maat

Wat vooraf ging

Het blijft hannesen met de juridische basis voor de corona-noodmaatregelen. Tot nu toe werkten we met noodverordeningen op basis van de Wet publieke gezondheid en de Wet veiligheidsregio’s. Daarvan werd al in april duidelijk je met een dergelijke constructie eigenlijk geen grondrechten als het huisrecht en de vrijheid van godsdienst kunt beperken, en dat die corona-noodmaatregelen ook een groot democratisch tekort kennen: geen volksvertegenwoordiger praat over de inhoud ervan mee en voor de vaststelling ervan valt ook niemand politiek verantwoordelijk te houden; het waren allemaal een-tweetjes tussen ministers en de voorzitters van veiligheidsregio’s (die hun opdrachten weer doorzetten aan burgemeesters).

Er moest dus wat gebeuren, vond bijvoorbeeld ook de Raad van State, maar de eerste poging daartoe, via een Ontwerp Tijdelijke maatregelen Covid-19, bracht van de regen in de drup. Dat Ontwerp was zo slecht dat de Raad van State adviseerde het niet zo naar de Kamer te sturen.[1] De verantwoordelijke minister, De Jonge, moest terug naar de tekentafel en een reactie schrijven op het advies van de Raad van State – uitleggen wat hij met het advies had gedaan.

Het nieuwe (aangepaste) wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 van 13 juli 2020 – de tweede poging tot een wetsvoorstel – zou een echte verbetering worden van Ontwerp van een aantal weken geleden, beloofde de Minister van VWS voor een aantal camera’s: het zou rekening houden met de kritiek die op het eerdere ontwerp was geuit. Ik zie daar helaas niet zo heel veel van terug.

Problemen met het voorstel

Het grote probleem van dit voorstel is dat het een machtigingswet is die een minister de volledige ruimte geeft met eigen, haast zelfstandig vastgestelde regelingen vergaande beperkingen aan het gedrag van burgers op te leggen. Beperkingen waarover het parlement inhoudelijk niet mee kan praten, en die ook niet geamendeerd kunnen worden (een grondwettelijk recht van het parlement als het gaat om belangrijke vrijheidsbeperkende maatregelen). Een ontwerpregeling toesturen aan het parlement even (een week) voordat die in werking treedt – zoals dit aangepaste voorstel Covid-19 voorstelt – zorgt er nog niet voor dat het parlement een kans krijgt zinvol inhoudelijk mee te praten over de aard en inhoud van de beperkingen. De Tweede Kamer heeft het nakijken. Zelfs al zou de Kamer een motie aannemen met de strekking dat ze liever niet zien dat het toegestuurde ontwerp voor een ministeriële coronamaatregel niet door zou gaan of zou worden aangepast dan hoeft de minister zich daar niets van aan te trekken. Dit wetsvoorstel covid-19 zegt dat hij zijn maatregel toch door kan zetten – een week na toezending aan de Kamers mag hij zijn regels in werking laten treden. Die zijn dan rechtsgeldig, ze verbinden, er kunnen boetes worden uitgedeeld. Daar kunnen de Kamers helemaal niks aan doen, zelfs al zouden ze een kritische motie aannemen. De Jonge doet voorkomen alsof met dit wetsvoorstel de Kamers bevoegdheid krijgen om mee te praten over de inhoud van ministeriële regels, maar niets is minder waar; ze krijgen helemaal niks – de grondwettelijke bevoegdheid tot amendement wordt ze via een machtigingsconstructie onthouden, en moties maken mochten ze de hele tijd al, ook over die noodverordeningen. Dat dat een volledig ineffectief middel is om de inhoud van regels bij te sturen weten ze bij VWS waarschijnlijk ook wel. Dit wetsvoorstel geeft de Kamers niet meer dan postbezorging, een reeks sigaren uit eigen doos en ontneemt het grondwettelijke amendementsrecht en de tijd en rust om ordentelijk en inhoudelijk te debatteren over de inhoud van heel ingrijpende maatregelen.

Het voorstel bevat veel té vergaande machtigingen voor ministeriële regelingen die ook – anders dan de toelichting zegt – niet stroken met de constitutionele regels die we in dit land kennen op het terrein van democratisch rechtsstatelijk wetgeven; regels die we in 150 jaar met elkaar hebben ingericht, die volgen uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, en regels die ook binden voor de Rijksdienst (via de zogenaamde Aanwijzingen voor de regelgeving). Die regels voor het wetgeven kennen als uitgangspunt het primaat van de wetgever,[2] of, in lekentermen, het uitgangspunt dat – als het gaat om het vaststellen van wetten en regels – het parlement daarbij het laatste woord heeft. Het voorstel covid-19 staat daar op veel punten haaks op en komt, net als het eerdere ontwerp, neer op een vorm van decretenbestuur. Het voorstel Covid-19 verhoudt zich slecht tot onze democratische rechtstatelijke uitgangspunten, regels en waarden.

Daarnaast is het voorstel te zeer volgens lijnen van een strikt bestuurlijke logica ingericht. Het geeft de ministers wel heel erg veel ruimte om voorzitters van de veiligheidsregio’s en burgemeesters aan te sturen. Ministers krijgen onder het stelsel van het voorstel van allerlei aanwijzings- en bevelsbevoegdheden om burgemeesters, organisaties en instellingen allerlei zaken op te dragen. Dat gaat voorbij aan de normale verhoudingen in ons decentrale bestel: burgemeesters en lokale bestuurders zijn geen trekpoppen van Den Haag. En dat moeten ze ook niet worden via deze Covid-19 wet.

De wet slaat op deze punten door en gaat veel verder dan nodig is. De minister van VWS wordt zowat alleen kapitein van Nederland, voor een duur van drie maanden, die trouwens telkens met drie maanden kan worden verlengd in geval van een virusuitbraak. En het is de regering die beslist of en wanneer dit hele draconische noodstelsel inwerking treedt (en ook over de duur). Zelfs na zes maanden kan die beslissen dat een nieuwe periode van noodbestuur nodig is die weer drie maanden (met verlengingsmogelijkheid) zou kunnen gaan duren. De verplichting uit de covid-19 wet om dat voornemen tot verlenging aan de Kamers te sturen, maakt dat niet anders – de regering heeft niet de instemming of goedkeuring van de Kamers nodig voor een verlenging.

Terecht dat de Raad van State kritisch was in zijn advies over het eerdere ontwerp. Maar met die kritiek is in dit voorstel (te) weinig gedaan. Aan wezenlijke kritiek van de Raad (té veel ruimte voor ministeriële regelingen, onduidelijkheden over ‘veilige afstand’, té draconische boetes met strafbladaantekening, etc.) wordt onvoldoende tegemoetgekomen. De wet is toch vooral een cosmetische verandering ten opzichte van het eerdere Ontwerp en probeert – hier en daar op een beetje doorzichtig manieren – via een verhullende termen de zaak te maskeren (een artikel dat over de mogelijkheid tot sluiting van publieke plaatsen gaat heeft ineens als titel ‘Openstelling van publieke plaatsen’ art. 58h). Maar dat kan niet verbloemen dat in de voorgestelde wet de maatregelen toch nog verder gaan dan nu onder het stelsel van de noodverordeningen het geval is. Zo kan de minister bijvoorbeeld op overtreding van voorschriften uit de ministeriële regelingen die hij onder deze wet kan stellen nog veel hogere boetes stellen dan nu het geval is (zie de lasten onder dwangsom van artikel 58u van het voorstel). En de justitiële aantekening in geval van een opgelegde coronaboete (zeg maar: ‘strafblad’) blijft, in weerwil van wat de Raad van State daarover opmerkte. Het enige wat verandert is dat de instanties die een Verklaring omtrent gedrag (VOG) moeten afgeven – nodig om voor bepaalde functies in aanmerking te kunnen komen – rekening kunnen gaan houden met karakter van die coronaboetes en over hun hart kunnen strijken en alsnog een VOG afgeven. Verplicht tot die mantel der liefde zijn ze niet, en voor overheidsberoepen in de sfeer van de handhaving en het toezicht komt er geen VOG voor mensen die een coronaboete en zo’n justitiële aantekening kregen.

Kortom: dit voorstel is nog lang niet goed en zeker ook niet in verhouding. Want, je kunt je in gemoede afvragen: is dat ministeriële regelgeweld uit dit covid-19 voorstel allemaal eigenlijk wel echt nodig? De eerste golf is opgevangen met een stelsel dat weliswaar niet helemaal goed functioneerde, maar waarvan toch niemand vol kan houden dat er te weinig bevoegdheden, te weinig mogelijkheden waren om in te grijpen. Waarom hebben we dan nu, na het hoogtepunt van de onverwachte crisis, ineens meer en vooral ingrijpender mogelijkheden en bevoegdheden voor de ministers, en eigenlijk hoofdzakelijk de minister van VWS nodig?

Ik ben daar (nog) niet van overtuigd.

Ook nog om een andere reden. Dit voorstel Covid-19 bevat namelijk zeker één verbetering ten opzichte van de vorige versie: de minister of enig ander kan niets meer regelen achter de voordeur van burgers; er zijn geen bevoegdheden voor wie dan ook om gedrag binnen woningen te regelen. Dat is, zo heet het, voortaan de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Dat klinkt geruststellend, maar is het dat ook? Ca. 80% van alle covid-19-besmettingen, weten we, vindt plaats binnen woningen – in de familiale of kennissensfeer. Waarom dan al dit ministeriële wapengeweld in de vorm van decreten, voor gedrag buiten woningen dat er in wezen niet zo heel veel toe doet; (luchthavens, havens en grenzen kunnen al gesloten worden op basis van de huidige wetgeving – daar heb je dit covid-19 voorstel niet voor nodig). Daarmee gaat dit voorstel veel te ver naar mijn smaak en is ook contraproductief in een vrij land vol verantwoordelijke, assertieve burgers die – juist in dit soort gevallen – graag via hun volksvertegenwoordigers meepraten over de regels die hun vrijheden beperken.

Hoe het beter zou kunnen? Heel eenvoudig. De Tweede Kamer zou in deze covid-19 machtigingswet een bekrachtigingsrecht moeten krijgen. Ministeriële regelingen, waarvan het ontwerp wordt toegestuurd aan de Kamers, moeten – voordat ze in werking kunnen treden – worden goedgekeurd/bekrachtigd door de Tweede Kamer (de Eerste Kamer lijkt me iets minder voor de hand liggen). Dat is een stelsel dat we allang kennen, ook in de Gemeentewet, waar op grond van artikel 176, noodverordeningen die burgemeesters af en toe moet af kondigen om wanordelijkheden (voetbalrellen, vrees voor wanordelijkheden bij bezoek buitenlandse staatshoofden of ministers, etc.) te voorkomen. Dat stelsel werkt prima, laat het laatste woord bij de volksvertegenwoordiging, en scherpt de burgemeester in dat hij zich goed moet verstaan met de gemeenteraad alvorens dit soort ingrijpende beslissingen te nemen. Dé oplossing die het midden houdt tussen gewenste slagvaardigheid en democratisch besturen.

Korte toelichting aan de hand van de artikelen uit het voorstel

Waarom ‘decretenbestuur’?

  1. Ten eerste omdat de minister (samen met de ministerraad waarschijnlijk) zelf bepaalt wanneer dit hoofdstuk van toepassing is (slechts toegepast voorzover die toepassing noodzakelijk is (en evenredig aan het doe) – dit alles te bepalen door….de minister) – zie artikel 58b van de wet.
  2. Ten tweede regelt de minister bijna alles zelf (in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad – samen met de minister die het aangaat) – het is een machtigingswet.
  3. Het probleem van zulk decretenbestuur op basis van een machtigingswet, zoals we dat ook al kenden van het eerdere Ontwerp, is dat het parlement de zeggingsmacht over de inhoud van regels uit handen geeft, en ook niks meer te zeggen heeft over de werkingsduur van die noodmaatregelen; alles kan worden geregeld per ministeriële regeling. Dat strijdt met de eigen huisregels van de overheid over wetgeven (in die huisregels zijn de basisprincipes over wetgeven in onze democratische rechtsstaat verwerkt) – de Aanwijzingen voor de regelgeving (Awr 2.24). In het nader rapport wordt daarmee een spelletje gespeeld. De Raad van State zou hebben gezegd dat regelen via ministeriële regels zou zijn toegestaan (p. 8 van het nader rapport), maar dat is niet wat de Raad heeft gezegd. De Raad heeft alleen gezegd dat bepaalde grondrechtenbeperkingen ook – in bepaalde gevallen – via ministeriële regels zouden kunnen. De Raad is juist heel kritisch op het gebruik van ministeriële regels (p. 9 e.v. van het advies van 17 juni 2020) en vindt het voorstel op dit punt – in de beleefde, diplomatieke termen die de Raad altijd bezigt – ‘niet optimaal’.
  4. Het betrekken van het parlement bij de ministeriële regelingen, zoals het huidige voorstel Covid-19 nu voorziet (art. 58c, tweede lid) verhelpt het euvel van de te kleine betrokkenheid van het parlement niet. Het toesturen van het ontwerp aan de Kamers (‘voorhangen’) een week te voor is een beetje een wassen neus (en ook een overvaltechniek) omdat:
  • de Tweede Kamer zo’n ontwerp niet mag amenderen (een grondwettelijk recht van de Tweede Kamer bij gewone wetsvoorstellen);
  • de Raad van State er niet over wordt gehoord;
  • het best lastig is voor de Kamer om over zo’n toegestuurd ontwerp inhoudelijk goed te vergaderen (van voorbereiding zal het niet komen. De manier waarop de Kamer zijn vergaderingen agendeert geeft in dit soort situaties de oppositie weinig kans om buiten de normale vergaderorde zaken betreffende die toegestuurde ontwerpen-ministeriële regelingen te bespreken – het zal noodzakelijk een beetje zoals ingekomen post moeten worden behandeld).
  • wat de Kamer er ook van vindt, de regels worden vastgesteld en treden in werking een week na de toezending.

