Lieske

Het moest er dan maar eens van komen. Het verhaal over Lieske. Geen Elise, Betje of Lies, maar Lieske, volgens het nooit vleiende bijnamenregister. In het beste geval spottend uitgesproken, maar meestal in de sleutel van denigrerend gesis. Liessske.

Ze had het café van haar ouders geëerfd. Een café midden aan een godvergeten route van ergens naar nergens. Tegen de rand van het bos aan de Rucphenseweg. Achteraf tussen Zundert en Rucphen. Ver weg van de bewoonde wereld was het daar ooit begonnen als een herberg. De voorkamer van een boerderij geschikt gemaakt als uitspanning. Te voet of met het paard op reis kon je er even uitpuffen, een kleinigheid eten, of je alle in rust bezatten.

In de tijd van gemotoriseerd vervoer, toen Lieske het café overnam,  overleefde alleen die laatste functie. Het café had geen naam. Nou ja, het had eerst de achternaam van haar ouders gehad: Café Frijters. De meeste tenten achteraf heetten naar de eigenaar. Eigenlijk zou het daarom vanaf de overname ‘Cafe De Laat’ hebben moeten heten. De achternaam van Lieskes vent, Sjef De Laat. Maar zo heb ik het nooit iemand horen noemen. Want vanaf de dag dat zij er achter de toog kroop heette het ‘Bij Lieskes’.

Ze was aan drank, vreselijk aan de drank. En dat al zo jong. Nog geeneens dertig in die tijd als ik het terug reken. Op welk moment van de dag je er ook binnenkwam, of het nou woensdagmiddag was, als ik met John, haar enige zoon, speelde, ‘s morgens rond een uur of 11 of even na school, ze had altijd wel een glaasje van het een of ander in de hand. Dat was nog tot daaraan toe, maar ze had de pech van een ‘kwaaie dronk’, zoals de mensen in buurt zeiden. Die gold trouwens niet John, of mij, of meer in het algemeen kinderen. Voor ons was ze lief, huilerig, maar begaan. Geen gelegenheid was klein genoeg om haar Johnnetje tegen zich aan te drukken, te begraven in de plooien van haar blauwe nachtjapon met pluchen bies. Als ik in de buurt was, werd ik er ook nog bijgetrokken. cafeTranen met tuiten, over hoeveel ze van Johnnetje hield en dat ze hier weg zouden gaan, dat kinderen het mooiste waren wat er was en dat het beter zou worden en dat de wereld zo oneerlijk was. Heel veel onbegrijpelijks in een mummelend snikbetoog. En dat bluste ze dan weer met haar voorkeursrecept: sherry. Want daar werd je slanker van, geloofden ze in die tijd, zoals witte wijn zou helpen tegen suiker(ziekte) en zwaarmoedigheid, rode tegen hart- en vaataandoeningen, bier tegen stress en kanker, en jenever tegen jicht, reuma, koliek en meer in het algemeen de ommekomst van de laatste dag. Maar Lieske was niet gelukkig daar in haar apotheek aan de Rucphenseweg. Tot een imagesCASO1B43uur of vijf ging het meestal nog wel, maar met het vorderen van de avond ging het mis.

Dat maakte ik nooit mee. Daar was ik te jong voor. Ik zat er alleen overdag. Te kijken, want Johnnetje was een jaar jonger dan ik en eigenlijk vond ik hem een vervelend jong. Verwend tot op het bot, dreinerig en een beetje traag van begrip als je het mij vraagt. Maar ze hadden wel die enorme speeltuin achter het café. Met twee botenschommels, een knoertlange glijbaan van zeker zes meter hoog, een soort draaimolen zoals je alleen in pretparken zag en een familiewip. Verder werd Johnnetje de hele dag afgekocht met de heerlijkheden die in en om een café te krijgen zijn. Flesjes cola (gekoeld), chips, Snickers en Mars en – als Lieske een aanval van moederliefderijke kookwoede kreeg –  een frikadel uit de frituur. En naast die heerlijkheden was er zoveel te zien. Er was altijd wel volk in de buurt van het café. Lui die de anonimiteit van deze uitspanning opzochten om daar flink in te nemen. Dat trouwens in een tijd dat drinken overdag nog redelijk normaal was. Zwaaiend op hun benen kwamen de klanten aan of stapten ‘s middags weer in hun auto’s en scheurden vol gas over het grind de parkeerplaats achter van het café af. Bulderend gelach, de zware bas van Elvis Presley of de achtergrond.

Want dat draaide ze altijd, Lieske, Elvis Presley. Dat vond ze mooi, die lange huilerige uithalen, die kattenstaarten over je buik. Haar huwelijk met Sjef was, denk ik, ongelukkig al weet je het maar nooit. Ze leken elkaar te mijden. Als Lieske rond een uur of elf in de ochtend van het kleine bovenkamertje boven de bar naar beneden kwam, was Sjef al lang naar zijn werk. Hij was elektriciën en werkte part-time in een installatiebedrijf. In wisselbeurten met Lieske stond hij ‘s avonds achter de bar. Maar liefst niet samen. En Jef bracht ook de krant rond in de buurt. Maar het hielp allemaal niks.

