Een juridisch probleem in de intrekkingswet Wet raadgevend referendum

Er zit mogelijk een juridisch gat in de intrekkingswet Wet raadgevend referendum. Iets waar iedereen in de haastige paniek om zo snel mogelijk de Wet raadgevend referendum om zeep te helpen overheen heeft gekeken of overheen heeft willen kijken. Nou gebeurt het wel meer dat waar gehakt wordt spaanders vallen, maar het probleem van de intrekkingswet gaat wel leiden tot – kansrijke – rechtszaken. En natuurlijk: het ziet er niet uit – zo wil je dat toch niet. Want zeg nou zelf: als er een wet een referendum verdient is het toch wel die intrekkingswet Wet raadgevend referendum?

Lees hieronder het stuk dat onlangs in het Nederlands Juristenblad verscheen (gebaseerd op het stuk ik op 13 februari inbracht tijdens de ronde tafelconferentie die de Tweede Kamer aan het intrekkingsvoorstel wijdde). Daarin kan je lezen hoe het probleem onder de motorkap in elkaar zit.

Klik: NJB artikel Catch-22 (maart2018)

 

Advertisements
Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , | 1 Comment

Een vervelend kerstcadeau voor Pechtold: politici en het Geschenkenregister Tweede Kamer

‘Timeo Danaos [1]Beware of Greeks bearing gifts…[2]

Alexander Pechtold is in het nieuws op een manier die die niet leuk vindt. Gedoe. Website GeenStijl berichtte over een schenking ter waarde van ongeveer € 135.000  van een Schevenings appartement door oud-diplomaat Serge Marcoux. Had Pechtold dat nu wel of niet moeten melden in het Geschenkenregister van de Tweede Kamer?

De regels

Er zijn geen wettelijke regels over het aannemen van en registratie van geschenken door parlementariërs, eigenlijk alleen maar huisregels. Artikel 150a, derde lid, van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer regelt in dit verband:

‘3. Ter griffie wordt een register bijgehouden waarin de leden de door hen ontvangen geschenken en voordelen met een hogere waarde dan 50 euro vermelden, uiterlijk één week na ontvangst van het geschenk of het voordeel.’

Het woordje voordelen is er pas onlangs aan toegevoegd naar aanleiding van een evaluatierapport van de GRECO-groep van de Raad van Europa[3] – een groep van Europese Staten die zich sterk maakt voor politieke integriteit en corruptiebestrijding. Al stelde die werkgroep in 2013 vast dat Nederland een net land is met integere politici, wel legde het de vinger op de kwetsbaarheid van ons systeem van registratie en transparantie van geschenken aan en voordelen voor parlementariërs. Zo valt het die GRECO-groep op dat er eigenlijk geen wettelijke regels zijn voor het aannemen van giften en voordelen, buiten dan de geschenkenregisters die de Kamers zelf hebben aangelegd. Óf Kamerleden wel alles netjes daarin opnemen, is hun eigen verantwoordelijkheid. Een handhavende instantie is er niet – je kunt er niet mee naar het Openbaar Ministerie of de rechter. Een Kamerlid dat giften of voordelen aanneemt en niet registreert, kun je weinig maken. De waakhond is de Kamer zelf, de Kamervoorzitter kan al helemaal niet politievrouw spelen. Een kwetsbare situatie volgens die GRECO-groep, zeker ook tegen de achtergrond van de registratiepraktijk die nogal te wensen overlaat.[4] De werkgroep van de Tweede Kamer die in 2014 met het GRECO-rapport aan de slag ging, deed niet al te veel met de Europese analyses en aanbevelingen. Een beetje zelfgenoegzaam werden toch vooral de complimenten van de GRECO-groep uitvergroot en werd een beetje sussend gedaan over de aanbevelingen. Ook ‘voordelen’ zouden voortaan in het geschenkenregister opgenomen moeten worden (en in het Kamerreglement opgenomen), bij omissies op het terrein van nevenactiviteiten zou de griffie mogen kattenbellen en er zouden praatgroepjes moeten komen om eens over de ervaringen door te praten. Een beetje het verhaal van de plas en alles laten zoals het was. En dat terwijl de praktijk van het geschenkenregister toch wel heel wat vragen oproept.

Privé of niet privé?

Ten eerste de vraag waarmee Pechtold op het ogenblik aan het hannesen is. Moeten privé geschenken nu wel of niet worden geregistreerd. De D66 fractieleider is heel stellig in zijn verweer: ‘dat hoeft niet.’ Tja dat zal dan wel, als Pechtold dat zegt, maar het Kamerreglement maakt helemaal geen onderscheid tussen giften en voordelen die je hebt gekregen als privépersoon of als functionaris. Eigenlijk maar goed ook, want waar houdt de privépersoon op en waar begint de politicus? Wereldwijd proberen politici of topbestuurders, van, toegegeven, een heel wat bedenkelijker kaliber dan Pechtold in vermeende fraude of corruptiezaken zich te verstoppen achter hun eigen privépersoon, hun privéleven. Ze hebben nu eenmaal veel goede vrienden. Hoe groezelig en verwarrend privé en publiek door elkaar kunnen lopen bewijzen de laatste presidentsverkiezingen in de VS wel. Dat zijn geen klare lijnen.

Met privé of niet privé zijn we er niet. Het gaat om het doel van dat register. Om te kunnen vertrouwen op politici, maar belangrijker nog op ons democratisch politieke systeem, willen burgers tegenwoordig weten wat er speelt, wat er om gaat. Een werkelijk informatief Geschenken- en voordelenregisters stelt burgers in staat om bij de overheid binnen te kijken, te weten wat er gebeurt. We willen weten met wie de onderhandelaars tijdens de kabinetsformatie praten, we willen weten welke belangenorganisaties belet krijgen bij ministers en ambtenaren. De positie van een Kamerlid of Minister die zegt: ‘Ik maak zelf wel uit met wie ik praat,’ is in 2017 zelfs in polderland Nederland niet houdbaar. Om vertrouwen te kunnen hebben en houden in ons politieke systeem, om dat systeem legitiem te laten functioneren, moeten we mee kunnen kijken, moet dat systeem transparant zijn. Als Pechthold terechte vragen stelt over kostenposten van het Koningshuis, waarvan je in de wandeling zou kunnen zeggen dat ze privékwesties betreffen, dan heeft hij daarin gelijk. En als is hij, Pechtold, natuurlijk niet op dezelfde voet publiek persoon als de Koning, zijn goed ontwikkelde politieke antenne zou hem hebben moeten vertellen dat zo’n grote gift van een oud-diplomaat toch wel veel vragen op zou kunnen roepen, zelfs al was het dan een geschenk van een oude vriend. Onhandig op zijn minst, ook in een situatie waarin er geen scheidsrechter is.