5. Als gezegd, een minister mag in ons democratisch rechtsstatelijke stelsel eigenlijk nooit zelfstandig de regels maken die vrijheden beperken of over belangrijke zaken gaan – volksvertegenwoordigers moeten inhoudelijk altijd mee kunnen praten (en amenderen) bij regels over wezenlijke dingen, zegt ook de Grondwet. In dit voorstel mogen ministers wel degelijk zelfstandig zaken regelen die over wezenlijke zaken gaan. In ons stelsel mag een ministeriële regeling alleen administratieve details, of zeer tijdelijke, spoedeisende zaken van gering gewicht regelen (artikel 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving – een regel die uitwerking geeft aan jurisprudentie van de Hoge Raad van de afgelopen 150 jaar). In een ministeriële regeling mogen nooit zaken worden geregeld die de vrijheden van burgers ingrijpend beperken.

Het huidige wetsvoorstel gaat daaraan voorbij:

Een minister kan via een ministeriële regeling onder het voorstel, o.a.:

  • plaatsen aanwijzen waar groepsvorming niet is toegestaan (dat gaf nu al veel onduidelijkheid), minister bepaalt hoeveel personen (art. 58f).
  • Sluiten publieke plaatsen (art. 58h) – heet ‘openstelling publieke plaatsen’).
  • Evenementen verbieden (art. 58i).
  • Aanwijzingen en ministeriële regels voor zorgaanbieders en zorglocaties (art. 58o).
  • Beperkingen openbaar/personenvervoer (art. 58p).
  • Onderwijsinstellingen sluiten (art. 58q).
  • Kinderopvanglocaties sluiten (art. 58r).
  • Regels stellen over zorginstellingen (art. 58o).
  • Personenvervoer beperken (art. 58p)
  • Burgmeester opdragen informatie te verstrekken (art. 58t).
  • Overige regels (dat is een hele grote categorie) over verplichte beschermingsmiddelen, uitoefening van beroepen, voor publiek toegankelijke ‘voorzieningen’ stellen (art. 58j).

Dat strijdt met ons uitgangspunt van democratisch regelgeven – ook wel technisch genoemd: het primaat van de wetgever. Een regel die er op neerkomt dat het parlement bij vrijheidsbeperkende of belangrijke regels het laatste woord heeft.

6. Het wetsvoorstel gaat ook verder dan nodig is en bevat ook verslechteringen ten opzichte van het huidige stelsel van noodverordeningen. De minister kan bijvoorbeeld veel hogere boetes (last onder dwangsommen) op gaan leggen dan nu kan (nu is de techniek dat wie een noodverordening overtreedt daarvoor een strafrechtelijke boete kan krijgen) – art. 58u) en het stelsel van de strafbladaantekening blijft, al kan je – met een coronaboete op zak – straks  wellicht nog een Vog (Verklaring omtrent gedrag) krijgen (zie hierboven). Maar of dat nu zo’n vooruitgang is als de aantekening blijft is maar de vraag.

7. Art. 58s is misschien de bepaling om je het meest zorgen over te maken: de vangnetbepaling. Als zich een omstandigheid voordoet waarin de maatregelen volgens deze wet niet toereikend zijn (naar het oordeel van de minister), dan kan de minister alsnog alle maatregelen treffen die hij noodzakelijk acht. Dat is een werkelijke carte blanche. Wel moet de minister dit soort maatregelen publiceren in de Staatscourant (moest volgens mij sowieso al bij dit soort regels) en werken aan een wettelijke regeling (eigenlijk een nieuwe spoedwet) die als voorstel dan binnen twee weken wordt voorgelegd aan de Kamers. Maar dat is wel een erg open einde. Want als dat voorstel geen wet wordt (doordat het niet wordt aangenomen door Eerste en Tweede Kamer) dan heeft de minister nog een week tijd om de eigen regeling in te trekken. Die heeft dan de hele tijd wel gegolden en ook boetes die worden opgelegd zullen – zelfs als ziet de Kamer de regeling niet zitten – moeten worden betaald. Ook kan de regering de behandeling van zo’n wetsvoorstel traineren, althans langer laten duren dan nodig is. Al die tijd gelden dan de maatregelen.

8. En daar komt dan nog het tweede lid van art. 58s bij: als het een minister niet lukt om een ontwerp tijdig naar de Kamer te sturen (vanwege tijd die ontbreekt) dan kan hij die regeling toch gewoon vaststellen en inwerking laten treden (en uit laten voeren door de voorzitters van de veiligheidsregio’s).

Waarom is dit een ‘bestuurscentrische’ wet?

9. Alles draait in deze wet om ministers-ministerraad-voorzitter veiligheidsregio’s en burgemeester – deze wet maakt het democratische tekort van de ingrijpende covid-maatregelen tot uitgangspunt van de structuur. Waarom kan een parlement of gemeenteraad hier niet over meedenken?

10. De minister kan samen of apart van de burgemeester allerlei bevelen geven (bij besloten plaatsen bijvoorbeeld 58i, vierde lid), de minister kan burgemeesters ook aan gaan sturen als waren het ambtenaren op zijn departement. Dat is als gezegd geen goed idee in een decentrale eenheidsstaat.

Burgemeesters aan de leiband van de minister worden veel belangrijker in het wetsvoorstel Covid-19. Ze krijgen ook van allerlei nieuwe taken en verantwoordelijkheden. Burgemeesters moeten bijvoorbeeld de hand gaan houden in de maatregelen (art. 58m) op openbare plaatsen. Hoe verhoudt zich dat tot de veiligheidsregio’s? Lastig. Burgemeester worden ook veel meer in stelling gebracht – die mag ontheffingen gaan verlenen, bevelen geven. Allemaal onder directie van de minister. Kunnen burgemeesters dit aan? Ik weet het echt niet, maar burgemeesters als zetbaas van Den Haag in te schakelen brengt ze in allerlei lastige posities.

11. Afrondend: niemand betwijfelt het nut of de noodzaak om met noodmaatregelen snel tegen epidemieën op te kunnen treden, maar dit wetsvoorstel gaat té ver en plaatst ons voor een faustiaans dilemma. En dat moeten we niet willen: onze democratisch rechtsstatelijke ziel is niet, is nooit te koop.

Noten

[1] Het dictum van het advies luidt: ‘De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.’ Advies van de Raad van State over het voorstel Wet tijdelijke maatregelen covid-19 van 17 juni 2020, W13.20.0180/III, p. 23.

[2] Neergelegd in Aanwijzing 2.19: ‘Bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer.’

En uitgewerkt in Aanwijzing 2.24 voor waar het betreft de ruimte die ministers toekomt bij het maken van regels. Die Aanwijzing luidt: ‘1. Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld. 2. Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister is ook toegestaan indien het gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard. Deze Aanwijzingen voor de regelgeving zijn bindend voor iedereen die werkt in de Rijksdienst, ministers, ambtenaren en iedereen die onder hun gezag valt.’

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , , , | 12 Comments

Als je de Kamer 26 keer in 9 jaar niet of onvoldoende informeert: is dat dan een patroon?

Een vreemd advies

Waarom? Dat is het eerste wat je je afvraagt als je het recente, ongevraagde advies Raad van State van 15 juni 2020 (No. W04.20.0135/I) over ministeriële verantwoordelijkheid leest. Midden in crisistijd, aan het einde van de looptijd van het kabinet. Wat wil de Raad, ongevraagd en al, hier bereiken?

In het advies maakt de Raad zich zorgen over de toenemende verruwing van de verhoudingen tussen Kamerleden, kabinet en ambtenaren. Niet alleen zijn de spelregels voor het noodzakelijke samenspel op de achtergrond geraakt, volgens de Raad, maar er zijn ook geleidelijk verschillende opvattingen over het samenspel ontstaan.Zitting Raad van State 3 december 2019 - Windpark Koningspleij

Al doet het advies nog zo zijn best een op het oog evenwichtige analyse te geven, er wordt stevig partij getrokken voor bewindspersonen en ambtenaren. De schuld voor de verruwing wordt zonder al te veel reserve bij de Tweede Kamer gelegd, die zich veel te veel door de waan van de dag en incidentenpolitiek zou laten leiden. En het rapport gaat, heel bijzonder, keer op keer pal staan voor ambtenaren. Die moeten vooral beschermd worden door hun ministers, de Kamers moeten van ambtenaren afblijven. Dat is zeker in beginsel zo, maar het wordt tot een soort mantra in het advies. Keer op keer weer. Waarom?

Het advies staat sterk in de sleutel van een gouvernementele, bestuurlijke logica. Want aan de vraag of misschien het steeds sterker geworden bestuur, de regering, met zijn machtige informatiepositie, de Kamers juist in een positie heeft gebracht waarin die veroordeeld zijn tot incidentenpolitiek, omdat ze gewoonweg de informatie, noch de mogelijkheden krijgen systematisch en effectief mee te denken over regeringsbeleid en dat ook te controleren, komt in het advies eigenlijk niet aan de orde. Ook niet dat mogelijk de eigenlijke schuld van het gebrekkiger gaan functioneren van de as regering-parlement van de afgelopen tien jaar gezocht moet worden in de torenhoge sturings- en veranderingsambities van de overheid, met daarbij de onmogelijke opgave om die uit te voeren, en de ‘managerial’ aanpak van het overheidsbestuur. Het komt nauwelijks aan de orde. En dat de Kamer in zo’n situatie van steeds groter wordende (informatie)achterstand op de kabinetsagenda dan harder gaat roepen, via incidenten probeert aan te klampen op wat er gaande is, en af en toe ook eens in gesprek wil met de verandermanagers op de departementen die vaak meer weten dan een minister of staatssecretaris (en die zelfs wel eens aan willen spreken), is toch niet zo gek?

Venijnig eind aan tweedaags debat over compensatiewet ...De Raad doet voorkomen dat hij een objectieve, door feiten gestaafde analyse geeft, maar dat blijkt bij doorlezen toch niet altijd het geval. Er zitten, juist op cruciale punten echt overtuigingen in.

Een voorbeeld. Heeft de Raad gelijk op pagina 34 van het advies als hij stelt?:

‘De overheid blijkt daardoor vaak niet of maar moeizaam te voldoen aan de sterkere roep om openbaarheid vanuit de samenleving en vanuit het parlement. Het naar boven halen en selecteren van de relevante informatie kost daarbij ook tijd, geld en menskracht. Vaak wordt er te gemakkelijk van uitgegaan dat informatie te allen tijde en onmiddellijk beschikbaar kan zijn. De werkelijkheid is gecompliceerder.

Dat neemt niet weg dat in bepaalde gevallen signalen die door burgers, journalisten en Kamerleden worden aangedragen eerst lange tijd door bewindslieden worden ontkend of onderschat terwijl later blijkt dat die signalen wel degelijk juist waren. In de beeldvorming lijkt dat vaak het gevolg te zijn van een structureel patroon van achterhouden en verdraaiingen van de feiten. Dat zou incidenteel voor kunnen komen maar voor een structureel patroon bestaat geen bewijs.

Volgens de Raad bestaat er geen cultuur van toe- of afdekken en valt het allemaal wel mee: geen bewijs voor een structureel patroon, meer beeldvorming. Dat is wel een vreemde aanname, met een ‘bewijs’ uit het ongerijmde van de Raad, die voor deze stelling zelf geen ander bewijs dan de eigen indruk geeft; eigen beeldvorming, zeg maar.Omtzigt (CDA): 'Wil van Rutte horen dat de Kamer recht heeft op ...