Ze wilden denk ik wel hetzelfde: van dit oude vervallen achteraf cafeetje met zijn verloederde clientèle, een chique uitspanning maken waar nette gezinnen naar toe zouden komen om er te spelen in de zonnige speeltuin onder het genot van ranja en een pannenkoek. Maar het lukte ze maar nauwelijks het geld bij elkaar te krijgen voor de grote investering die dat vergde. En het lukte ook niet zich te bevrijden uit de klauwen van het rauwe cafévolk. Daar waren ze te veel mee vergroeid geraakt. Van een zondagomzet konden ze trouwens ook niet leven. Die droom van ze zat de hele tijd voor op het kokosmatje. Op het kokosmatje, ingevet met kaarsvet, waarmee ik glijbaan af roetsjte. In mijn eentje zowat op mooie zondagmiddagen, want nadat er een keer een stel uit het café hadden staan draaimolenvechten in de speeltuin en er over kinderfietsen was gepist en gekotst (‘Op een zondag!’) lieten de gedroomde gezinnen zich er niet meer zien. En dat verweten Lieske en Sjef elkaar.

Enfin, in het café zelf werd het trouwens alleen maar drukker. Altijd wat te doen daar. Op de avonden dat zij dienst had, hield Lieske lange requisitoiren tegen de afwezige Sjef. Dat het zo’n sukkel was, dat hij van zijn belofte niet had waar gemaakt om haar een beter leven te geven, weg van die benauwende kroeg waar ze in geboren was. Ze woonde nou nog kleiner dan een jaar of tien geleden, want haar hoogbejaarde ouders woonden in de opkamer van het gebouw. En zij en het jong hadden alleen maar een kamer boven. Wat ze niet had kunnen krijgen! Ha! Een jaar of wat geleden nog zaten heel Sprundel en Zundert achter haar aan. Ze kwamen uit Antwerpen gereden. ‘Are you lonesome tonight,’ klinkt het uit de bandrecorder achter de bar waarop Lieske inhaakte in de armen van een paar van haar klanten. Zij bepotelen haar en zoenen haar in haar nek. Ze houdt de rozenkrans die haar moeder uit Lourdes heeft meegebracht uitgerekt boven haar hoofd en deint, met een kerel op iedere borst, mee met de muziek.

‘Are you sorry we drifted apart? …Does your memory drift to a brighter Sunny day..(…) Tell me dear, are you lonesome tonight?’

Ik heb het zelf nooit gezien of en hoe liederlijk het toeging in die donkere smalle bar. Alleen van horen zeggen. Het was een naargeestige donkere pijp. Maar wat er ook gebeurde, het was er niet goed, al kregen we er dan ook chips en cola en ook al draaide ze af en toe een 16mm film van de Dikke en de Dunne. Niet goed. Ook niet de laatste keer. Het had de avond te voor heel hard gewaaid, gestormd, en ik was er weer naar toe gefietst, om te schransen, te kijken. Een uur of twee in de middag denk ik. Johnnetje had net een nieuwe auto met batterijen er in en een snoer waarmee die het ding op afstand rond kon laten rijden. Spannend. Ineens breken er glazen in het café en vliegen er barkrukken rond. Gekrijs van een hoge stem. Die van Lieske. ‘De Laat slaat mij kapot!’ schreeuwt ze. Dan onbegrijpelijke taferelen. Sjef de Laat zelf die vechtend over de grond rolt met een andere vent en hem met een koevoet bewerkt. Een andere vent weer die aan Sjef de Laat trekt. Bloed, gevloek en getier, midden op de dag, een gillende Lieske, met een fles sherry in haar hand.

baanedIk stond er bij en ik keek er naar, zoals in het liedje. Alsof het ergens anders gebeurde. Ik was niet bang, niet kwaad, ik kan me eigenlijk geen emotie herinneren bij het tafereel. Het leek niet zo bijzonder bij al dat andere wat ik hier al had gezien. Vreemde dingen, maar interessant schouwspel.

Toch kwam ik er vanaf die middag niet veel meer. Een paar jaar later pas weer als ook Johnnetje zondagsavonds meegaat naar het internaat waar we dan beiden op zitten. Sjef rijdt ons af en toe, andere dagen rijden andere vaders. Lieske zie ik niet meer, maar haar aanwezigheid is nog voelbaar in de keuken achter het café waar we Johnnetje altijd ophalen. Ze woont daar in die tijd nog steeds. Zij drinkt, net als Sjef, hij slaat haar en zij slaat terug achter de bar van haar café door hem bij wie het horen wil zwart te maken. Ze loopt nogal eens weg en dan moet Johnnetje aan de telefoon komen. Als we hem ophalen thuis, of aan de wandtelefoon naast de refter op het internaat. ‘Mamma,’ snikt hij, ‘wanneer kom je weer thuis?’ Als in een B-film, maar dan wel een naar het leven. Zijn schouders schokken en hij krimpt in elkaar. Zijn hele leven gaat dit nu al zo. En ik sta er bij en ik kijk er naar.

Ook in pdf

Advertisements

About wimvoermans

Meer nog te vinden op http://www.wimvoermans.nl/ en op facebook http://www.facebook.com/wim.voermans.58
This entry was posted in Algemeen, Persoonlijk and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

One Response to Lieske

  1. Op zoek naar ‘de speeltuin van mijn jeugd’ kwam ik dit blog tegen, prachtig! Maar volgens mij is er niet veel meer over van de speeltuin nu? Ik wilde iemand tippen, maar als ik streetview zo zie, en ik kijk bij ‘De Moerse Bossen’ is het vergane glorie. Of althans: café mooi opgeknapt, maar speeltuin niks van over… Jammer!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s