Is Jezus ooit geboren?

dasdgafhsgfhfrtgjnes2014 Komt er aan. 2014 Jaar al weer na de geboorte van Christus zou je zo denken. Nou ja, nou nee, nou niet helemaal precies, want er is eigenlijk geen jaar 0. In de Gregoriaanse kalender – opvolger van de Juliaanse kalender – wordt het jaar 1 voor Christus direct gevolgd door het jaar 1 na Christus. Dat volgens de logica die ook geen maand of een week kent die begint met dag 0. Maar die logica loopt wel stuk op de wende van 1 voor Christus naar 1 na Christus. Dan missen we dus eigenlijk een jaar. Vervelend want het niet bestaan van het jaar 0 doet er natuurlijk wel degelijk toe. In de taal bijvoorbeeld (‘hij reed rond in een heel oud barrel, zo’n auto uit het jaar 0’). Je wil er niet aan denken dat het getal 0 of jaar 0 niet bestaat als je je computer opstart (alleen nog maar 1-en, dat werkt niet in een binair stelsel). En dan HIJ. Ik heb het altijd al gek gevonden dat HIJ 1 jaar na Christus werd geboren, als het ware een jaar na zichzelf. Maar nu we zeker weten dat het jaar 0 niet bestaat, wanneer is HIJ dan geboren? Is HIJ wel geboren? Wat een gedoe. We moeten het maar snel corrigeren. Gelukkig 2013 allemaal! Of 2-14, wat jij wil joh.

Posted in Algemeen | Tagged , , , | 2 Comments

Olivetti M24

olivetti_m24_1‘De computer is er,” zei de vakgroepvoorzitter met een geheimzinnige glimlach rond de lippen. Het was nog maar mijn tweede dag, na een eerste dag vol ongemakkelijke kennismakingsgesprekken, daar op dat grote kantoor op de 8ste verdieping van de Katholieke Universiteit Brabant. Midden maart, midden jaren ’80. Personal computers waren nog ongebruikelijk op kantoren zoals die van de juridische faculteit. Ja, je had wel hele, hele grote computers, lijkend op drukpersen, waarmee ponskaarten werden verwerkt of gegevens van banden zo groot als filmspoelen werden gelezen. Maar een machientje waarmee je gewoon zelf een stukje tekst kon editen en printen, nee dat nog nauwelijks. Voor het schrijven van brieven, rekeningen en andere schriftelijke stukken werd nog de typemachine gebuikt. Zo rond 1985 meestal al wel een elektrische schrijfmachine met – een hele opluchting – een correctielint. Teksten maken met een computer bestond eigenlijk nog nauwelijks. Dat was voorbehouden aan jongens die op Bill Gates leken. Die klooiden tot diep in de nacht met hun Commodore 64’s of in Engeland bestelde moederborden, membraantoetsenborden en cassettebandjes die een half uur moesten draaien voor er 3 stippen op een mini beeldscherm verschenen. Je moest minstens handig zijn met een soldeerbout en een instapcursus informatica hebben gevolgd om zo’n hobbyapparaat aan de  praat te krijgen. Printen ging eigenlijk helemaal niet.

En nu was er dan die personal computer en ik was de eerste van de vakgroep staats- en bestuursrecht naast  de voorzitter – die had er een thuis – die zo’n ding zou gaan gebruiken. Een omstreden apparaat, want – dat merkte ik later pas – de wat oudere medewerkers wilden er eigenlijk niet van weten. Die waren bang – terecht achteraf – dat hun vertrouwde wijze van werken (kladje schrijven en afgeven aan de mevrouwen van de typekamer, hapje gaan eten, tekst corrigeren en voor de borrel weer de zaak droppen bij de nijvere bijtjes van diezelfde tikhal) op de tocht zou komen staan. En stel je dat toch eens voor zeg, de deconfiture van zelf tikken!