De vreemde praktijk van het Geschenkenregister

Wat Pechtold zeker niet heeft geholpen bij zijn afweging om wel of niet de gift te registreren, is de praktijk van de registratie zelf. Het Geschenkenregister van de Tweede Kamer wordt (ongeveer) sinds 2006 bijgehouden. Het was al weer even geleden dat ik ernaar keek, maar er is niet veel veranderd. Weliswaar zijn er veel meer meldingen (om en nabij de 1350), maar die meldingen zijn nauwelijks informatief. Het register en de registraties geven eerder aanleiding tot lacherigheid dan dat ze een serieuze informatiebron voor kritische burgers zijn.

Een paar waarnemingen per december 2017 dan maar: mijn kerstcadeau voor de Kamer.

  • Veel flauwekulregistraties  Het register staat vol met flauwekulmeldingen over giften (wijnflessen, boeken en boekjes, en andere prullaria) met een geregistreerde waarde van (meestal ver) onder de  € 50,- : de registratiedrempel. Waarom doen Kamerleden dat? Hardlopend Kamerlid Remco Dijkstra van de VVD maakt het het bontst. Hij laat registreren dat hij op 5 oktober 2013 een geschenkabonnement voor de slijter ter waarde van  € 5,-  heeft ontvangen bij de sponsorloop Kika in Zoelmond en….die bon heeft weggegeven. Dijkstra is sowieso nationaal geschenkenregistratiekampioen: in zijn eentje is hij goed voor 148 registraties. Zo’n kleine 12% van het totaal. En bijna al zijn registraties vallen ruim onder de drempelwaarde. Dat dient natuurlijk geen enkel doel. Het vervuilt alleen de registratie maar (sowieso moeilijk te doorzoeken omdat die in plat Pdf-formaat wordt geleverd). Of is het een stil protest tegen het registratiesysteem – obstructie – telkens weer als hij zijn jas- en broekzakken vol met houtjes en touwtjes omkeert aan het bureau van de griffie?
  • Kleine waarde Van de meeste van de giften en voordelen is de waarde onbekend, heel veel wordt ook weer weggeschonken. Er komt echter weinig met aanzienlijke waarde voorbij. In de gauwigheid telde ik 52 giften met een geldwaarde hoger dan € 100,-. Ca. 4 % van het totaal van de giften. Het boekenpakket dat een aantal Kamerleden (9 stuks) heeft gekregen van uitgeverij Boom in Amsterdam op 30 september 2008 (waaronder de stichtende vertaling van Montesquieu’s Geest der wetten) met een totaalwaarde van € 106,90 tikt daartussen flink door. Ook zijn een flink aantal van de giften met een waarde van meer dan € 100,- vergoedingen voor gehouden lezingen. Vooral in Christelijke SGP/CU-kringen is het kennelijk de gewoonte dat daar contant voor wordt betaald – meestal zo rond of boven de € 100,- (10x). Giften van meer dan 200 euro zijn uiterst zeldzaam: ik vond er maar 7. Drie daarvan zijn weer (Christelijke) lezingen, eigenlijk springen maar 3 wat grotere giften er echt uit. Op 10 oktober 2016 won Gert-Jan Segers (CU) de Grote Bijbelquiz en ontving daarvoor een weekendje weg-bon van € 500,-. Klaas Dijkhoff (VVD) werd op 16 november 2017 gekozen tot Best Geklede Man van het jaar 2017 en won een shoptegoed bij de Bijenkorf t.w.v. € 1.000,- (een serieus bedrag, maar voor een sharp-dresser natuurlijk ook weer niet zoveel). De grootste gift – € 2.011,11 – kreeg Albert van den Bosch (ook VVD)  bij zijn afscheid als burgemeester van Zaltbommel. Eigenlijk geen gift maar een donatie. Zo’n bedrag aan opgehaald geld, gedrukt op een grote kartonnen cheque, die Van den Bosch onmiddellijk doorgaf aan het Dierenasiel Bommelerwaard in Bruchem – waar dat bedrag de hele tijd al voor bedoeld was. Niet om het een of ander, maar de hoogte van de bedragen gemoeid met de giften laat ook zien dat de geregistreerde meldingen over weinig substantiële zaken gaan. Met een schenking van € 135.000,- zou Pechtold er wel enorm zijn uitgesprongen.
  • Gefuifd of mee op pad genomen?  Naast een eindeloze reeks van (niet registratieplichtige) boekjes (eentje ter waarde van € 4,75 ‘Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers’), wijnflessen, pennen, bekers en goedkope cognac, komen er ook relatief veel geschonken toegangskaartjes voor sportwedstrijden, concerten en theatervoorstellingen voor. Wel goed dat die geregistreerd worden want met de organisaties die die evenementen organiseren kan je als politicus natuurlijk wel te maken krijgen. Anne Mulder’s (VVD) liefde voor sport, met name voetbal en dan weer met name voor voetbalclub ADO is op het aandoenlijke af. Een keer of 7 werd hij er voor een thuiswedstrijd uitgenodigd. Vooral voor Nederlandse en Europese kampioenschappen, voor voetbal en hockey, maar ook voor de Tefaf krijgen Kamerleden uitnodigingen. Maar kennelijk niet iedereen registreert die op dezelfde manier.
  • Gatenkaas en verouderd  52 Kamerleden krijgen nooit iets, kennelijk. Bij hen is het vakje giften en voordelen leeg. Die lege-handen-Kamerleden tref je aan verdeeld over alle fracties en partijen. Dat een derde van de Kamerleden niks te melden heeft, is wel een beetje vreemd omdat er soms cadeaupakketten bij de hele Kamer worden afgeleverd (zoals dat eerdergenoemde boekenpakket van uitgeverij Boom, alweer uit 2008) die door het ene Kamerlid wel en door het andere Kamerlid weer niet worden geregistreerd. Nu moeten we geen spijkers op laag water willen zoeken, maar aan een onvolledig en grotendeels verouderd register heeft niemand iets. Want het mag zo zijn dat Alexander Pechtold keurig 52 keer melding heeft gemaakt van geschenken – het telt voor niks als nu juist die ene grote, waarover je ook nog wel wat vragen zou kunnen hebben (vragen die de D66 fractieleider ongetwijfeld zal kunnen beantwoorden), er niet tussen staat.