Wie ook maar eventjes de moeite neemt om aan de hand van krantenberichten van de afgelopen 7 jaar te kijken wanneer er ‘incidenten’ waren waarbij de regering de Kamer niet, of onjuist de Tweede Kamer informeerde die komt al snel tot het volgende lijstje.

(G)een patroon van toe- en afdekken 2011-2020?

In de volgende gevallen gaven bewindspersonen de afgelopen 9 jaar, in discussie met de Kamers, toe dat de Kamer niet, onjuist of onvolledig was geïnformeerd – in één enkel geval is er nog niet zo’n discussie geweest.

  1. 2011 Minister Edith Schippers betreurt het dat zij in de Tweede Kamer stelde dat er nog geen evaluatie was van het aantal mensen dat zijn zorgpremie niet betaalt. Dat rapport bleek al wel bij ambtenaren op haar ministerie bekend te zijn, liet ze in september 2011 weten. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/schippers-betreurt-onjuist-informeren-kamer~bd3cdeb8/
  2. 2011 (Oud-) minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Donner geeft (in 2014) toe dat hij de Kamer niet heeft geïnformeerd over problemen bij wooncorporatie Vestia. https://www.trouw.nl/nieuws/donner-informeerde-kamer-niet-omdat-hij-vreesde-voor-schade-vestia~be3fea64/ Hij maakt het wel heel bont en zegt tijdens de verhoren van de Parlementaire enquêtecommissie woningcorporaties (op 7 juli 2014): “Het feit dat er een probleem is, is geen reden om de Kamer in te lichten. De Kamer wil niet alleen horen dat er een probleem is, maar ook wat ik eraan ga doen.(…) Dat is staatsrecht.” Althans volgens Donner dan, want in het echte staatsrecht is er geen enkele steun te vinden voor de doctrine dat de Kamer louter ‘on a need to know basis’ behoeft te worden geïnformeerd. Dat staat zelfs haaks op de artikel 68 Gw-doctrine die we in Nederland hanteren. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28362-2.html
  3. 2012 Minister Hans Hillen geeft toe de Kamer als Minister van Defensie (2010-2012) de Kamer onvolledig te hebben geïnformeerd https://www.trouw.nl/nieuws/hillen-hield-als-minister-informatie-achter-voor-de-kamer~be7842e9/
  4. 2013 Rapport Commissie de Wit – overname/redding Fortis. ABN/Amro, ING (over de periode 2008-2009) De toenmalige minister van Financiën Wouter Bos heeft de Kamer niet op tijd en/of niet volledig heeft geïnformeerd. Daardoor is de controlerende taak van de Kamer belemmerd. ‘De Kamer is bij de crisismaatregelen in vrijwel alle gevallen pas achteraf door de minister geïnformeerd.’ https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/conclusies-de-wit-kamer-onvolledig-geinformeerd-grote-fouten-bij-overname-abn-gebrekkig-toezicht~b30b3e7ab/
  5. 2013 Staatssecretaris van Financiën, Frans Weekers heeft de Tweede Kamer onvolledig en deels onjuist geïnformeerd in de discussie over de motorrijtuigenbelasting-vrijstelling voor oldtimers. https://www.nu.nl/auto/3586511/weekers-heeft-kamer-onvolledig-geinformeerd-oldtimers.html
  6. 2013 Staatssecretaris Frans Weekers, van Financiën houdt informatie achter over Bulgarenfraude https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/weekers-hield-rapport-over-toeslagenfraude-achter~b5929772/ en en – na nog meer slecht nieuws over toeslagenbetaling bij de belastingdienst – treedt hij vervolgens af op 30 januari 2014.
  7. 2013 Minister Stef Blok van Wonen en Rijksdienst houdt een rapport uit 2011 achter dat gaat over de effecten van huurverhogingen. In het stuk staat dat de vraag naar sociale huurwoningen inzakt als de huren snel worden verhoogd. Het ministerie zou wel op de hoogte zijn geweest van het rapport, maar Blok repte er niet over toen er tijdens debatten naar werd gevraagd.
  8. 2014 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Ronald Plasterk, informeert te laat en op een bijzondere manier de Kamer over betrokkenheid van Nederlandse inlichtingendiensten bij verzameling metadata van telefoongesprekken https://eenvandaag.avrotros.nl/item/plasterk-en-hennis-op-hoop-van-zegen/
  9. 2015 Bonnetjesaffaire Minister Veiligheid en Justitie, Ivo Opstelten – De Kamer blijkt niet, of tenminste onvolledig te zijn geïnformeerd over een bedrag bij een in 2001 door Fred Teeven (inmiddels staatssecretaris Veiligheid en Justitie) als officier van Justitie gesloten deal met een crimineel (Cees H). Minister Ivo Opstelten van V&J en staatssecretaris Teeven (eveneens V&J) bieden daarop hun ontslag aan (9 maart 2015).
  10. 2015 Minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem geeft toe dat hij de Kamer over een aspect van het drama rond de hogesnelheidstrein Fyra beter had kunnen informeren. Geen van de bewindspersonen die het Fyra-dossier in hun portefeuille hadden, informeerden de Tweede Kamer op tijd, volledig en juist, constateerde de enquêtecommissie. https://www.tweedekamer.nl/kamerleden-en-commissies/commissies/parlementaire-enquetecommissie-fyra/rapport Staatssecretaris Wilma Mansveld van Infrastructuur en Milieu stapt op naar aanleiding van een kritisch rapport van de parlementaire enquêtecommissie Fyra – biedt haar ontslag aan (28 oktober 2015).
  11. 2015 Minister van Veiligheid en Justitie, Ard van der Steur biedt begin oktober 2015 aan de Tweede Kamer zijn excuses aan voor de Kamer verkeerd informeren over de totstandkoming van een foto van Volkert van der Graaf, de voorwaardelijk vrijgelaten moordenaar van Pim Fortuyn. https://nos.nl/liveblog/2060573-kamerdebat-over-foto-van-der-graaf.html
  12. 2016 Minister van Veiligheid en Justitie, Ard van der Steur, stuurt een onvolledig rapport toe aan de Kamer – met in de bijlagen veel weggelakte zaken – over uitspraken van pathaloog-Anatoom George Maat die in het kader van het vertrouwelijke MH-17 onderzoek zijn mond tijdens een publieke lezing voorbij zou hebben gepraat. Het politierapport waarin werd geconcludeerd dat de lezing niet in deze vorm en voor dit publiek gehouden had mogen worden, werd door Van der Steur naar de Tweede Kamer gestuurd, maar de bijlagen waren ter bescherming van de privacy van de betrokken personen die aan het onderzoek hadden meegewerkt zwartgelakt. Van der Steur gaf aan in het vervolg zorg te zullen dragen voor een betere informatievoorziening aan de Tweede Kamer door dergelijke rapporten vertrouwelijk aan de Kamer ter beschikking te stellen.
  13. 2016 Minister van Veiligheid en Justitie, Ard van der Steur komt weer in politieke moeilijkheden over de Teevendeal omdat (wederom) een sterk vermoeden ontstaat dat het parlement nog steeds onjuist is geïnformeerd over de overeenkomst in 2001 van het Openbaar Ministerie met crimineel Cees H. Er zou een ambtelijke opdracht gegeven zijn het bewijs van de afrekening (“het bonnetje”) niet te vinden, terwijl Ivo Opstelten had aangegeven dat het afschrift onvindbaar was en er ook geen back-upsysteem meer bestond. Van der Steur riep hierop de “Onderzoekscommissie ontnemingsschikking”, die in december 2015 haar bevindingen had gepresenteerd, opnieuw in het leven. Dit keer zou die vragen beantwoorden die door voorzitter Marten Oosting zelf waren geformuleerd. Het rapport Oosting II uit 2016 met de reconstructie blijft zonder gevolgen voor Van der Steur, maar als in januari 2017 Nieuwsuur-verslaggever Bas Haan een e-mail uit maart 2015 onthult, waaruit blijkt dat Van der Steur als Kamerlid wist van de bedragen in de Teevendeal, legt een deel van de Tweede Kamer dat wederom uit als onjuist en onvolledig informeren van de Kamer. Volgens de oppositie blijkt uit de e-mail van 2015 tevens dat hij aan toenmalig minister Opstelten adviseerde deze bedragen niet kenbaar te maken aan de Tweede Kamer. Van der Steur biedt daarop zijn ontslag aan (26 januari 2017). Al betreft het een belangrijke zaak de Minister bekent niet zelf met zoveel woorden dat hij de Kamer onvolledig of onjuist heeft geïnformeerd. Echter het aftreden zelf houdt rechtstreeks verband met de informatie-incidenten – vandaar dat het hier ook wordt vermeld.
  14. 2017 WODC-affaire. Minister van Justitie en Veiligheid, Ferd Grapperhaus komt in zwaar weer als Nieuwsuur, naar aanleiding van signalen van een klokkenluider, het nieuws brengt dat er ambtelijke druk is geweest op inhoud van WODC-rapporten – het Wetenschappelijke Onderzoeks- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De Kamer, voor wie de rapporten vaak de basis voor besluitvorming zijn, wordt met deze praktijk op het verkeerde been gezet: niet kloppende of bewerkte WODC-rapporten geven de Kamers onjuiste/onvolledige informatie. Zie: https://www.nrc.nl/nieuws/2017/12/07/manipulatie-onderzoek-is-gebruikelijk-a1584200 later https://www.ad.nl/politiek/wodc-top-nam-klokkenluider-niet-serieus-directeur-vertrekt~af7035e3/.
  15. 2018 Premier Rutte laat mogelijke ambtelijke memo’s over afschaffing van de dividendbelasting buiten het informatiedossier kabinetsformatie, waardoor voor de Kamers dit element van de kabinetsformatie niet natrekbaar wordt.
  16. 2018 NLA-dossiers. Ministerie van Buitenlandse Zaken, Stef Blok komt via een reeks informatie-incidenten in zwaar weer – Nieuwsuur/Trouw onthullen dat er in tegenstelling tot de afspraken (alleen Non Lethal Assistance), subsidie naar strijdgroepen Syrië die juist wel militair kan worden ingezet. De Kamer wordt daar heel haperend over ingelicht, waarbij informatie die voor de journalisten wel beschikbaar is, vanwege de noodzaak tot geheimhouding, niet wordt gedeeld met de Kamers. https://www.trouw.nl/nieuws/staatsgeheimen-over-nederlandse-steun-aan-syrische-rebellen-zijn-per-ongeluk-onthuld~b5639f66/.
  17. 2019 Wilders affaire – Minister van Justitie en Veiligheid, Ferd Grapperhaus, wordt in verlegenheid gebracht over communicatie tussen het Ministerie J&V en OM over vervolging Wilders – de Kamer blijkt hierover niet te zijn geïnformeerd. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/ambtelijke-bemoeienis-met-wildersproces-brengt-grapperhaus-in-politieke-verlegenheid~bd3cad82/
  18. 2019 Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Mark Harbers informeert de Tweede Kamer onjuist over de misdaadcijfers onder asielzoekers – en biedt zijn ontslag aan (21 mei 2019). https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/harbers-stapt-op-als-staatssecretaris-na-geblunder-met-misdaadcijfers-asielzoekers~b27ce323/.
  19. 2019 Staatsecretaris van Financiën, Menno Snel informeert de Kamer keer op keer onvolledig en onjuist in 2018 en 2019 over Toeslagenaffaire bij Belastingdienst https://www.parool.nl/nederland/staatssecretaris-snel-treedt-af-na-toeslagenaffaire~b4c7092c/. En biedt uiteindelijk op 18 december 2019 zijn ontslag aan.
  20. 2019 Staatssecretaris van Defensie, Ank Bijleveld informeert de Kamer onjuist en onvolledig over het aantal burgerdoden Irak bij het Nederlandse bombardement op Hawija (blijkt in 2020). https://www.nrc.nl/nieuws/2020/03/24/bijleveld-informeerde-kamer-onjuist-over-de-70-doden-van-hawija-a3994731
  21. 2019 Minister-president, Mark Rutte heeft de Kamer onjuist geïnformeerd over een historische kunstverkoop door het Koninklijk Huis (blijkt na Kamervragen – december 2019) https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2019Z26064.odt
  22. 2020 De Staatssecretarissen van Financiën Hans Vijlbrief en Alexandra van Huffelen (maar dan met name hun voorganger) hebben de Kamers onjuist/niet geïnformeerd over het bestaan van (en het werken met) zwarte lijsten bij Belastingdienst. https://www.nrc.nl/nieuws/2020/03/04/toeslagen-al-lang-niet-meer-het-enige-probleem-voor-nieuwe-staatssecretarissen-a3992670
  23. 2020 (Wederom) de Staatssecretarissen van Financiën Hans Vijlbrief en Alexandra van Huffelen Onjuiste informatieverstrekking door de Belastingdienst aan de Nationale ombudsman, waardoor het ook voor de Kamer heel lastig wordt zich een goed beeld te vormen. file:///D:/Users/gebruiker/Downloads/onjuiste-informatieverstrekking-door-de-belastingdienst-aan-de-nationale-ombudsman.pdf
  24. 2020 Ministerie van Defensie, Ank Bijleveld. Onwelgevallige informatie over Kunduz missie blijkt voor de Kamer te zijn verzwegen. https://www.trouw.nl/politiek/zo-goed-ging-het-in-kunduz-niet~b0bebf0c/ Nederland trainde er van 2011 tot 2013 lokale politieagenten. Kamervoorzitter Kadisha Arib schrijft op 31 januari 2020 een brief aan minister-president Rutte en uit daarin de zorgen over de informatiepositie van de Tweede Kamer. Volgens Arib wordt deze positie met regelmaat geschaad door het kabinet, ondanks gesprekken over de informatiekwestie met de premier.
  25. 2020 Minister van Justitie en Veiligheid, Ferd Grapperhaus over de zaak Julio Poch – informatie over de Minister van Justitie en de strategie om Poch naar Spanje te krijgen om hem daar te doen uitleveren aan Argentinië (Nieuwsuur 10 maart 2020). https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2326591-minister-onthoudt-kamer-cruciale-informatie-over-zaak-julio-poch.html)
  26. 2020 Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Carola Schouten, en Minister-president Mark Rutte. Zembla uitzending (BNN/Vara) van mei 2020 (‘Koninklijke constructies’) over subsidieverlening en jachtontheffingen op kroondomein het Loo laat zien dat de Kamers in de begroting niet juist en niet volledig worden geïnformeerd over de kosten van het Koninklijk Huis. https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/subsidie-aan-koning-voor-beheer-landgoed-is-volgens-experts-partijtje-onzin-bij-elkaar~bc45bde5/