Had ik ervaring met computers?, wilde collega B. (pijprokend en met iets van een schaakaandoening) weten. Samen met enkele anderen ving hij me die ochtend van de computeraankomst op voor mijn deur. Hij keek me onderzoekend aan. Toen ik zei dat dat niet het geval was, lachte hij een beetje schamper en knipoogde naar de rest van het ontvangstcomité. Ze hadden mij tot computerproefkonijn gemaakt en de kansen op mislukking schenen voorshands geruststellend groot. Daarmee zou het straks voor eens en altijd uit zijn met die malligheid van die computers.

Met een zwaai gooide een andere collega de deur van mijn eigen kantoor voor me open en daar stond die dan, DE COMPUTER. Twee grote dozen met de pakbon er nog op midden op mijn stalen bureautafel. Van aansluiten wist niemand iets af. Een dag of wat ben ik bezig geweest om de Olivetti M24 in elkaar te zetten. De gebruiksonvriendelijke handleiding hielp maar weinig. Maar op een gegeven moment lukte het toch. Het ding startte op en je kon zowaar met een slappe 5.25 inch floppydisk met daarop het eigen operating systeem van Olivetti een paar letters op het scherm krijgen. Ze waren wel vergeten er andere software bij te bestellen, maar die kwam gelukkig enkele weken later ook aan. Het programma Framework van Ashton Tate (een soort proto-windows). En daar kon je warempel al een beetje tekst mee verwerken, al was het eigenlijk voornamelijk een spreadsheetprogramma en een personal databasemanager. Veel stelde het allemaal niet voor, maar het was een ware gebeurtenis.

De Olivetti M24 was een soort kloon van de in 1981 gelanceerde, succesvolle IBM Personal computer, maar dan wel op zijn Italiaans. Strak gestileerd, jaren tachtig vierkant, zwart en grijs. Het had een geheugen kleiner dan dat van een demente eendagsvlieg (128k) een processor waarvan je de transistorpoortjes open en dicht hoorde slaan elke keer als er een bit werd doorgelaten (8086-16 bit) en je werd volstrekt tureluurs van het gewissel van de software floppies van Framework (twee stuks) en de opslagfloppy. Er was in mijn machine maar een diskettestation (en geen harde schijf) waardoor je voor elke bewerking een van de twee programmaschijven (naargelang de bewerking) er uit moest halen, dan opslagschijf er weer in, iets opslaan, opslagschijf eruit, programmaschijf er weer in voor een instructie, opslagschijf er weer in voor je gegevens, enz. Maar het was niets meer of minder dan een technisch mirakel. Zelfs de printbeperkingen konden de pret niet drukken. Om iets wat je had gemaakt af te drukken, moest je namelijk een afspraak maken met een speciale ‘operator’ – een mijnheer in een witte stofjas – in het Rekencentrum in een ander gebouw. Een paar meter brede naaldprinter raasde dan als een soort breimachine over een grote rol papier met tractor gaatjes aan de zijkant. Het resultaat was slecht leesbaar maar dat deerde niet: je had een machine zover gekregen dat tekst werd opgeslagen en oneindig kon worden gereproduceerd. Bij het maken van die tekst mocht je best fouten maken (dat was zo te corrigeren) en die tekst was ook – in theorie – oneindig te verveelvoudigen. Dat was nog eens wat.

Na het eind van de jaren tachtig tuimelden de digitale ontwikkelingen over elkaar heen. Harde schijven, daisywheel printers (eigenlijk elektrische typemachines die je aan kon sluiten op een personal computer), de opkomst van de fax, pc privé, printers, Word Perfect, MS Windows, email, kleurenschermen, internet, pentium, usb sticks, noem maar op. Mijn harde schijf zit vol met 20-jaar junk-dna van de digitale revolutie. Ik heb nog dozenvol stekkertjes, kabels, disks die getuigen van het brandende spoor dat de ‘roaring ICT years’ hebben getrokken.