Transparantie

De praktijk van de registratie is dus nog lang niet op orde en een incident als die gift aan Pechtold werpt onmiddellijk een smet op die hele registratie. Het krijgt de bijsmaak van een institutioneel rookgordijn. En wat al zeker niet helpt, is als bij dit soort incidenten de psychologische kaart wordt getrokken (Pechtold is toch een betrouwbaar mens), dat het als kleinigheid van de prioriteitenladder wordt geschopt (‘zijn er nou echt geen belangrijker zaken?’) of dat er bewust wordt verhaspeld. Kamerleden hebben toch een zuiveringseed gezworen waarin ze beloven dat ze geen giften hebben aangenomen om iets wel of niet te doen in het ambt?[5] Dat gaat over iets anders, en dat heeft slechts een indirecte relatie tot het Geschenkenregister.

Het incident Pechtold laat zien dat er op het terrein van transparantie nog een wereld te winnen valt in Nederland. Dat is altijd taaie materie want overleggen in ons polderland vergt nu eenmaal altijd een beetje geborgenheid en vertrouwelijkheid. Af en toe moeten bij ons wel eens katjes in het donker van de achterkamertjes worden geknepen. Dat begrijpt iedereen. Maar daarom dringt het in Nederland juist zo, dat wat we wel echt moeten weten wie onze onderhandelaars zijn. Onze vertrouwelingen die we met ons mandaat achter gesloten deuren laten onderhandelen. Misschien willen of moeten we daarom zelfs ook  dingen weten die gedeeltelijk privé zijn. Als we al zouden weten waar die privésfeer begint. Want het mag nooit zo worden dat die overheid en politici wel bijna alles van ons weten, maar wij nog nauwelijks over hen.

 

NOTEN

[1] Deel van het citaat ‘Timeo Danaos et dona ferentes’ uit Vergilius’ Aeneis (zang II, vers 49). Het betekent “Ik ben bang voor Danaërs (= ‘Grieken’), ook als zij geschenken aanbieden”. Vergilius legt deze woorden in de mond van de Trojaanse hogepriester Laocoön die een angstig voorgevoel krijgt bij het zien van het houten gevaarte dat de Grieken bij hun vertrek achterlaten op het strand (Het paard van Troje).

[2] Het gevleugelde Engelse gezegde is een niet helemaal correcte vertaling van Vergilius’ vers (kent wel dezelfde stam), maar drukt misschien juist daardoor nog wel een krachtiger boodschap uit.

[3] Group of States Against Corruption (GRECO), Fourth Evaluation Round, Corruption prevention in respect of members of parliament, judges and prosecutors. Evaluation Report Netherlands adopted by GRECO at its 60th Plenary Meeting, Strasbourg, 17-21 June 2013. Council of Europe, Strasbourg 2013.

[4] In de bewoordingen van de GRECO-groep: ‘given the imperfect compliance with the declaration requirements’.

[5] De eed op basis van artikel 60 Grondwet: “Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot minister/staatssecretaris/lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.”

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , | 8 Comments

Duominister: Van Dale woord van het jaar?

Wat een gekke brief van de Voorzitter van de Eerste Kamer aan premier Rutte, die brief van 24 oktober 2017 over de kabinetsformatie. De senaat vraagt zich hoe het toch eigenlijk kan dat, zoals de bedoeling is, drie ministeries ieder twee ministers aan het hoofd gaan krijgen (eigenlijk zelfs vier).

Staatsrechtelijk is van belang, zo weet de senaat in de brief, dat duidelijk is welke van de twee ministers in zo’n geval belast is met de leiding van het ministerie. Want artikel 44 van de Grondwet luidt toch immers:

Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.

De tekst – ‘een minister’ – sluit feitelijk uit dat twee minister tegelijkertijd met de leiding van een hetzelfde ministerie worden belast, volgens de senaat. Wat gebeurt strijdt dus met de Grondwet.

??

Echt niet. Dit is een staaltje staatsrecht maken waar je bij staat.

Ten eerste staat staatsrechtelijk al decennia vast dat de regering, in goed overleg met het parlement, bepaalt welke ministeries er zullen zijn, hoe die worden ingericht en welke ministerposten en staatssecretariaten daarbij gaan horen. De Grondwet laat daar terecht zoveel mogelijk ruimte voor. Het tweede lid van artikel 44 Grondwet, dat het mogelijk maakt om ministers aan te stellen die niet zijn belast met de leiding van een ministerie, moet ook in die zin worden gezien. Het is een ruimte scheppende bepaling. Ook dat soort ministers mag worden benoemd. Je mag dat niet andersom lezen (zoals de senaat doet): hooguit één minister per ministerie en anders een ‘tweede lid minister’-zonder portefeuille. Dat zou het de facto onmogelijk maken om twee ministers gebruik te laten maken van (onderdelen van) één ambtelijk apparaat, door het gezamenlijk aan te sturen.. Waar ze die stellige staatsrechtelijke overtuigingen vandaan halen weet ik niet. Het vindt geen grond in de grondwetsgeschiedenis, de juris- of legisprudentie of de literatuur. Het is nieuw staatsrecht van senatoriale makelij, zo lijkt het.

Ten tweede: de letterknechterij van de senaat op de tekst van artikel 44 Grondwet slaat ook tekstueel de plank  mis. Het lidwoord ‘een’ in de zin ‘Zij staan onder leiding van een minister’ is geen numerieke of getalsaanduiding, maar een soort- of genusaanduiding. Je moet het lezen in de context van artikel 46 dat over de staatssecretarissen gaat, en artikel 48 Grondwet over de minister-president. Met ‘een minister’ wordt verwezen naar het soort ambt dat hier wordt bedoeld: minister (en niet een staatssecretaris). Zo wordt, om het een beetje dichter bij de Eerste Kamer te brengen, in artikel 57, tweede lid, van de Grondwet dat luidt dat:

2. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tevens zijn minister, staatssecretaris, lid van de Raad van State, lid van de Algemene Rekenkamer (…).

niet bedoeld dat van al die 225 leden van de Staten-Generaal er maar één niet die functies kan verenigen. Ook hier wordt de ‘soort’ lid van de Staten-Generaal bedoeld.

Ik begrijp dat de Eerste Kamer om zich op wil werpen als hoeder van de Grondwet, en ik snap ook dat ze een beetje stoom af willen blazen omdat ze er zo bij hangen bij de kabinetsformatie, maar dit….dit moesten ze maar niet meer doen. Dit  helpt niet.

Posted in Algemeen, Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , | Leave a comment

Hoe groot is de kans dat Rutte III de eindstreep haalt?