Niet, onjuist of – in mindere mate – onvolledig informeren van de Kamer wordt wel gezien als een politieke doodzonde, en een overtreding van de plicht die artikel 68 Grondwet aan ministers en staatssecretarissen oplegt om de Kamers inlichtingen te verschaffen, maar daar lijkt steeds minder zwaar aan te worden getild. In slechts 6 van de hier gerapporteerde 26 gevallen traden er bewindslieden af (gemarkeerd in rood) – 4 daarvan vóór 2017 (Rutte-II) en maar 2 onder Rutte III. Dat staat in een scheve verhouding tot het aantal informatie-incidenten: 13:4 afgetreden bewindslieven vóór 2017, 13:2 afgetreden bewindslieden onder Rutte-III (2017-2020) tot nu toe.

Wellicht valt er op punten af te dingen op mijn opsomming en de vraag hoezeer ministers of Arib roept op tot beleefdheid en respect in Tweede Kamer | BNR ...staatssecretarissen te kort schoten in hun informatieplicht – dat zal best. In ieder geval is de lijst waarschijnlijk nog onvolledig. Ik kan me zo voorstellen dat ingewijden nog meer incidenten zouden kunnen noemen. Ik nodig ze daartoe graag uit.

Wat je in ieder geval wel vast kunt stellen is dat er in zekere zin sprake is van een patroon. 26 Gevallen in 9 jaar (sommige reiken natuurlijk wat verder terug in de tijd) is geen klein bier, 11 in de laatste 2 jaar is zeker ernstig. Die toename in de afgelopen 2 jaar zou kunnen zijn veroorzaakt doordat de Kamers samen met onderzoeksjournalistiek wakker lijken te zijn gekust door de incidenten en kritischer het kabinet zijn gaan volgen. Die 11 incidenten in dik 2 jaar lijken in ieder geval niet door louter toeval te kunnen worden verklaard. Terecht dat Kamervoorzitter Arib daarover al een paar keer de alarmbel heeft geluid (a. brief over het eerder informeren van de pers dan de Kamer (met lijst van 30 incidenten in 3 maanden in 2018), b. 22 maart 2018 brief 15 januari 2020 en c. (17 juni 2020) een aankondiging van een gesprek met Rutte over de onvoldoende informatievoorziening bezijden de regering aan de Tweede Kamer.

Terug naar de Raad

Waar volgens het eigen beeld van de Raad geen patroon bestaat van gebrekkige informatievoorziening aan de Kamers laat een heel, heel oppervlakkige analyse van niet meer dan wat krantenkoppen al snel een ander beeld zien. En zo valt er wel meer af te dingen op de soms vreemdsoortige analyses van de Raad van State in het advies van 15 juni 2020 over de ministeriële verantwoordelijkheid. Wie het notenapparaat doorneemt kan een glimlach (voor anderen misschien enige ergernis) niet onderdrukken. Voor de onderbouwing is ‘gewinkeld’ in literatuur, veel verwijzingen naar kranten en weblogs als bewijs voor stellingen, met als klein dieptepuntje een verwijzing naar een stokoude, verderlichte bijdrage van de vice-president de Graaf aan een Nijmeegse vriendenbundel uit 1987 over de positie van ministers en ambtenaren (zie noot 59 van het advies).

Nogmaals: waarom doet de Raad van State dit? De invulling en interpretatie van de constitutionele spelregels over ministeriële verantwoordelijkheid (o.a. de bepalingen uit artikelen 42-49 van de Grondwet) is in ons systeem – zonder constitutioneel Hof – bewust overgelaten aan de spelers (regering en Staten-Generaal) zelf, zo leren we uit de toelichtende stukken bij de Grondwet. De Raad van State is ons systeem niet een van die spelers, maar de Raad wil kennelijk nu toch een rol. Waarom?

Kennelijk om ‘de spelregels’ aan te scherpen, die ook mede vorm te geven. Maar het past ons belangrijkste adviesorgaan voor de regering niet om als de bovenmeester van de Kneuterdijk het parlement de oren te komen wassen, dunkt me. Dat is niet de rol van de Raad en hij begeeft zich daarmee ook op glad ijs. Als je op een zo gevoelig terrein, ongevraagd de deur in komt trappen, met mogelijk het verwijt van een partijdige blik, dan kan dat ten koste gaan van je gezag.

Ik realiseer me: dit zijn grote woorden en verwijten, maar ik maak me zorgen over deze ongevraagde advisering die past in een lijn van de afgelopen tijd, waarin bijvoorbeeld een ‘geregisseerde’ voorlichting werd gegeven over digitaal vergaderen van de Kamers. De Raad wil ‘meespelen’ en ‘staatsrecht’ maken, zo lijkt het. En dat lijkt me voor een onafhankelijke adviseur, onze staatsrechtelijke scheidsrechter, een heel slecht idee.

 

Posted in Politiek | Tagged , , , , , , , , | 6 Comments

Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen covid-19: slecht idee

Schrik

Een paar dagen geleden kreeg ik – via de band – het Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen covid-19 onder ogen. Ik schrok ervan. Om twee redenen:

Tweede Kamer schrapt debatten vanwege corona | Politiek | AD.nlTen eerste omdat de regering met dit voorstel ruiterlijk lijkt te erkennen dat de manier waarop het land nu met covid-19 noodmaatregelen en noodbevelen wordt geregeerd eigenlijk niet door de beugel kan: de beperkingen (met name van wezenlijke grondrechten) gaan té ver en schuren/strijden met het recht – zo stelde ook de Raad van State in zijn voorlichting vast ((Voor­lich­ting over grond­wet­te­lij­ke as­pec­ten van (voor)ge­no­men cri­sis­maat­re­ge­len 25 mei 2020).

Op de schuldbekentenis volgt echter geen berouw of boetebesef; het Ontwerp levert ons mogelijk voor een lange periode uit aan bestuur per ministersdecreten. Dat past niet in een democratische rechtsstaat, en dat staat ook haaks op ons grondwettelijke systeem en de waarden en beginselen die in dat systeem zijn verankerd.

Wat is er mis met dat Ontwerp?

Wat is er dan niet in de haak met het Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen covid-19? Nou vooral omdat het, als gezegd, onze belangrijke democratische rechtsstatelijke normen en uitgangspunten over hoe we regels (wettelijke regels/algemeen verbindende voorschriften) stellen in dit land met voeten treedt.

De normen waaraan ‘regelgeven’ (= het opstellen van wettelijke regels) is gebonden, zijn neergelegd in de Grondwet en garanderen dat vrijheidsrechten (waaronder grondrechten zoals demonstratierecht, vrijheid van godsdienst,  het huisrecht, etc.), alleen onder strikte voorwaarden en met medewerking en inbreng van onze volksvertegenwoordigers in het parlement of gemeenteraad kunnen worden vastgesteld. Wij, de Nederlanders, moeten altijd vooraf mee kunnen praten over voorstellen die onze vrijheden kunnen beknotten, via onze vertegenwoordigers –  zeggen die normen – en onze vertegenwoordigers moeten er zelfs veranderingen in aan kunnen brengen, of ze helemaal kunnen verwerpen, als die voorstellen niet overtuigen.

En juist aan die garanties maakt het Ontwerp tijdelijk maatregelen covid-19 een eind. Hoe onbelangrijker een minister, hoe verder weg van Rutte | De ...Ministers krijgen de volmacht zelf ingrijpende regels te maken (o.a. afsluiten publieke plaatsen, verbieden evenementen, verbieden openbaar vervoer, sluiten onderwijsinstellingen en nog veel meer). Er hoeft alleen binnen de ministerraad te worden overlegd, de Raad van State wordt niet eens gehoord (normaal verplicht), en de Kamers krijgen het resultaat toegestuurd. Het Ontwerp doet daar heel gewichtig over – toesturen aan de Kamers (art. 58c) – maar het is een sigaar uit eigen doos: ministeriële regelingen moeten sowieso worden gepubliceerd voor ze inwerking kunnen treden. Het daarna nog eens een keer toesturen aan het parlement doet een beetje potsierlijk aan: alsof onze Kamerleden zelf niet wakker genoeg zouden zijn gepubliceerde ministeriële regels te vinden.

Dit Ontwerp Tijdelijke wet  maatregelen covid-19 gaat véél te ver en overtreedt de constitutionele (grondwettelijke) normen alsook de huisregels die de rijksoverheid zelf hanteert voor het opstellen van regels (de zogeheten Aanwijzingen voor de regelgeving) met voeten. Die huisregels – opgesteld door de minister-president en verbindend als beleidsregels – drukken uit wat de belangrijkste democratische rechtsstatelijke normen zijn voor het vaststellen van regels en geven die handen en voeten.

Uitgangspunt daarbij is het primaat van de wetgever (= volksvertegenwoordigers praten vooraf mee over voorstellen voor belangrijke en vrijheidsbeperkende regels en hebben een bepalende stem bij het vaststellen van parlementaire wetten).[i] Volgens dat uitgangspunt gaat het niet aan dat ministers zonder overleg met het parlement belangrijke, of vrijheidsbeperkende regels (nagenoeg) in hun eentje vaststellen. Ministers mogen wel in opdracht van een hogere regelgever (delegatie) eens wat kruimelwerk verrichten in de vorm van het opstellen van details van een regeling: klein grut en uitwerking van de grote keuzes die al zijn gemaakt. Aanwijzing 2.24[ii] van die huisregels van de overheid zegt dat je aan een minister alleen klein spul kan overlaten, of soms, heel soms, spoedeisende zaken – maar zeker niet het soort onderwerpen dat in het Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 de revue passeert. Dat Ontwerp geeft eigenlijk een blanco volmacht aan ministers om zelfstandig te regelen. En tijdelijk is die covid-19-wet ook niet echt. Artikel V van het ding zegt dat de ‘tijdelijke’ wet pas na een jaar vervalt (met de mogelijkheid tot  verlenging per regeringsbesluit). Even rekenen: als dit voorstel zo ongeveer voor het zomerreces (op zijn vroegst lijkt me) wordt aangenomen – waarschijnlijker begin september – dan kan het zomaar zijn dat we aan vrijheidsbeperkend-covid-ministersbestuur  – zonder parlementaire inbreng – worden onderworpen tot aan 1 november 2021. Geen goed idee.

Voorbeelden

Wat hier boven staat is misschien nog wat abstract, wellicht ook een beetje juridisch, dus ik voeg hierbij een overzichtje van voorbeelden uit het Ontwerp Tijdelijke wet maatregelen covid-19 toe ter illustratie.