Wat is het blijvende gevolg van die revolutie? Misschien nog te vroeg om dat in te schatten. We kunnen elkaar in ieder geval veel makkelijker bereiken en vlooien en hoeven daarvoor niet meer bij letterlijk bij elkaar op schoot te zitten. Daarmee is alles wel anders geworden, de wereld tegelijkertijd kleiner en zoveel groter. Beter ook, wie weet.

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Fietsjongens

In deze zomerperiode ga ik elke dag met de fiets op en neer van Nootdorp naar Leiden. Een droomrit langs de Vliet, 16 kilometer enkele reis, 32k per dag. Heerlijk, maar wel altijd pittig wind tegen in de ochtend nu de wind zo in het Noorden zit. Het is er sowieso tochtig langs het Rijn-Schiekanaal en als de wind in het gezicht blaast dan is dat ook meer dan 10 kilometer lang het geval – het is een rechte streep. Uitputtend. Maar daar heb ik iets op gevonden. Nu met de Tour de France op de televisie rijden er ook heel veel wat oudere wielrenners op dit traject met een nagelnieuwe racefiets rond, geheel gestoken in de meest moderne fietskleding (met kekke bril). Mannen die met een wat uitpuilend lijf in het wielertricot geperst fanatiek de pedalen beroeren; die tekeer gaan op hun impulsaankoop en  zich Mollema en Ten Dam tegelijkertijd wanen. Met hun meestal brede derrière vormen ze een ideaal windscherm en ze schieten ook best redelijk op, ware het niet dat ze zich ingewikkeld gedragen vanwege misplaatste competitiedrift. Als je zomaar achter ze aan gaat rijden – is mijn ervaring – gaan ze steeds harder fietsen tot op het moment dat ik er met mijn stadsfiets (Gazelle Mondeo) af moet en dus weer de wind vol in mijn snuffer heb. untisdgWDGDGledDaarom doe ik het nu anders. Ik rijd eerst een minuutje of zo achter ze aan en passeer ze dan ineens met een rotvaart. De aanblik van een grijsaard op een stadfiets die voorbij komt schieten is onverdraaglijk voor deze nadaagse wielrenners. Zo hard ze kunnen proberen ze mij in te halen. Ik laat ze dan graag voorbij en huf en puf een paar keer nadrukkelijk om de indruk van totale uitputting te wekken. Als ze je passeren, zijn ze zelf ook te moe om nog hard te demarreren. En ik kan mooi tot aan Leiden achter ze aan peddelen. Werkt altijd. Tot op die ene vent vanmorgen na, die met zijn Vacansoleil-outfit op zijn peperdure Sensa Giulia Dura Ace. Even gepasseerd, en hij weer voorbij mij. Het ging heerlijk zo uit de wind bij hem al meer dan een minuut of vijftien lang. Hij hijgde op een gegeven moment wel dat het een aard had, deze krachtmens van ca. 110 kilo en een jaar of veertig. Naarmate we dichter bij Leiden kwamen, werd hij merkbaar vermoeider en schokte steeds meer met het bovenlijf. Net na de bocht bij de Vlietlanden rechtte hij plots zijn rug en draaide bozig half om op zijn fiets: ‘Als we in de waaier rijden moet je verdomme zelf ook een keer op kop komen!!!’ De mevrouw die al meer dan vijf minuten met haar elektrische fiets met kinderzitje, net als ik, achter dit wielerbeest aankoerste, keek eerst hem en toen mij verbaasd aan. ‘Waaier??’