Grote coalitiekabinetten die steunen op vier of meer partijen in de Tweede (en de Eerste Kamer) zijn kwetsbaar. Zou je zo zeggen. Veel verschillen van inzicht en richting, veel potentiële twistpunten. Met vier partijen van verschillende signatuur achter zich en een minimale meerderheid in de Tweede Kamer (en Eerste Kamer) wordt het kabinet Rutte III zo op het eerste gezicht onder een slecht gesternte geboren. Voor de kansen dat Rutte III de hele rit van vier jaar uit zit wordt dan ook weinig gegeven. Dat de formatie zo lang heeft geduurd (een record in de parlementaire geschiedenis) is zelfs uit te leggen als een veeg teken.

Maar liggen die kansen ook werkelijk zo slecht? Niemand heeft natuurlijk een kristallen bol, maar je zou eens kunnen kijken naar de langjarige gemiddelden. Hoe lang zaten vierpartijenkabinetten (ongeveer) de afgelopen honderd jaar (als we voor het gemak even rekenen vanaf de introductie van het algemeen kiesrecht in 1919) gemiddeld? Op basis van die cijfers is er wellicht iets te zeggen over de gemiddelde overlevingskansen van verschillende kabinetstypen uit de periode 1919-2017.

Gemiddelde overlevingskans

We berekenen de overlevingskans op een hele grofmazige wijze. Een kabinet heeft, in onze berekening, een 100% overlevingskans als het 4 x 365 = 1460 dagen of meer zit (4 jaar is de gemiddelde periode tussen 2 reguliere verkiezingen – soms gaat het zelfs om meer dagen). De dagen die een kabinet zit, zetten we af tegen deze 1460 dagen en beschouwen dat als ‘de overlevingskans’. Helemaal klopt dat niet natuurlijk want kabinetten komen om een veelheid van redenen aan hun eind, en soms is al vooraf afgesproken dat een kabinet maar even aanblijft. Die nuances maken vergelijken onmogelijk en dat is toch juist wat we willen doen. En natuurlijk, de vergelijking gaat ook mank doordat in de vergelijking kabinetten uit hele andere tijden zijn betrokken met hele andere politieke, sociale en culturele randvoorwaarden en achtergronden. Een vergelijking van appels en peren, en eigenlijk ook nog eens tussen koolrapen en schorseneren… maar toch. We beginnen onze telling vanaf de introductie vanaf het (gedeeltelijk) algemeen kiesrecht in 1917 toen het moderne kiesstelsel werd geïntroduceerd op basis van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste kabinet kon nog niet bogen op vrouwenstem; die werd pas vanaf 1919 geïntroduceerd.

Dat brengt op de volgende totalen voor vierpartijenkabinetten:

Overlevingsduur vierpartijenkabinetten 1919-2017

naam periode soort Dagen/’Overleving’
De Jong 1967-1971 Meerderheidskabinet (4) 1553 dagen = 100% +
De Quay 1959-1963 Meerderheidskabinet (4) 1527 dagen = 100% +
Drees III 1956-1958 Meerderheidskabinet (4) 800 dagen = 54%
Drees II 1952-1956 Meerderheidskabinet (4) 1502 dagen = 100% +
Drees I 1951-1952 Meerderheidskabinet (4) 537 dagen = 36%
Drees-Van Schaik 1948-1951 Meerderheidskabinet (4) 950 dagen = 65%
Schermerhorn-Drees * 1945-1946 Meerderheidskabinet (4) 374 dagen = 25%
Colijn III (en II) 1933-1937 Meerderheidskabinet (4) 788 dagen = 53%
Colijn I 1925-1926 Meerderheidskabinet (4) 99 dagen = 0,6%
* Het kabinet Schermerhorn-Drees was een ‘noodkabinet’ dat net na de Tweede Wereldoorlog aantrad; er waren nog geen verkiezingen geweest – het werkte samen met een ‘noodparlement’.

Het gemiddelde en het vooruitzicht

Bij elkaar opgeteld zaten de negen vierpartijenkabinetten van na 1919, 8.130 dagen. We berekenen dat totaal op basis van het netto aantal dagen. Dat ligt soms boven de 1460 dagen van de vierjaarperiode, maar de berekening is zo wel het meest zuiver. Gemiddeld regeerden vierpartijenkabinetten vanaf 1919 dus 903,3 dagen. Daarmee komt de overlevingskans op een gemiddelde van 62%. En dat is lang niet gek. In de gehele periode tussen 1919 en 2017 ligt de overlevingskans van alle vormen van kabinetten zo rond de 63%. Cijfermatig bezien is er dus geen reden om aan te nemen dat de coalitie van Rutte III als vierpartijen kabinet wankeler is dan drie- of tweepartijenkabinetten van na 1919. Wel maakt de mini-meerderheid van 76 zetels het kabinet Rutte III  ‘kwetsbaar als porselein’ (De Volkskrant 10 oktober 2017)

Als het aanstaande kabinet op 26 oktober beëdigd wordt (verwachten we) dan zal Rutte waarschijnlijk, na een marathondebat, op donderdag 16 april 2020, zo rond een uur of elf ‘s avonds, aankondigen dat het kabinet zijn ontslag aanbiedt aan de koning. Dat op basis van meerjarige gemiddelden-verwachting. Zeker weten doen we dat natuurlijk niet: we kunnen er natuurlijk zomaar een paar dagen naast zitten.

 

Posted in Algemeen, Politiek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , | Leave a comment

Wat gaat er gebeuren met de Wet raadgevend referendum?

Niemand kan in de toekomst kijken, maar het ziet er naar uit dat we een raadgevend referendum gaan krijgen over de onlangs gewijzigde Wet Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (sleepwet). De grens van 300.000 steunbetuigingen schijnt te zijn bereikt. Een referendum waarnaar door de formerende partijen niet reikhalzend wordt uit gezien, om het voorzichtig te stellen.

Een tweede referendum in twee jaar. Het instrument voorziet kennelijk in een behoefte, zou je kunnen zeggen.

Wat gaat er gebeuren?  Waarschijnlijk zullen we bij gelegenheid van de gemeenteraadsverkiezingen (maart 2018) de vraag voorgelegd krijgen of met de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten de juiste balans is getroffen tussen de veiligheidsbelangen – behartigd via de operationele mogelijkheden van de veiligheidsdiensten – en de grondrechtelijke belangen van burgers en organisaties (privacy, vrijheid van informatievergaring en meningsuiting, e.d.). Een heel wat minder ingewikkeld vraagstuk dan de kluwen van vraagstukken die bij de goedkeuringswet van het EU-Oekraïne Associatieverdrag voorlag. Een controversieel vraagstuk ook waar heel verschillend over wordt gedacht, ook binnen partijen. Een goed onderwerp om eens te oefenen met het referendum; want referenderen moet we in Nederland echt nog leren.