(In dit pdf document van dit bericht is met arcering en tekstballonnen aangegeven waar de pijn zit)

Tijdelijke bepalingen in verband met maatregelen ter bestrijding van de epidemie van covid-19 voor de langere termijn (Tijdelijke wet maatregelen covid-19)

VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

(…)

Artikel I [Wijziging Wet publieke gezondheid]

De Wet publieke gezondheid wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder vernummering van hoofdstuk Va tot hoofdstuk VIIa wordt na artikel 58 een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk Va. Tijdelijke bepalingen bestrijding epidemie covid-19

1. Algemene bepalingen

(…)

Artikel 58b [Reikwijdte]

  1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan.
  2. Onverminderd de in artikel 7, eerste lid, bedoelde taak van Onze Minister om leiding te geven aan de bestrijding van de epidemie kan de in dat lid bedoelde bevoegdheid om een opdracht te geven aan de voorzitter van de veiligheidsregio, voor zover die opdracht strekt tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften ter bestrijding van de epidemie, of een directe dreiging daarvan, worden toegepast voor zover de bij of krachtens dit hoofdstuk toegekende bevoegdheden niet toereikend zijn.

(…)

 Artikel 58c [Vaststellen ministeriële regelingen]

  1. De vaststelling van een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen ministeriële regeling geschiedt door Onze Minister in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.
  2. Onze Minister zendt onverwijld na de vaststelling van een ministeriële regeling een afschrift daarvan aan beide Kamers van de Staten-Generaal.

 (…)

Artikel 58h [Openstelling publieke plaatsen]

  1. Het is verboden een bij ministeriële regeling aangewezen publieke plaats voor publiek geopend te hebben.
  2. Het is verboden als publiek aanwezig te zijn op een publieke plaats die niet voor publiek geopend mag zijn.
  3. De burgemeester kan met het oog op bijzondere gelegenheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, voor zover het belang van de bestrijding van de epidemie zich hier naar zijn oordeel niet tegen verzet. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 58i [Evenementen]

  1. Het is verboden een bij ministeriële regeling aangewezen evenement te houden of te laten plaatsvinden.
  2. Het is verboden deel te nemen aan een evenement dat niet mag worden gehouden.
  3. De burgemeester kan met het oog op bijzondere gelegenheden ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, voor zover het belang van de bestrijding van de epidemie zich hier naar zijn oordeel niet tegen verzet. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Artikel 58j [Overige regels]

  1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
  2. hygiënemaatregelen, waaronder het gebruik van beschermingsmiddelen, voor zover die geen betrekking hebben op het gebruik ervan in de woning;
  3. de uitoefening van beroepen waarbij het naar zijn oordeel niet mogelijk is ten minste de veilige afstand te houden tot een klant of patiënt, met inbegrip van een verbod tot uitoefening daarvan;
  4. het gebruik van voorzieningen die voor het publiek toegankelijk zijn.
  5. 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over andere maatregelen die de kans op verspreiding van covid-19 redelijkerwijze beperken. Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens de eerste zin vastgestelde ministeriële regeling wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Tweede Kamer van de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de beide Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Wordt het voorstel tot wet verheven, dan wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet.
  6. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de burgemeester met het oog op bijzondere gelegenheden ontheffing kan verlenen van de krachtens het eerste en tweede lid gestelde regels, voor zover het belang van de bestrijding van de epidemie zich hier naar zijn oordeel niet tegen verzet. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
  7. Artikel 1, eerste lid, van de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding vindt geen toepassing voor zover de in dat artikellid bedoelde kleding geheel of gedeeltelijk bestaat uit beschermingsmiddelen als bedoeld in het eerste lid, onder a.

(…)

 

Etc., etc.

Lees verder voor het hele voorstel: https://www.raadsleden.nl/sites/www.raadsleden.nl/files/documenten/twm_covid-19_consultatieversie.pdf

 

Voetnoten

[i] Neergelegd in Aanwijzing 2.19, dat (met wel wat veel jargon) luidt:

Aanwijzing 2.19 Primaat van de wetgever

Bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer.

Toelichting

Betrokkenheid parlement. Het primaat van de wetgever dient niet aldus te worden verstaan dat het parlement bij alle onderdelen van een regeling rechtstreeks moet worden betrokken. Lang niet alle onderdelen van een regeling zijn van die betekenis dat directe parlementaire invloed op de vaststelling daarvan in de rede ligt. De mogelijkheid die het parlement heeft het regeringsbeleid achteraf te controleren, is dan voldoende.

Gelet op het vorenstaande dient voor de keuze welke elementen van een regeling in de wet moeten worden geregeld en ter zake van welke elementen delegatie toelaatbaar is, steeds te worden onderzocht welke elementen van een regeling zo gewichtig zijn dat de volksvertegenwoordiging rechtstreeks bij de vaststelling moet worden betrokken. Aldus moeten ten minste de hoofdelementen van een regeling in de wet worden opgenomen.

Hoofdelementen van de regeling. Hoofdelementen zijn in ieder geval de reikwijdte en de structurele elementen van de regeling. Veelal zullen daartoe ook de voornaamste duurzame normen behoren. Het kan echter uit een oogpunt van toegankelijke regelgeving beter zijn om in de wet over een bepaald onderwerp geen materiële normen op te nemen, maar aan de lagere wetgever over te laten een integrale materiële regeling tot stand te brengen.

(…)

[ii] Aanwijzing 2.24. Toelaatbaarheid delegatie aan minister

1.Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld.

2.Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister is ook toegestaan indien het gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard.

Toelichting

Indien delegatie plaatsvindt verdient het de voorkeur dat de bevoegdheid wordt toegekend bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen. Slechts in bepaalde gevallen is delegatie of subdelegatie aan een minister geoorloofd. Deze aanwijzing geeft aan welke gevallen dit zijn. Onder omstandigheden kan het ook gaan om een (tijdelijke) ministeriële regeling die de instelling van een vergunningplicht inhoudt (vgl. artikel 2 van de Wet op bijzondere medische verrichtingen). Zie ook aanwijzing 9.8.

 

Posted in Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , | 30 Comments

Voorlichting Raad van State over digitaal vergaderen vliegt uit de bocht

Op verzoek van de Eerste Kamer adviseerde Raad van State op 16 april over het functioneren van
de Eerste Kamer in tijden van de coronacrisis. Een beetje vreemd om die voorlichting te vragen over je eigen vergadermodus. En ook vreemd dat je het de Raad van State vraagt: dat is geen constitutioneel hof, maar een adviseur van de regering. En al helemaal niet de enige bewaker van de Grondwet. Dat zijn in ons systeem de Kamers ook: ook die genieten interpretatieautoriteit waar het gaat om grondwettelijke voorschriften. Nou, goed dan, die voorlichting werd toch gevraagd. Of ze daar bij de Raad – kortgezegd – eens wilden kijken of alle ‘fysieke’ eisen die artikel 67 van de Grondwet stelt aan het vergaderen van de Kamers (quorum, beraadslagen en besluitvormen) ook in zouden mogen ruilen voor digitale mogelijkheden. Een paar weken eerder vond de Raad in het kader van een soortgelijke advisering over (vergelijkbare) ‘fysieke’ eisen die de Gemeentewet en Provinciewet aan het vergaderen van raden en staten stellen je die ‘fysieke’ eisen niet zomaar in zou kunnen ruilen voor digitale. Er moest daarvoor een aparte en tijdelijke wet digitaal vergaderen voor decentrale overheden komen die onder strikte voorwaarden – wettelijk geregeld – dat digitaal vergaderen decentrale overheden mogelijk zou maken tot 1 september. Daar werden decentrale overheden wel een beetje chagrijnig van (ze moesten tot ver in april wachten vooraleer ze er mee konden werken), maar enfin, wet is wet.

Wie de voorlichting leest moet wel heel wat wegslikken. Eerst en vooral lijkt de Raad als een blad aan een boom gedraaid ten opzichte van zijn advies bij de Tijdelijke wet digitaal vergaderen decentrale overheden (digitaal vergaderen voor de Eerste Kamer kan best volgens de Raad zonder de regels aan te passen). Daarnaast trekt de Raad wel een hele grote broek aan waar het gaat om het vaststellen van de voorwaarden waaronder dat dan kan gebeuren. De Raad ‘maakt’ in zijn voorlichting een waslijst nieuwe regels voor digitaal vergaderen (niks tijdelijks aan) die als een soort nieuwe staatsrechtelijke spelregels moeten gaan gelden. Dat is helemaal niet de rol van de Raad in ons bestel; de Raad heeft helemaal niet de bevoegdheid hier dit soort verstrekkende jurisprudentie te maken.

Emeritus hoogleraar staatsrecht Douwe Jan Elzinga noemde deze voorlichting terecht ‘een
miskleun’ 
en het is ook belangrijk dat de Kamers dit advies weerspreken, en er een eigen interpretatie tegenover zetten, voordat deze Voorlichting stadsrechten krijgt als ongeschreven staatsrecht.

Waar gaan die zorgen in de voorlichting nou precies over? Nou ten eerste geeft de Raad van State wel een heel, heel ruime interpretatie aan artikel 67 van de Grondwet. Dat artikel zegt dat de Kamers alleen mogen beraadslagen of besluiten, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is, en dat besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen. Als je het zo leest zou je denken dat niks in deze bewoordingen zich verzet tegen digitaal vergaderen met gebruik van digitale hulpmiddelen (inclusief presentielijst). Nou is er al van verschillende kanten op gewezen dat dit grondwettelijke voorschrift wel moet worden gelezen in de context van andere eisen die de Grondwet stelt: leden hebben een individueel mandaat. Als je digitaal gaat vergaderen, komt dat onder druk door – zoals Elzinga dat noemt – ‘collectivering’ van het vergaderen. Je bent niet meer daar en dan bij elkaar, kunt elkaar niet meer in de ogen kijken, op andere gedachten komen tijdens de vergadering, afwijken van de fractiediscipline, wordt nagenoeg onmogelijk als je in digitale ruimtes wordt voorgekookt of ‘voorgeperst’. Daarnaast – hoe controleren we identiteit, welke apps of middelen zetten we in, etc. etc.? De Raad bekreunt er zich nauwelijks om. De nood is hoog, dus we interpreteren de Grondwet maar ‘au besoin de la cause’ want nu de Grondwet wijzigen op korte termijn lukt niet.

Inconsistent ten opzichte van dat advies digitaal vergaderen. Maar het is niet die inconsistentie – door de Raad ‘weggestopt’ in noot 74 van de Voorlichting – die me de meeste zorgen baart, al is het zuur voor decentrale overheden die op die wet moesten wachten en na 1 september niet meer digitaal kunnen vergaderen en daarvoor afhankelijk blijven van de Haagse wetgever.

Mijn meest belangrijke zorg zit in het feit dat de Raad van State hier met heel brede stroken de regels en uitgangspunten voor digitaal vergaderen ‘bedenkt’ en die brengt als ‘beginselen’ en uitgangspunten ontleend aan de geest van de artikelen 66, 67 en 69 en aan die Tijdelijke wet digitaal vergaderen decentrale overheden (p. 17 van de Voorlichting). De Raad ‘maakt’ hier de regels, en met deze voorlichting aan de Eerste Kamer wordt mogelijk een riskant precedent geschapen; voorlichting van de Raad die als ‘jurisprudentie/legisprudentie’ gaat werken ten aanzien van de grondwettelijke regels die het functioneren van de Kamer betreffen. Zo kan straks de Eerste Kamer nog meer Voorlichting gaan vragen over grondwettelijke regels (willekeurige bepalingen uit Hoofdstuk 3 van de Grondwet) die dan ook – mits onweersproken – bindend zijn voor de Tweede Kamer. Dat is heel onwenselijk natuurlijk, de Eerste Kamer die over de band Tweede Kamer kan ‘gijzelen’. Een ander belangrijk bezwaar bij de waslijst van 11 zelfbedachte regels die op p. 17 van de voorlichting worden opgesomd is dat ze meer vragen oproepen dan dat ze oplossen. Wat is nu de juridische status van deze regels, wat geldt als bijzondere omstandigheid (‘noodzakelijke continuering van de democratische besluitvorming’), wanneer moeten we weer terug naar ‘gewoon’ vergaderen, kunnen Kamerleden zich ook in de toekomst beroepen op een ‘recht’ op digitale convocatie, beraadslaging en besluitvorming, hoe zit het met de rechten van individuele leden, wat voor technische randvoorwaarden gelden (‘open source?’), wie mag dat aanbesteden, aanbieden, etc., etc.? Verder is de voorlichting ook op het punt van aanpalende leerstukken zoals dat van de parlementaire immuniteit weinig doordacht: gelden dezelfde regels als in de fysieke situatie? Alleen bescherming tijdens de vergadering (zoals de voorzitter die bepaalt), maar hoe gaan we dan om met de mogelijkheid dat de leden niet alleen zelf op beeld’ aanwezig zijn? En nog vele vragen van deze soort. Deze voorlichting vraagt om een hard en duidelijk weerwoord van die andere grondwetsinterpretatie-autoriteit in Nederland: de Kamers van de Staten-Generaal.