(Zie daarover de Volkskrant, Referendum speeltje voor populisten? (26 november 2016)  en eerder de Volkskrant, Schaf referendum niet af wegens eigen falen (8 april 2016).

Er wordt inmiddels wel flink gespeculeerd. Kan de regering niet een referendum voorkomen door alsnog de Wet raadgevend referendum snel in te trekken? (Zoals de Kiesraad bij monde van een woordvoerder theoretisch mogelijk acht.) Of misschien snel de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten te wijzigen, zodat het onderwerp van het referendum wegvalt?

Nee. Dat kan niet. De Wet raadgevend referendum intrekken kan natuurlijk altijd, maar dan zal het raadgevende referendum over de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten toch gewoon afgehandeld worden onder de regels van de oude Wet raadgevend referendum. Je kunt niet tijdens de wedstrijd de goalpalen gaan verzetten. Wetten en ook de intrekking van wetten hebben – op grond van het rechtszekerheidsbeginsel  (een van de meest fundamentele beginselen van een rechtsstaat) – in beginsel geen terugwerkende kracht. Het snel wijzigen van de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten stuit op datzelfde rechtszekerheidsbeginsel. En dat dan nog los van de totale politieke chaos die zo’n manoeuvre zou veroorzaken en de smet die het op de betrouwbaarheid van de overheid zou werpen.  Zeker het snel wijzigen van de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten zou, als dat nog zou kunnen, vals spel zijn.

Maar wat dan met artikel 128 van de Wet raadgevend referendum (Wrr)? Dat artikel zegt tot dat de Wrr vervalt als de grondwetsherziening die voorziet in een correctief referendum in werking treedt? Ja, dat staat er zeker, maar die grondwetsherziening gaat er niet komen. En door het feit dat de wet met de grondwetsherziening tot een correctief referendum er niet komt (niet zal worden aangenomen), kan die ook niet in werking treden. En dat betekent dat ook de Wet raadgevend referendum niet automatisch gaat vervallen. De Wrr zal uit het juridische leven moeten worden getild door expliciete intrekking. Wellicht is het verstandig om daarmee – als dat al het plan is – even te wachten tot aan het referendum van maart 2018.

Voor wie het eens na wil lezen: hierbij de tekst artikel 128 Wet raadgevend referendum:

Artikel 128

 1 Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de vierde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en vervalt op het tijdstip waarop de wet of wetten ter uitvoering van de in het voorstel tot verandering in de Grondwet, strekkende tot opneming van bepalingen inzake het correctief referendum, ingevoegde paragraaf 1A van hoofdstuk 5 van de Grondwet in werking treedt of treden

2 Ten aanzien van wetten waarvoor op het tijdstip van het vervallen van deze wet de termijn voor het indienen van een inleidend verzoek tot het houden van een referendum is ingegaan, blijft het bepaalde in deze wet ook na dat tijdstip van kracht

De nog belangrijker vraag is natuurlijk  nu:

Kan er een referendum komen over de intrekkingswet van de Wet raadgevend referendum?

Het  regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst van oktober 2017 stelt: ‘De Wet raadgevend referendum wordt ingetrokken.’ Zou je over de intrekking van de Wet raadgevend referendum nog een referendum kunnen houden? Heel waarschijnlijk niet.

Zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat de intrekkingswet raadgevend referendum een uitgestelde inwerkingtredingsbepaling zou kennen, en dus niet onmiddellijk na bekendmaking inwerking treedt (onmiddellijke inwerkingtreding is de regel) lijkt dat niet voor de hand te liggen. Onze Grondwet bepaalt (art. 87) dat een wetsvoorstel een wet wordt nadat het is bekrachtigd door de regering. Dat gebeurt meestal onmiddellijk na het aannemen van het voorstel door de Eerste Kamer. Gebruikelijk is de wet daarop ook direct inwerking te laten treden (onmiddellijke inwerkingtreding, dus aansluitend op de bekendmaking van de wet met inachtneming van de termijnen van de Bekendmakingwet).. De regering, die kennelijk van de wet af wil, zal daar zeker op aan sturen.

Zo’n  normale inwerkingtredingstermijn zal op zich meestal te kort zijn om dan nog succesvol een referendum te kunnen lanceren. De Wet raadgevend referendum (Wrr) kent daarom termijnen (en ook beslissingen) die ervoor moeten zorgen dat referenda mogelijk blijven. De techniek is dat een wet niet eerder in werking kan treden dan op het laatste moment waarop nog om een referendum kan worden verzocht. Maar geldt dat nu ook voor de Wrr zelf, met name voor de intrekkingswet van de Wrr? Je zou kunnen zeggen van niet (ook als is de Wrr in de Wrr zelf niet uitgezonderd). Als de Wrr wordt ingetrokken, is daarvan de hele bedoeling natuurlijk dat er geen referendum meer kan worden gehouden. En eigenlijk is met een aangenomen intrekkingswet Wrr de wet die referenda mogelijk maakte weg. Aan de andere kant kan je volhouden dat ook (of wellicht juist) over de intrekking van de Wrr moet kunnen worden gereferendeerd.

Het precedent van de intrekking van de Tijdelijke referendumwet in 2004

De regering stelde zich in 2002 bij het voornemen tot intrekking van de Tijdelijke referendumwet (Trw), die tussen 1999 en 2004 gold, op het eerste standpunt. De intrekkingswet maakte het door de gehanteerde methodiek van uitzondering en inwerkingtredingstechniek onmogelijk om over de intrekkingswet van de Trw nog een referendum te organiseren.

Dat ging de Raad van State, die in 2002 adviseerde over het voorstel van de intrekkingswet (Kamerstukken II 2002/03, 28 739, A) Trw, té ver. De Raad oordeelde als volgt.

“Een inwerkingtredingsbepaling die de toepasselijkheid van de geldende Trw op de mogelijkheid van het indienen van een inleidend verzoek tot het houden van een referendum over de intrekkingswet voor wil zijn, blijft dus een slag in de lucht. Na onherroepelijke toelating van zo’n inleidend verzoek vervalt ingevolge artikel 13 Trw hetgeen in de intrekkingswet over de inwerkingtreding ervan is geregeld. Enkel en alleen indien op de voet van artikel 16 Trw met een uitdrukkelijke verwijzing naar die bepaling wordt vastgesteld dat de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden, kan het wetsvoorstel zo worden opgezet dat het in werking treedt voordat gebruik gemaakt kan worden een referendum over de intrekkingswet te houden. Dan zou echter gemotiveerd moeten kunnen worden dat die inwerkingtreding geen uitstel kan lijden.”

Dus alleen als de inwerkingtreding geen uitstel kan lijden, geen referendum over de intrekkingswet én het moet deugdelijk gemotiveerd. In die zin klopte het wat vanmorgen (11 oktober 2017) in de Volkskrant stond: De Raad van State vindt dat een referendum over de intrekkingswet mogelijk moet zijn. Tenminste…De tegenwoordige tijd loopt wat voor de troepen uit. Dat was wat de Raad van State vond in 2002 in het kader van de advisering over de intrekking van de Trw. Waarschijnlijk zullen ze dat ook in 2017 nog wel zo vinden, maar…het is alleszins waarschijnlijk dat de regering zal betogen dat het intrekkingsvoorstel van de Wrr uit 2017 geen uitstel duldt. En naar alle waarschijnlijkheid zal de regering net zo kort en politiek motiveren als de tweezinsverhandeling uit het regeerakkoord: de Wrr ‘heeft niet gebracht wat werd verwacht’. Einde oefening. Het advies van de Raad van State hoeft – ook als het gelijkluidend is met dat van 2002 – niet te worden gevolgd. Ik vrees dat daarmee de kous af zal zijn. Het wordt naar alle waarschijnlijkheid een politiek spel want in het parlement heeft de Wrr nauwelijks vrienden.

En overigens ben ik van mening dat, mocht er toch voor de chique oplossing worden gekozen – dus toch een mogelijkheid tot referendum over de intrekkingswet Wrr – dat dat dan zou moeten gebeuren via de overgangsrechtelijke techniek van de uitgestelde werking van de procedurebepalingen en niet via op termijn gezette inwerkingtreding.

 

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , | 5 Comments

Opluchting: Milieudefensie wint kort geding luchtkwaliteit

Dat is me nog eens een uitspraak van de Haagse kort geding rechter van vandaag (7 september 2017 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:10171). Milieudefensie spande halverwege 2016 al een bodemzaak aan om het getreuzel, gedraal en voortdurende uitstelcircus van de regering om te voldoen aan de EU luchtkwaliteitsnormen aan te pakken. Maar die zaak duurde maar aan mede doordat de Staat ook als procespartij traineerde. Verkiezingen, demissionair kabinet, ongelukkig moment, laatste metingen nog niet binnen, nu niet, volgend jaar misschien, verbeteringen zijn aanstaande etc. etc.

Maar dat gedraal en gedraai heeft een prijs. Iedere dag overlijden er mensen vanwege die slechte luchtwaliteit die maar niet opknapt omdat de regering doodleuk maatregelen blijft nemen die de luchtkwaliteit nog slechter (dreigen) te maken (bijvoorbeeld optrekken naar 130km grens). Daarom daagde Milieudefensie einde van de zomer 2017 de Staat in kort geding voor de rechter. Slim gekozen moment: juist nu wordt er door vier partijen onderhandeld over een nieuw kabinet.

De Haagse rechter heeft – zowel voor kenners als leken – een mooi vonnis gewezen. Een beetje een Salomonsoordeel, al zou je het niet direct zeggen. Vast staat, volgens de Haagse rechter, dat de Staat der Nederlanden al jaren niet voldoet aan de grenswaarden die zijn vastgelegd in de Richtlijn luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (2008/50/EG). Nederland heeft al keer op keer uitstel gekregen van Brussel om de fijnstof-grenswaarde (PM10-waarde) en de maximum waarde voor stikstof-uitstoot (NO2) te halen, maar zelfs de coulante uiterste deadlines van 2011 (PM10) en 2015 (NO2) zijn bij lange na niet gehaald.

Nederland wilde bovendien ook maar geen verplichtend luchtkwaliteitsplan opstellen – met harde en bindende eindtermen en concrete maatregelen  – zoals de Richtlijn uit 2008 verplicht,  maar kwam met een halfbakken en vrijblijvend Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Heel veel tekeningetjes, grafieken en wollige zinnen, maar weinig concrete maatregelen.  En het dateert alweer van 2009. Waar het kabinet vanaf 2012 bepaald niet in de weer was de luchtkwaliteit te verbeteren, werd het NSL doodleuk steeds verlengd – meer autor’s, meer industrie, 130km en veel meer uitstoot ten spijt.

En hier pakt de Haagse kort gedingrechter flink door. De juristen bij Milieudefensie deden hun huiswerk goed en wezen de Haagse rechter op strenge uitspraken van het Hof van Justitue tegen andere EU-landen die niet aan de richtlijn uit 2008 voldeden. Daarom kon de Haagse rechter al niet veel meer of minder doen dan de Staat in dit vonnis te gebieden binnen twee weken een echt bindend luchtkwaliteitsplan op te stellen (althans daarmee te beginnen). Een streep dus door dat verouderde uitstel-afstel-Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. En er moeten, volgens de Haagse rechter, als de donder acurate metingen gaan komen die de werkelijke PM10 en No2 overschrijdingen vastleggen; alle locaties met overschrijdingen moeten binnen twee weken worden geïdentificeerd.

En als klap op de vuurpijl: de kort gedingrechter verbiedt de Staat per onmiddellijk nog maatregelen te treffen die de luchtkwaliteit kunnen verslechteren. Dat is best vergaand. Geen nieuwe 130km-stukken meer.

Dit vonnis is weliswaar  enigszins activistisch, maar toch heel anders dan de Urgenda-uitspraak (ook uit het huis van de Haagse rechtbank overigens). Daar ging de rechter té ver door uit globale verdragsafspraken tussen staten over milieukwaliteit ineens door concretee rechten af te leiden die door burgers op te eisen zijn. Die Urgenda-uitspraak wordt waarschijnlijk in hoger beroep wel weer rechtgezet.

De uitspraak van vandaag kleurt wel precies binnen de juridische lijntjes. De Staat krijgt een flinke veeg uit de pan en de rechter geeft precies aan wat gedaan moet worden…maar wel een opdracht die direct uit de concrete en bindende verplichtingen van de Europese richtlijn voortvloeit. Zo vermijdt de Haagse kort gedingrechter op de stoel van de politiek gaat zitten. Een bevel tot wetgeving wordt evenmin gegeven. Dat mag de rechter in Nederland niet doen heeft de Hoge Raad in 2003 (Hoge Raad, 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462). Maar de overheid opdragen een bindend plan te maken…dat mag natuurlijk wel.

Een mooi vonnis: het lucht op.

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

Een minderheidskabinet – waarom niet?

Minderheidskabinet?