 

 

 

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , | 5 Comments

Noodmaatregelen en corona: de regels

I. Nood breekt wet? Nee, noodmaatregelen volgens de wet

Dit gebeurde nog niet eerder. Het kabinet kondigt zojuist (23 maart 19.05 u.) vergaande maatregelen aan die bijeenkomsten en samenscholing tot 1 juni 2020 beperken. Dat is even schrikken in een vrije samenleving. Mag dat zomaar?

Jawel. De ministers gebruiken daarvoor de structuur van de Wet op de veiligheidsregio’s en de Wet publieke gezondheid om centraal regie te nemen in geval van de bestrijding van epidemieën. De techniek is dat de centrale overheid burgemeesters kan opdragen van hun bevoegdheden gebruik te maken.

Bij het samenscholings- en bijeenkomstenverbod draagt de Minister van V&J (de centrale overheid) burgemeesters op gebruik te maken van hun bevoegdheid toezicht te houden op ‘openbare bijeenkomsten en vermakelijkheden’ en tot het maken van noodverordeningen.

‘Den Haag’ neemt tijdelijk de bevoegdheden van de burgemeesters over als het ware – of – zo kan je het ook zeggen, de burgemeesters worden uitvoerders van het Haagse noodbeleid.

Kan je dat zomaar doen – de bevoegdheden van de burgemeester overnemen? Ja, ook  dat kan zeker. De Wet op de veiligheidsregio’s en de Wet publieke gezondheid (allebei van vrij recente datum) geven de bevoegdheden voor dit soort tijdelijke noodmaatregelen. Het recht van vrijheid van vereniging, vergadering en betoging (artikelen 8 en 9 van de Grondwet, artikel 12 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 11 Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens – EVRM) kan worden beperkt in dit soort gevallen, als dat netjes via een wet gebeurt (zoals hier) en bijvoorbeeld noodzakelijk is in het belang van de openbare orde en de volksgezondheid.

Omdat er geen algehele noodtoestand is afgekondigd in Nederland hoef je de opschorting van het recht van vereniging en vergadering ook (nog) niet te melden bij de secretaris-generaal van de Raad van Europa (artikel 15 EVRM).

Hieronder, voor wie het interesseert, de tekst van de artikelen van de regelingen waarom het draait. Laten we hopen dat het niet lang hoeft te duren. Dit soort maatregelen wegen zwaar in democratische en vrije rechtsstaten.

II. De belangrijkste bepalingen (in het kort)

Op grond van de volgende wettelijke regels worden de vrijheidsbeperkende noodmaatregelen ter verdere verspreiding van het coronavirus genomen.

A. Onder de Wet publieke gezondheid heeft de burgemeester bevoegdheden om in noodgevallen maatregelen te nemen epidemieën te bestrijden – die worden nu overgenomen door de Minister op basis van:

Artikel 7 Wet publieke gezondheid           

  1. In de situatie, bedoeld in artikel 6, vierde lid, (bestrijding epidemieën WV)[1] geeft Onze Minister leiding aan de bestrijding en kan Onze Minister de voorzitter van de veiligheidsregio opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.
  2. In afwijking van artikel 6, derde lid (normaal is de burgemeester het bevoegde gezag WV),[2] geeft Onze Minister leiding aan de bestrijding van een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2, indien de burgemeester van een gemeente die het aangaat daartoe verzoekt. Onze Minister kan dan de burgemeester opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.
  3. Onze Minister kan de burgemeester opdragen om, ter uitvoering van de aanbevelingen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de Internationale Gezondheidsregeling, toepassing te geven aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 51, 54 en 55, alsook om de maatregelen, bedoeld in artikel 22a van de Wet op de lijkbezorging, toe te passen.

(…)

B. Ter bescherming van de openbare orde in de publieke ruimte heeft de burgemeester bevoegdheden en de bevoegdheid noodverordeningen te maken op grond van de Gemeentewet – die worden hier overgenomen door de Minister, op basis van:

 Artikel 54 Wet op de veiligheidsregio’s  

Onze Minister kan, indien het algemeen belang zulks dringend eist, bevoegdheden van de commissaris van de Koning en van de burgemeester op grond van deze wet geheel of ten dele aan zich trekken dan wel een andere autoriteit daarmee geheel of ten dele belasten.

Artikel 174 Gemeentewet

  1. De burgemeester is belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.
  2. De burgemeester is bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.
  3. De burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.

Artikel 176 Gemeentewet

  1. Wanneer een omstandigheid als bedoeld in artikel 175, eerste lid, (oproerige beweging, ernstige wanordelijkheden, of ramp WV) zich voordoet, kan de burgemeester algemeen verbindende voorschriften geven die ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig zijn. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken. Hij maakt deze voorschriften bekend op een door hem te bepalen wijze.
  2. De burgemeester brengt de voorschriften zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad, van de commissaris van de Koning en van het hoofd van het arrondissementsparket.

(….)

[1] De voorzitter van de veiligheidsregio draagt zorg voor de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A (Corona behoort hiertoe WV), of een directe dreiging daarvan, en is dan ten behoeve van deze bestrijding bij uitsluiting bevoegd om toepassing te geven aan de artikelen 34, vierde lid, 47, 51, 54, 55 of 56.

[2] (In normale gevallen – artikel 6, derde lid) geeft ‘De burgemeester (…) leiding aan de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte, behorend tot groep B1, B2 of C, alsook de directe voorbereiding daarop en draagt zorg voor de toepassing van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V.’

Posted in Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , | 5 Comments

Informatiepaternalisme: de brief van 18 november 2019 over informatievoorziening aan de Kamer

Afbeeldingsresultaat voor menno snel leijten toeslagen debatGekker moet het niet worden. Woensdagavond 4 december, laat staatssecretaris Menno Snel – in het nauw gebracht door interrumperende Kamerleden (Leijten, Omtzigt) – tijdens het Kinderopvangtoeslagen debat het volgende weten. De reden dat bepaalde cruciale evaluatieverslagen over het hardvochtige handhavingsbeleid van de Belastingdienst Toeslagen niet met de Kamer zijn gedeeld (hij heeft ze zonder er maar in te kijken als ‘vertrouwelijk’ bestempeld) heeft ook daarmee te maken dat hij niet alles kon ‘vinden’. Het viel allemaal niet mee om die informatiehongerige Kamer te voeden. Informatiechaos op het eigen departement als excuus en ook voor de zoveelste keer? Enfin, de Kamer blijkt er gevoelig voor. In het tenenkrommende betoog dat erop volgt laat Snel Leijten weten dat – nu het zoeken zo lastig is – hij er daarom maar voor het heeft gekozen, om de Kamer beter in staat te stellen een zinvol debat te kunnen voeren, de informatie te filteren en te voorzien van ‘duiding’. Wel zo gemakkelijk. Informatie aan de Kamer op een ‘need to know’-basis.Afbeeldingsresultaat voor menno snel leijten toeslagen debat

Renske Leijten (SP) – een ervaren Kamerlid – reageerde terecht als gestoken door een wesp: ‘Wij [de Tweede Kamer] gaan over de informatie die we willen hebben, niet de staatssecretaris!’ Er kwam applaus…van de publieke tribune toch vooral.

Deze vorm van ‘informatiepaternalisme’ waarin Snel de Tweede Kamer probeert mee te nemen, begint al maar normaler te worden. Kamerleden moeten om informatie van de regering te krijgen tegenwoordig steeds harder op de deur slaan. Pieter Omtzigt (CDA) stelde het afgelopen jaar honderden uiterst relevante vragen in verband met het kindertoeslagendrama bij de Belastingdienst. Verwijten en hoon waren zijn deel. ‘Scoringsdrang’ heet dat tegenwoordig, ‘ministers van hun werk houden’. Antwoord kreeg hij eigenlijk niet. Op de veertig vragen die hij 23 juli 2019 stelt aan de staatssecretaris van Financiën – de meeste hele gewone vragen naar concrete informatie die wellicht duidelijk zou kunnen maken wat er aan de hand is bij de Belastingdienst, wie daar aan de knoppen zit, hoe groot het probleem is en waarom er zo genadeloos wordt opgetreden – krijgt Omtzigt steevast ontwijkend of geen antwoord.[1] ‘We zijn het nog aan het uitzoeken, er zijn commissies en groepen aan het werk gezet die dat gaan bekijken (o.a. de commissie-Donner, de Auditdienst Rijk, etc.), we komen er nog op terug,’ dat soort dingen.

Dieptepunt is het antwoord op Omtzigt’s vraag naar een paar zaken die nog bij de rechter zijn. Zaken waarin de overheid beroep of hoger beroep heeft aangetekend tegen ‘fraudeurs’. Dat steeds in beroep gaan met inschakeling van de Landsadvocaat (overigens een gewoon privaat advocatenkantoor, Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn) vormt een van de onderdelen van het standaardrepertoire van hardvochtigheid van de Belastingdienst. Weten over deze werkwijze is cruciaal voor de Kamer. Omtzigt had eerder gevraagd of de Landsadvocaat ‘ruimhartig’ documenten zou kunnen inbrengen over mensen die van fraude werden beticht. Nodig, want in dit Kafkaëske drama wisten mensen meestal niet eens wat er in hun dossier stond, waarvan ze nu concreet werden verdacht. Koudhartig antwoordt Snel dat hij de Landsadvocaat heeft gevraagd (sic!) om de door Omtzigt gevraagde stukken te beoordelen, en…jammer dan…de Landsadvocaat ziet het niet zitten ze te delen. Trouwens, laat Snel daarop volgen: ‘Uw Kamer is geen partij in de lopende procedures en de stukken geven geen extra inzicht in de gang van zaken “in den brede” in het CAF 11-project. Om die reden doe ik uw Kamer de afschriften van de aan de Landsadvocaat verstrekte stukken niet toekomen.’ Als een belletjetrekker die een standje verdient, wordt Omtzigt’s verzoek geweigerd, met de Landsadvocaat als autoriteit. Hij kreeg zowat niks te horen op zijn – weten we nu – uiterst relevante vragen.

Of dit al niet erg genoeg is schrijft de nieuwbakken Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Knops, onlangs in een kort briefje (18 november 2019) dat de Menno Snel-informatie-aanpak voortaan algemeen beleid wordt. De brief legt de Kamer geduldig uit hoe ministers en staatssecretarissen voortaan denken om te gaan met de informatievoorziening aan de Kamer. Volgens artikel 68 Grondwet zijn bewindslieden verplicht de door de Kamer verlangde inlichtingen te geven. Maar het kabinet is kennelijk een beetje klaar met al dat gevraag. In 2002 en 2016 werden over de reikwijdte van die grondwettelijke informatieplicht duidelijke afspraken gemaakt, maar het kabinet laat in de brief weten dat het wel ‘effectief en werkbaar’ moet blijven voor alle betrokkenen (lees: voor het kabinet). Waar de afspraken uit 2002 en 2016 helder vastleggen dat Kamerleden een grondwettelijk recht hebben op informatie dat veel verder gaat dan de rechten die burgers hebben onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), doet Knops in die brief iets heel merkwaardigs. Hij draait de zaak op zijn kop. Inderdaad, zo geeft hij aan, kunnen Kamerleden veel meer informatie verlangen dan onder de Wob mogelijk is, maar een van de grenzen aan de grondwettelijke informatieplicht van de regering is dat ‘persoonlijke beleidsopvattingen’, van bijvoorbeeld ambtenaren, niet hoeven te worden prijsgegeven. Dat is ook logisch want als we precies zouden weten wie wat in welk overleg heeft gezegd dan is dat vervelend voor betrokken ambtenaren (die kijken voortaan wel lekker uit om nog iets te zeggen) en kunnen bewindspersonen ook tegen elkaar worden uitgespeeld. In 2002 en 2016 vonden de regering en Kamer dat samen een mogelijke reden om zulke informatie niet aan de Kamer te verschaffen. Dat betekende niet dat de Kamer nooit informatie over de ambtelijke of externe werkelijkheid of beleidsvorming ‘achter’ een minister zou mogen verlangen. Dat kan wel, zeggen de afspraken uit 2016 onomwonden. Als de Kamer het echt wil weten dan lak je de namen maar weg. Een zinnige afspraak die het bijvoorbeeld ook mogelijk maakt om er ooit achter te komen of en in hoeverre in de zaak Wilders ambtenaren van Justitie en Veiligheid wellicht zaken hebben gedaan met het Openbaar Ministerie.