Er wordt de laatste dagen door informateur Edith Schippers af en toe waarschuwend gesproken over een ‘minderheidskabinet’ dat er aan zit te komen als de partijen betrokken in de informatieonderhandelingen niet willen bewegen. Ze brengt het een beetje als een doemscenario. Maar is het wel zo’n ramp op termijn? Dat kun je je afvragen. We hebben, net na de verkiezingen van maart 2017, 13 fracties in de Tweede Kamer waarvan er maar 2 meer dan 20 zetels hebben (VVD 33, PVV 20), 4 partijen tussen de 10 en 20 zetels CDA en D66 19, en Groen Links en SP 14), eentje met 9 zetels en 6 fracties met 5 of minder zetels (CU 5, Partij voor de dieren 5, 50plus 4, SGP 3, Denk 3, Forum voor de Democratie 2). Een sterk gefragmenteerd landschap waarin de puzzel voor een meerderheidskabinet bijna onmogelijk te leggen valt. De grootste partij heeft maar 22% van de stemmen, de op een na grootste 13%. Een rekenkundige nachtmerrie. Dat wordt alleen maar erger nu alle partijen een van de grotere partijen (PVV) uitsluiten. Het telt maar nooit eenvoudig op boven de 76. De situatie doet sterk denken aan die van het versplinterde politieke landschap van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Meerderheids- en minderheidskabinet

Eerst even iets over de terminologie. We noemen een kabinet een meerderheidskabinet als het kan rekenen op de – vooraf vaststaande – steun van een meerderheid van de Tweede Kamer. Is dat niet het geval dan wordt het kabinet aangeduid als een minderheidskabinet. Natuurlijk moet een kabinet om te kunnen functioneren ook steun krijgen van de Eerste Kamer. Echter zelfs als eens kabinet niet kan steunen op een vooraf vaststaande meerderheid in de Eerste Kamer dan nog noemen we zo’n kabinet toch nog een meerderheidskabinet. Het kabinet Rutte-II (2012-2017) was dus een gewoon meerderheidskabinet.

Er wordt ook nog wel onderscheiden naar interim- en rompkabinetten waarin een kabinet wegens een kabinetscrisis (ontstaan door wegvallend vertrouwen in een van de Kamers of interne conflicten) noodgedwongen even verder gaat als een ‘minderheidskabinet’ – bijvoorbeeld om ‘missionair’ een paar belangrijke zaken af te handelen tot aan nieuwe verkiezingen. Zo’n kabinet dat een bedrijfsongeluk heeft gehad onderweg noemen we daarmee nog geen minderheidskabinet. Die term is eigenlijk gereserveerd voor een kabinet dat vanaf de start – willens en wetens – geen meerderheid in de Tweede Kamer heeft. Toch wordt er in de wandeling ook dan bij zo’n rompkabinet ook wel eens gesproken van een minderheidskabinet.

Een enkele keer spreken we ook van extraparlementaire of zakenkabinetten om daarmee aan te geven dat veel of de meeste van de ministers niet uit de Kamer afkomstig zijn (dus ook niet verkozen zijn). Dat komt tegenwoordig eigenlijk niet meer voor.

Wat is er nu zo erg aan een minderheidskabinet?

Er zijn twee problemen met een minderheidskabinet. Ten eerste (en het meest belangrijke) is er het probleem van het té kleine draagvlak. Kort en goed: met een minderheidskabinet krijg je een landsbestuur dat niet de wil van de meerderheid van de kiezers vertegenwoordigt. Nu wordt de volkswil zelden onversneden uitgedrukt in de Nederlandse coalitiedemocratie, maar minderheidskabinet vertegenwoordigt niet echt. Vandaar ook dat de meeste minderheidskabinetten in onze parlementaire geschiedenis als een soort armoede-bod (niets anders lukte) en onder druk van de omstandigheden tot stand kwamen. Een tweede probleem van minderheidskabinetten is hun gebrekkige stabiliteit. Een minderheidskabinet kan door wisselende meerderheden die het tegenover zich vindt eenvoudig beentje worden gelicht en naar huis worden gestuurd. Minderheidskabinetten zijn heel gevoelig voor ‘politieke spelletjes’. Je zou zeggen dat het voordeel van een minderheidskabinet is dat ze net als meerderheidskabinetten die een regeerakkoord op hoofdlijnen hebben gesloten, veel ruimte laten voor debat met de Kamer (dualistische verhoudingen). In theorie komt zo’n constructie het debat met de Kamer ten goede – geen achterkamertjesgedoe. Maar dat is slechts de theorie. Een minderheidskabinet dat op niet meer dan een paar fracties steunt kan meestal ook niet rekenen op enige politieke loyaliteit van de meerderheid van de Tweede Kamer. Andere dan de coalitiefracties in de Kamer zullen geen verbondenheid voelen met het kabinet en het daarom zo kort als mogelijk in leven willen houden om zo weer nieuwe kansen te creëren bij volgende verkiezingen. Zeker in het snel wisselende politieke landschap en met de grote aantallen permanent zwevende kiezers zijn de kansen van een minderheidskabinet nu slecht. Een manier om die kansen te keren (als geen meerderheidskabinet mogelijk blijkt) is om een gedoogconstructie met een fractie buiten het kabinet af te spreken. Die ‘gedogende’ fractie steunt het kabinet dan op een groot aantal vooraf afgesproken dossier, maar kan op een of enkele andere terreinen de handen vrijhouden. Al levert een gedogende partner geen ministers of staatssecretarissen, het zit in bepaalde opzichten in een ideale positie: het hoeft zijn politieke ziel niet te verkopen (in een compromis) maar bestuurt wel mee. De PVV spinde er tussen 2010 en 2012 garen bij. Je bent er tegelijkertijd in en ook weer niet. Je hoeft in ieder geval minder vuile handen te maken.

Een gedoogconstructie (bijvoorbeeld van GroenLinks of een andere grote fractie) kan mogelijk het probleem van de instabiliteit van een minderheidskabinet (VVD, D66, CDA) ondervangen, maar het is de vraag of de huidige onderhandelaars er trek in hebben. De ervaring van 2010 is natuurlijk nog vers. En die was grotendeels niet goed.

Kansen van een minderheidskabinet

Zoals de formatieonderhandelingen er nu bij liggen, breekt de fase aan waarin gekozen moet worden tussen varianten van het minste kwaad. Hoe liggen de kansen van een minderheidskabinet? Hoe liggen de kansen van een coalitie met – heel – veel partners? Je zou daarvoor te rade kunnen gaan bij de parlementaire geschiedenis van de afgelopen honderd jaar. Het is niet voor het eerst dat we in Nederland geconfronteerd werden met een versplinterd politiek landschap. Is er wellicht iets te leren uit eerdere ervaringen?