De brief van Knops verhaspelt die redenering uit 2016, gooit alles op een hoop en probeert zand in de ogen te strooien. We geven helemaal niks meer prijs over intern beraad, zegt Knops in zijn brief. Dat is kabinetsbeleid, en trouwens ook in de Wob is ‘intern beraad’ reden om informatie te weigeren. ‘Onder artikel 68 Grondwet is het staand beleid dat stukken die zien op intern beraad geen onderdeel worden gemaakt van het debat met de Kamer.’ Aldus de brief. Een fikse ‘bugger off’ voor neuzende Kamerleden. Wie ook maar iets weet van de grondwettelijke inlichtingenplicht gelooft zijn ogen niet. Alles op zijn kop – de regering die uitmaakt wat de Kamer nog mag verlangen. De ministers weten echt wel wat de Kamer nodig heeft, analyseert de brief vaderlijk, en om steeds ingesneeuwd te worden met informatie waar je niks aan hebt is ook zo weer wat. En dan komt er ineens nog een konijn uit de hoge hoed: ‘voor documenten die zien op intern beraad geldt dat er belangrijke staatsrechtelijke en bestuurlijke redenen zijn om niet over te gaan tot de verstrekking daarvan.’ Ik houd me al meer dan dertig jaar met dat staatsrecht bezig, intensief…ik ken die redenen niet. Ze worden hier verzonnen waar je bij staat. Maar wat geeft het: de regering weet echt wel wat de Kamer nodig heeft, en wil die informatie ook best nog ‘duiden.’ En anders vragen we het gewoon aan de Landsadvocaat.

[1] Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 2019Z15340 Vragen van het lid Omtzigt (CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën over de kinderopvangtoeslag-affaire en alle aspecten daarvan (ingezonden 23 juli 2019).

Referenties  artikel 68 Grondwet :

  1. Kamerbrief-over-artikel-68-grondwet (1) van Knops van 18 november 2019

De oude afspraken over Informatievoorziening Kamers

2. 2016 Brief over de reikwijdte van art 68 Grondwet

3. 2002 Kamerbrief reikwijdte artikel 68 Grondwet

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | 1 Comment

Amendementvoorstel D66: sigaar uit eigen doos

Kamerlid Sneller D66 lanceert vandaag een voorstel om burgers de mogelijkheid te geven wijzigingen voor te stellen op wetsvoorstellen die aanhangig zijn. Het wordt verkocht als het redelijke alternatief op een referendum waar je alleen maar ‘ja’ of ‘nee’ op zou kunnen zeggen. Een extra inspraakmogelijkheid, zoals de D66 woordvoerder in Trouw te kennen geeft. Om een dergelijk burgeramendement in te kunnen dienen moeten er 70.000 steunbetuigingen zijn, die digitaal kunnen worden verzameld. De indiener mag dan ook het woord voeren over zijn of haar amendement in de Tweede Kamer.

Doekje voor het bloeden, fopspeen en sigaar uit eigen doos tegelijkertijd. Ten eerste staat de Grondwet niet toe dat een ander dan de (leden van de) Tweede Kamer of de regering wijzigingen – amendementen – op wetsvoorstellen tijdens de Kamerbehandeling indienen. Als je dat wilt, moet je de Grondwet herzien – een lange, lastige procedure. Ten tweede, als dat niet je plan is, dan is er met dit voorstel niets nieuws onder de zon: een brief schrijven aan de Kamer kan altijd – we hebben het recht van petitie zegt artikel 5 van diezelfde Grondwet – en daar wordt ook veel gebruik van gemaakt. In onze polder weten lobbyorganisaties en belangengroeperingen van oudsher heel goed hun weg naar Tweede Kamerfracties te vinden. En nogal eens doen ze bij hun inbreng hele concrete voorstellen om wetsvoorstellen aan te passen – met amendement en al. En dan heb ik het nog niet eens over de inmiddels goed ontwikkelde praktijk van internetconsultatie van wetsvoorstellen, waarbij wetsvoorstellen voor de Kamerbehandeling al worden gepubliceerd en burgers, bedrijven en organisaties los mogen op die voorstellen.

Het enige wat het D66-sigaar-uit-eigen-doos-voorstel hier doet is maar liefst een drempel van 70.000 handtekeningen opwerpen. Wat je voorheen allang mocht – brieven schrijven, inbreng hebben – wordt bemoeilijkt met een betaalmuur van 70.000 handtekeningen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Afbeeldingsresultaat voor afschaffen referendumD66-er Sneller schermt met de 40.000 handtekeningen die ook nodig zijn voor het burgerinitiatief. Daarmee kan je als groep van burgers iets op de Kameragenda plaatsen. De parallel die Sneller trekt tussen zijn voorstel en het burgerinitiatief klopt echter niet. Bij dat burgerinitiatief gaat het niet om een grondwettelijk recht maar om een eigen bevoegdheid van de Tweede Kamer (die gaat zelf in het eigen reglement over de eigen agenda). Ten tweede: waarom dan ineens 30.000 handtekeningen meer? Met dat burgerinitiatief kon je allang om een wijziging van een wetsvoorstel vragen. Waarom wil Sneller dat nu ineens zoveel moeilijker maken? Ik snap er niks van.

En oh ja, natuurlijk, zo voegt Sneller aan het einde van het interview nog toe, natuurlijk is D66 eigenlijk voor een bindend correctief referendum. Tja, geloof je het zelf, joh?

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , | 2 Comments

Op de drempel van de toekomst

De introductieweken beginnen weer. Duizenden studenten die zich gereed maken voor een nieuw leven. Ook de studies rechtsgeleerdheid/rechtswetenschappen lopen weer vol. Ze zullen in ieder geval beter les krijgen dan in 1980 (zie: Begin), wellicht ervan langs krijgen (zie: Ontgroenen) of wat terugkrijgen. Wat er van ze gaat worden weten we niet (zie: Jurist van de toekomst ). Maar laat ze daar vooral, de op de drempel van de toekomst, nu nog niet over tobben. Daar is nog een heel leven de tijd voor.

Afbeeldingsresultaat voor introductieweken leiden

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , | Leave a comment

Gedoe in Bloemendaal over vragenrecht

Op 19 juni 2018 stuurde het college van B&W van Bloemendaal een wel hele krasse brief aan de gemeenteraad; het college is een beetje klaar met het gevraag van de gemeenteraad, kennelijk. Met een semi-geleerd betoog over de reikwijdte van de inlichtingenplicht die het college van B&W zou hebben op grond van de Gemeentewet, kondigt datzelfde college aan voortaan een boel vragen niet meer te gaan beantwoorden. Ze zullen voortaan niet meer ingaan op ‘verzoeken’ die niet goed zijn gemotiveerd, verzoeken waarbij er twijfels bestaan over de motieven van de vragensteller (vanwege belangenverstrengeling of zelfs maar de schijn ervan), waarbij de persoonlijke levenssfeer van ambtenaren in het geding zou kunnen komen (??), wanneer ze wel wat beters te doen hebben op het gemeentehuis dan achter nutteloze informatie voor een gemeenteraadslid aan te gaan (‘natuurlijke belemmeringen’) en zo nog wat andere gronden. En dat krijgt de gemeenteraad dan per brief besteld als mededeling over het beleid; het college is nog zo royaal de raad de mogelijkheid te geven dat beleid te bekrachtigen.

Nou gaat het daar al een tijdje niet zo lekker in Bloemendaal (ruzies tussen raad, burgemeesters en college, aangiftes over en weer, rechtszaken), maar deze brief lijkt me zeker niet het medicijn om de verhoudingen te verbeteren. Wat ook al niet helpt is dat het college het restrictieve vragenbeleid doet leunen op een werkelijk slecht rapport van de Landsadvocaat – zoals het college de analyse van het kantoor Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn (advocaten en notarissen) plechtig aankondigt. De landsadvocaat maar liefst – opdat de gemeenteraad maar onder de indruk zal zijn van het advies van het advocatenkantoor te Den Haag. Maar Pels Rijcken is niet de Raad van State, en het advies is sterk gekleurd. Pels Rijcken doet in het advies aan de gemeente Bloemendaal net alsof vragen van gemeenteraadsleden verzoeken zijn onder de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Maar, zelfs maar een halve blik op de wetsgeschiedenis en de staatsrechtelijke doctrine leert dat ze dat niet zijn. De gehoudenheid die het college van burgemeester en wethouders kent om inlichtingen te geven op grond van artikel 169 Gemeentewet reikt veel verder dan die om antwoord te geven op een Wob-verzoek. Ze staat in het teken van de verantwoordingsplicht van het college, en ze is ook een werkelijke plicht waar slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen, verband houdend met het openbaar belang, van kan worden vrijgesteld. Je moet dan denken aan gevallen waarin het verstrekken van gevoelige persoonlijke gegevens tot ernstige benadeling van particulieren zou leiden of aan zaken die onder de rechter zijn, legde de regering eind jaren zestig uit in de toelichting bij de wet. In geen geval wilde de regering toen een lijstje maken. Weigering van inlichtingen is zo zwaarwegend dat daar per geval een afweging moet worden gemaakt (het is geen bevoegdheid, als in de Wob) en het is, als een college geen inlichtingen zou kunnen verschaffen, aan de gemeenteraad te bepalen of ze het met die afweging eens zijn. Pels Rijcken heeft – ik neem aan dat een advocatenkantoor dat mag doen – heel eenzijdig en uitkomstgericht lopen winkelen in de parlementaire stukken, zaken weggelaten, dingen erbij gesleept (artikel 68 Grondwet bijvoorbeeld, met voorbijgaan aan onwelkome delen van de recente wetsgeschiedenis van artikel 169 Gemeentewet), en die ongelukkige parallel gemaakt met de weigeringsgronden van de Wob. En zelfs als we in die Wob-parallel mee zouden gaan (wat strijd is met de wet, maar enfin), dan nog gaat het Bloemendaalse bestuur verder met zijn inlichtingenweigeringsgronden dan onder de Wob zou kunnen. Daar mag je namelijk helemaal niet vragen naar de motieven van de verzoeker, en die hoeft ook zijn belang niet te stellen. Het voorgestelde beleid van het gemeentebestuur van Bloemendaal zet de wereld op zijn kop, schermt met schijn-autoriteit, en – dat lijkt me nog het belangrijkst – bewijst de goede en juiste politieke verhoudingen binnen de gemeente allerminst een dienst: zo gaan we hier in het decentrale bestuur niet met elkaar om. Niet volgens de Grondwet, niet volgens de Gemeentewet, en niet volgens de normale democratische omgangsregels van eerbied en respect voor een volksvertegenwoordiging.

 

 

  1. De brief van het college van B&W 01 Brief College mbt reikwijdte art. 169 Gemeentewet 2018009623
  2. Het advies van Pels Rijcken 02 Advies landsadvocaat behorend bij Brief College mbt reikwijdte art. 169 Gemeentewet 2018009954
  3. Mijn eigen analyse (met achtergronden en bronnen) 03 Analyse W. Voermans beleid brief van 19 juni 2018 college Bloemendaal over artikel 169, derde lid., Gemeentewet

 

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Een vervelend kerstcadeau voor Pechtold: politici en het Geschenkenregister Tweede Kamer

‘Timeo Danaos [1]Beware of Greeks bearing gifts…[2]

Alexander Pechtold is in het nieuws op een manier die die niet leuk vindt. Gedoe. Website GeenStijl berichtte over een schenking ter waarde van ongeveer € 135.000  van een Schevenings appartement door oud-diplomaat Serge Marcoux. Had Pechtold dat nu wel of niet moeten melden in het Geschenkenregister van de Tweede Kamer?

De regels

Er zijn geen wettelijke regels over het aannemen van en registratie van geschenken door parlementariërs, eigenlijk alleen maar huisregels. Artikel 150a, derde lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer regelt in dit verband:

‘3. Ter griffie wordt een register bijgehouden waarin de leden de door hen ontvangen geschenken en voordelen met een hogere waarde dan 50 euro vermelden, uiterlijk één week na ontvangst van het geschenk of het voordeel.’

Het woordje voordelen is er pas onlangs aan toegevoegd naar aanleiding van een evaluatierapport van de GRECO-groep van de Raad van Europa[3] – een groep van Europese Staten die zich sterk maakt voor politieke integriteit en corruptiebestrijding. Al stelde die werkgroep in 2013 vast dat Nederland een net land is met integere politici, wel legde het de vinger op de kwetsbaarheid van ons systeem van registratie en transparantie van geschenken aan en voordelen voor parlementariërs. Zo valt het die GRECO-groep op dat er eigenlijk geen wettelijke regels zijn voor het aannemen van giften en voordelen, buiten dan de geschenkenregisters die de Kamers zelf hebben aangelegd. Óf Kamerleden wel alles netjes daarin opnemen, is hun eigen verantwoordelijkheid. Een handhavende instantie is er niet – je kunt er niet mee naar het Openbaar Ministerie of de rechter. Een Kamerlid dat giften of voordelen aanneemt en niet registreert, kun je weinig maken. De waakhond is de Kamer zelf, de Kamervoorzitter kan al helemaal niet politievrouw spelen. Een kwetsbare situatie volgens die GRECO-groep, zeker ook tegen de achtergrond van de registratiepraktijk die nogal te wensen overlaat.[4] De werkgroep van de Tweede Kamer die in 2014 met het GRECO-rapport aan de slag ging, deed niet al te veel met de Europese analyses en aanbevelingen. Een beetje zelfgenoegzaam werden toch vooral de complimenten van de GRECO-groep uitvergroot en werd een beetje sussend gedaan over de aanbevelingen. Ook ‘voordelen’ zouden voortaan in het geschenkenregister opgenomen moeten worden (en in het Kamerreglement opgenomen), bij omissies op het terrein van nevenactiviteiten zou de griffie mogen kattenbellen en er zouden praatgroepjes moeten komen om eens over de ervaringen door te praten. Een beetje het verhaal van de plas en alles laten zoals het was. En dat terwijl de praktijk van het geschenkenregister toch wel heel wat vragen oproept.

Privé of niet privé?

Ten eerste de vraag waarmee Pechtold op het ogenblik aan het hannesen is. Moeten privé geschenken nu wel of niet worden geregistreerd? De D66 fractieleider is heel stellig in zijn verweer: ‘dat hoeft niet.’ Tja dat zal dan wel, als Pechtold dat zegt, maar het Kamerreglement maakt helemaal geen onderscheid tussen giften en voordelen die je hebt gekregen als privépersoon of als functionaris. Eigenlijk maar goed ook, want waar houdt de privépersoon op en waar begint de politicus? Wereldwijd proberen politici of topbestuurders, van, toegegeven, een heel wat bedenkelijker kaliber dan Pechtold in vermeende fraude of corruptiezaken zich te verstoppen achter hun eigen privépersoon, hun privéleven. Ze hebben nu eenmaal veel goede vrienden. Hoe groezelig en verwarrend privé en publiek door elkaar kunnen lopen bewijzen de laatste presidentsverkiezingen in de VS wel. Dat zijn geen klare lijnen.

Met privé of niet privé zijn we er niet. Het gaat om het doel van dat register. Om te kunnen vertrouwen op politici, maar belangrijker nog op ons democratisch politieke systeem, willen burgers tegenwoordig weten wat er speelt, wat er om gaat. Een werkelijk informatief Geschenken- en voordelenregisters stelt burgers in staat om bij de overheid binnen te kijken, te weten wat er gebeurt. We willen weten met wie de onderhandelaars tijdens de kabinetsformatie praten, we willen weten welke belangenorganisaties belet krijgen bij ministers en ambtenaren. De positie van een Kamerlid of Minister die zegt: ‘Ik maak zelf wel uit met wie ik praat,’ is in 2017 zelfs in polderland Nederland niet houdbaar. Om vertrouwen te kunnen hebben en houden in ons politieke systeem, om dat systeem legitiem te laten functioneren, moeten we mee kunnen kijken, moet dat systeem transparant zijn. Als Pechtold terechte vragen stelt over kostenposten van het Koningshuis, waarvan je in de wandeling zou kunnen zeggen dat ze privékwesties betreffen, dan heeft hij daarin gelijk. En als is hij, Pechtold, natuurlijk niet op dezelfde voet publiek persoon als de Koning, zijn goed ontwikkelde politieke antenne zou hem hebben moeten vertellen dat zo’n grote gift van een oud-diplomaat toch wel veel vragen op zou kunnen roepen, zelfs al was het dan een geschenk van een oude vriend. Onhandig op zijn minst, ook in een situatie waarin er geen scheidsrechter is.

De vreemde praktijk van het Geschenkenregister

Wat Pechtold zeker niet heeft geholpen bij zijn afweging om wel of niet de gift te registreren, is de praktijk van de registratie zelf. Het Geschenkenregister van de Tweede Kamer wordt (ongeveer) sinds 2006 bijgehouden. Het was al weer even geleden dat ik ernaar keek, maar er is niet veel veranderd. Weliswaar zijn er veel meer meldingen (om en nabij de 1350), maar die meldingen zijn nauwelijks informatief. Het register en de registraties geven eerder aanleiding tot lacherigheid dan dat ze een serieuze informatiebron voor kritische burgers zijn.

Een paar waarnemingen per december 2017 dan maar: mijn kerstcadeau voor de Kamer.

  • Veel flauwekulregistraties  Het register staat vol met flauwekulmeldingen over giften (wijnflessen, boeken en boekjes, en andere prullaria) met een geregistreerde waarde van (meestal ver) onder de  € 50,- : de registratiedrempel. Onder dat bedrag hoef je niet te registreren. En ze doen het toch. Waarom doen Kamerleden dat? Hardlopend Kamerlid Remco Dijkstra van de VVD maakt het het bontst. Hij laat registreren dat hij op 5 oktober 2013 een geschenkabonnement voor de slijter ter waarde van  € 5,-  heeft ontvangen bij de sponsorloop Kika in Zoelmond en….die bon heeft weggegeven. Dijkstra is sowieso nationaal geschenkenregistratiekampioen: in zijn eentje is hij goed voor 148 registraties. Zo’n kleine 12% van het totaal. En bijna al zijn registraties vallen ruim onder de drempelwaarde. Dat dient natuurlijk geen enkel doel. Het vervuilt alleen de registratie maar (sowieso moeilijk te doorzoeken omdat die in plat Pdf-formaat wordt geleverd). Of is het een stil protest tegen het registratiesysteem – obstructie – telkens weer als hij zijn jas- en broekzakken vol met houtjes en touwtjes omkeert aan het bureau van de griffie?
  • Kleine waarde Van de meeste van de giften en voordelen is de waarde onbekend, heel veel wordt ook weer weggeschonken. Er komt echter weinig met aanzienlijke waarde voorbij. In de gauwigheid telde ik 52 giften met een geldwaarde hoger dan € 100,-. Ca. 4 % van het totaal van de giften. Het boekenpakket dat een aantal Kamerleden (9 stuks) heeft gekregen van uitgeverij Boom in Amsterdam op 30 september 2008 (waaronder de stichtende vertaling van Montesquieu’s Geest der wetten) met een totaalwaarde van € 106,90 tikt daartussen flink door. Ook zijn een flink aantal van de giften met een waarde van meer dan € 100,- vergoedingen voor gehouden lezingen. Vooral in Christelijke SGP/CU-kringen is het kennelijk de gewoonte dat daar contant voor wordt betaald – meestal zo rond of boven de € 100,- (10x). Giften van meer dan 200 euro zijn uiterst zeldzaam: ik vond er maar 7. Drie daarvan zijn weer (Christelijke) lezingen, eigenlijk springen maar 3 wat grotere giften er echt uit. Op 10 oktober 2016 won Gert-Jan Segers (CU) de Grote Bijbelquiz en ontving daarvoor een weekendje weg-bon van € 500,-. Klaas Dijkhoff (VVD) werd op 16 november 2017 gekozen tot Best Geklede Man van het jaar 2017 en won een shoptegoed bij de Bijenkorf t.w.v. € 1.000,- (een serieus bedrag, maar voor een sharp-dresser natuurlijk ook weer niet zoveel). De grootste gift – € 2.011,11 – kreeg Albert van den Bosch (ook VVD)  bij zijn afscheid als burgemeester van Zaltbommel. Eigenlijk geen gift maar een donatie. Zo’n bedrag aan opgehaald geld, gedrukt op een grote kartonnen cheque, die Van den Bosch onmiddellijk doorgaf aan het Dierenasiel Bommelerwaard in Bruchem – waar dat bedrag de hele tijd al voor bedoeld was. Niet om het een of ander, maar de hoogte van de bedragen gemoeid met de giften laat ook zien dat de geregistreerde meldingen over weinig substantiële zaken gaan. Met een schenking van € 135.000,- zou Pechtold er wel enorm zijn uitgesprongen.
  • Gefuifd of mee op pad genomen?  Naast een eindeloze reeks van (niet registratieplichtige) boekjes (eentje ter waarde van € 4,75 ‘Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers’), wijnflessen, pennen, bekers en goedkope cognac, komen er ook relatief veel geschonken toegangskaartjes voor sportwedstrijden, concerten en theatervoorstellingen voor. Wel goed dat die geregistreerd worden want met de organisaties die die evenementen organiseren kan je als politicus natuurlijk wel te maken krijgen. Anne Mulder’s (VVD) liefde voor sport, met name voetbal en dan weer met name voor voetbalclub ADO is op het aandoenlijke af. Een keer of 7 werd hij er voor een thuiswedstrijd uitgenodigd. Vooral voor Nederlandse en Europese kampioenschappen, voor voetbal en hockey, maar ook voor de Tefaf krijgen Kamerleden uitnodigingen. Maar kennelijk niet iedereen registreert die op dezelfde manier.
  • Gatenkaas en verouderd  52 Kamerleden krijgen nooit iets, kennelijk. Bij hen is het vakje giften en voordelen leeg. Die lege-handen-Kamerleden tref je aan verdeeld over alle fracties en partijen. Dat een derde van de Kamerleden niks te melden heeft, is wel een beetje vreemd omdat er soms cadeaupakketten bij de hele Kamer worden afgeleverd (zoals dat eerdergenoemde boekenpakket van uitgeverij Boom, alweer uit 2008) die door het ene Kamerlid wel en door het andere Kamerlid weer niet worden geregistreerd. Nu moeten we geen spijkers op laag water willen zoeken, maar aan een onvolledig en grotendeels verouderd register heeft niemand iets. Want het mag zo zijn dat Alexander Pechtold keurig 52 keer melding heeft gemaakt van geschenken – het telt voor niks als nu juist die ene grote, waarover je ook nog wel wat vragen zou kunnen hebben (vragen die de D66 fractieleider ongetwijfeld zal kunnen beantwoorden), er niet tussen staat.

Transparantie

De praktijk van de registratie is dus nog lang niet op orde en een incident als die gift aan Pechtold werpt onmiddellijk een smet op die hele registratie. Het krijgt de bijsmaak van een institutioneel rookgordijn. En wat al zeker niet helpt, is als bij dit soort incidenten de psychologische kaart wordt getrokken (Pechtold is toch een betrouwbaar mens), dat het als kleinigheid van de prioriteitenladder wordt geschopt (‘zijn er nou echt geen belangrijker zaken?’) of dat er bewust wordt verhaspeld. Kamerleden hebben toch een zuiveringseed gezworen waarin ze beloven dat ze geen giften hebben aangenomen om iets wel of niet te doen in het ambt?[5] Dat gaat over iets anders, en dat heeft slechts een indirecte relatie tot het Geschenkenregister.

Het incident Pechtold laat zien dat er op het terrein van transparantie nog een wereld te winnen valt in Nederland. Dat is altijd taaie materie want overleggen in ons polderland vergt nu eenmaal altijd een beetje geborgenheid en vertrouwelijkheid. Af en toe moeten bij ons wel eens katjes in het donker van de achterkamertjes worden geknepen. Dat begrijpt iedereen. Maar daarom dringt het in Nederland juist zo, dat wat we wel echt moeten weten wie onze onderhandelaars zijn. Onze vertrouwelingen die we met ons mandaat achter gesloten deuren laten onderhandelen. Misschien willen of moeten we daarom zelfs ook  dingen weten die gedeeltelijk privé zijn. Als we al zouden weten waar die privésfeer begint. Want het mag nooit zo worden dat die overheid en politici wel bijna alles van ons weten, maar wij nog nauwelijks over hen.

NOTEN

[1] Deel van het citaat ‘Timeo Danaos et dona ferentes’ uit Vergilius’ Aeneis (zang II, vers 49). Het betekent “Ik ben bang voor Danaërs (= ‘Grieken’), ook als zij geschenken aanbieden”. Vergilius legt deze woorden in de mond van de Trojaanse hogepriester Laocoön die een angstig voorgevoel krijgt bij het zien van het houten gevaarte dat de Grieken bij hun vertrek achterlaten op het strand (Het paard van Troje).

[2] Het gevleugelde Engelse gezegde is een niet helemaal correcte vertaling van Vergilius’ vers (kent wel dezelfde stam), maar drukt misschien juist daardoor nog wel een krachtiger boodschap uit.

[3] Group of States Against Corruption (GRECO), Fourth Evaluation Round, Corruption prevention in respect of members of parliament, judges and prosecutors. Evaluation Report Netherlands adopted by GRECO at its 60th Plenary Meeting, Strasbourg, 17-21 June 2013. Council of Europe, Strasbourg 2013.

[4] In de bewoordingen van de GRECO-groep: ‘given the imperfect compliance with the declaration requirements’.

[5] De eed op basis van artikel 60 Grondwet: “Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot minister/staatssecretaris/lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.”

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , | 8 Comments