We zetten hieronder de overlevingskansen minderheidskabinetten, afgezet tegen die van meerderheidskabinetten met 4 of meer partijen (die zijn namelijk ook altijd iets instabieler dan combinaties met 3 of minder partijen aan boord) eens op een rijtje. We berekenen de overlevingskans op een hele grofmazige wijze. Een kabinet heeft, in onze berekening, een 100% overlevingskans als het 4 x 365 = 1460 dagen of meer zit (4 jaar is de gemiddelde periode tussen 2 reguliere verkiezingen – soms gaat het zelfs om meer dagen). De dagen die een kabinet zit zetten we af tegen deze 1460 dagen en beschouwen dat als ‘de overlevingskans’. Helemaal klopt dat niet natuurlijk want kabinetten komen om een veelheid van redenen aan hun eind, en soms is al vooraf afgesproken dat een kabinet maar even aanblijft. Die nuances maken vergelijken onmogelijk en dat is toch juist wat we willen doen. En natuurlijk, de vergelijking gaat ook mank doordat in de vergelijking kabinetten uit hele andere tijden zijn betrokken met hele andere politieke, sociale en culturele randvoorwaarden en achtergronden. Een vergelijking van appels en peren, en eigenlijk ook nog eens tussen koolrapen en schorseneren… maar toch. We beginnen onze telling vanaf de introductie vanaf het (gedeeltelijk) algemeen kiesrecht in 1917 toen het moderne kiesstelsel werd geïntroduceerd op basis van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste kabinet kon nog niet bogen op vrouwenstem; dat werd pas vanaf 1919 geïntroduceerd.

Vergelijking minderheidskabinetten – grote coalities (4+ meerderheidskabinetten)

  1. de minderheidskabinetten
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Rutte I  2010-2012 parlementair minderheidskabinet, met gedoogconstructie 557 dagen = 38%
Balkenende III 2006-2007 minderheidskabinet (overgangskabinet) 230 dagen = 15%
Van Agt III 1982 minderheidskabinet (overgangskabinet)  159 dagen = 11%
Biesheuvel II 1972-1973 parlementair minderheidskabinet  275 dagen = 18%
Zijlstra i 1966-1967 minderheidskabinet (overgangskabinet) 133 dagen = 9%
Colijn V 1939 extraparlementair minderheidskabinet 2 dagen = 0,1%
De Geer I 1926-1929 extraparlementair interim-kabinet 1212 dagen = 83%
Ruijs de Beerenbrouck I 1918-1922 parlementair minderheidskabinet 1417 dagen = 97%

 

We hebben in de afgelopen honderd jaar dus maar liefst 8 ‘minderheidskabinetten’ gehad. Die laten een treurige gemiddelde overlevingskans van 21,7% zien. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de meeste van die minderheidskabinetten er niet op uit waren om de hele rit uit te zitten. De meesten dienden slechts voor kortere tijd in aanloop naar verkiezingen, maar moesten zodanig belangrijke zaken afhandelen dat ze het zich niet konden permitteren louter demissionair door te gaan. Maar toch: geen fijne overlevingskans.

Hoe ligt dat nu bij de grote coalities van 4 partijen of meer?

  1. Grote coalities (4 partijen of meer in het kabinet)
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Den Uyl 1973-1977 Meerderheidskabinet (5) 1683 dagen = 100% ++
Biesheuvel I 1971-1972 Meerderheidskabinet (5) 400 dagen = 27%
De Jong 1967-1971 Meerderheidskabinet (4) 1553 dagen = 100% +
De Quay 1959-1963 Meerderheidskabinet (4) 1527 dagen = 100% +
Drees III 1956-1958 Meerderheidskabinet (4) 800 dagen = 54%
Drees II 1952-1956 Meerderheidskabinet (4) 1502 dagen = 100% +
Drees I 1951-1952 Meerderheidskabinet (4) 537 dagen = 36%
Drees-Van Schaik 1948-1951 Meerderheidskabinet (4) 950 dagen = 65%
Schermerhorn-drees 1945-1946 Meerderheidskabinet (4) 374 dagen = 25%
De Geer II 1939-1940 Meerderheidskabinet (5) 390 dagen[1] = 26%
Colijn III (en II) 1933-1937 Meerderheidskabinet (4) 788 dagen = 53%
colijn I 1925-1926 Meerderheidskabinet (4) 99 dagen = 0,6%
 
 

Slotsom

We hebben in totaal 3 vijfpartijen-meerderheidscoalities gehad en 9 vierpartijen-meerderheidscoalities. Gemiddeld hebben die een ‘overlevingskans’ van 57% (niet heel slecht). Vierpartij-combinaties doen het zelfs heel goed (59% overlevingskans – al trekt Colijn I het gemiddelde wel heel fors omlaag). Vijfpartijen-kabinetten blijken niet eens zo wankel (51% overlevingskans) al hebben we daar wel erg weinig ervaring mee.

Alles is relatief trouwens als je deze overlevingscijfers afzet tegen de gemiddelde levensduur van kabinetten na WO II:

1945-1950 – gemiddelde zittingsduur 697 dagen = 47%

1950-1960 – gemiddelde zittingsduur 902 dagen = 61%

1960-1970 – gemiddelde zittingsduur 726 dagen = 49%

1970-1980 – gemiddelde zittingsduur 930 dagen = 63%

1980-1990 – gemiddelde zittingsduur 945 dagen = 64%

1990-2000 – gemiddelde zittingsduur 1446 dagen = 99%

2000-2010 – gemiddelde zittingsduur 751 dagen = 51%

De gemiddelde overlevingskans van een kabinet na WO II in Nederland ligt daarmee zo rond de 62%. Langjarig op net iets boven de 63%. En dat wijkt dan niet eens zo heel veel af van de overlevingskansen van grote coalitiekabinetten.

Concluderend: minderheidskabinetten hebben – met alle slagen die bij de vergelijking om de arm moeten worden gehouden – klaarblijkelijk veel kleinere overlevingskansen (21,7%) dan meerderheidskabinetten, zelfs veel beter dan van vier- of vijfpartijenkabinetten (57%). En dan nog iets. Hoe stabiel is een land waarin in de afgelopen 100 jaar een kabinet net iets meer dan 60% kans had de rit uit te zitten. Heeft dat wellicht met ons kiesstelsel te maken? Iets om eens over na te denken rond de viering van 100 jaar kiesrecht.

 

[1] Tot aan de Duitse inval mei 1940.

Posted in Algemeen, Politiek | Tagged , , , , , , | 1 Comment