Tja het leven valt nog niet mee voor fietsjongens van een zekere leeftijd.

untgeatrhwqthdandgaitled

Posted in Algemeen | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

PAK(44)

10313374_1473823159518101_636618479763406172_nDe Tweede wereldoorlog klopte overal aan in Nederland, maar kwam niet overal binnen. Voor mijn vader, zo’n jaar of acht in 1944, vloog die vooral over. Engelse en Amerikaanse vliegtuigen die de spoorlijn tussen Breda, Roosendaal en Antwerpen beschoten en bombardeerden. Samen met zijn twee jaar jongere broer Toon klom hij ’s nachts op het gewelfde dak van de boerderij aan de Lage Donk (in Etten) om er het spektakelvuurwerk te bekijken. Op de eerste rang hoorden ze de motoren van de Spitfires en Mosquitos janken in hun duikvlucht, zagen ze de zoeklichten tegen de donkere hemel vegen en de streepsalvo’s lichtspoormunitie die het luchtafweergeschut afvuurde. Een schitterend spektakel. Zoiets hadden ze nog nooit gezien en ze zaten er op zijn hoogst twee kilometer vandaan. Tot in hun buik voelden ze de inslaande bommen in de koele augustusnacht. Het was voor het eerst dat ze direct iets van die oorlog merkten, want verder was het vooral een oorlog uit de tweede hand geweest.1795727_1473825462851204_3981110812008367278_n

Tuurlijk. Er was natuurlijk wat minder van alles, maar er was altijd al niet zoveel geweest. Op een grotendeels zelfvoorzienende boerderij aan de rand van Etten-Leur, half weggedoken in de polder onder Breda, merkte je er niet zoveel van dat de wereld in brand stond. Die wereld was klein, en werd ook klein gehouden. Een preek van de pastoor over de moeilijke tijden en de slachtoffers van de oorlog (alles een beetje voorzichtig natuurlijk, want ‘Feind hört mit’, ook in de kerkbanken). Alle nieuws kwam via-via, want kranten of tijdschriften lazen ze nauwelijks. Wat mijn grootouders wisten, hoorden ze uit de buurt, van winkeliers en colporteurs. Tegenstrijdige berichten over een wereld die vooral veraf leek. En van dat beetje wat ze wisten, vertelden ze de kinderen liever niets. Er waren al genoeg zorgen met de net geboren tweeling. Die waren ziek, kregen soms ’s nachts een epileptische aanval. Akelig. Heel akelig. Dat hielden ze allemaal liever weg bij de andere vijf, nog jonge kinderen.

Natuurlijk kregen ze ervan langs, mijn vader en zijn broer, toen ze hun dakavontuur bekenden, maar toch ook weer niet al te erg. Ze vertelden in geuren en kleuren, en iedereen luisterde. Alsof het een Polygoon journaal was dat ze hadden bekeken. Dat die vliegtuigen de trein uiteindelijk toch geraakt hadden. Dat die in de brand vloog, maar wel door bleef rijden.

De Tweede wereldoorlog gleed langs. In het geheugen van mijn vader –  de bron waaruit ikimagesCAMV2T90 die periode leerde kennen – was het niet meer dan een voetafdruk op het strand. Af en toe reed er een vrachtwagen met Duitsers over de Ettense markt, of een colonne met een paar stuks geschut. Het liet nauwelijks sporen na bij hem. Ze waren te jong om van de Arbeidseinsatz te hoeven duchten. Te weinig welvarend waarschijnlijk om te lijden onder invordering, en voor zover er al gevorderd werd, maakte het te weinig indruk om te beklijven. Nee, dat spektakel van die beschietingen en bominslagen naast het spoor, dat herinnerden ze zich dertig jaar later nog wel. Dat kwam boven als er met een moorkop op schoot verhalen werden verteld over de oorlog.

Bij mijn moeder thuis – die hemelsbreed veertien kilometer zuidoostelijker woonde – lag het iets anders, maar toch niet veel. Bij haar thuis (familie Sprenkels) werden in 1944 Duitsers ingekwartierd. Soldaten die een paar nachten bleven slapen. Jonge mannen, 1608-000461ventjes eigenlijk, die ’s avonds op een accordeon speelden en vooral heimwee hadden. Ze namen wel het paard mee. Dat was een slag, want dat beest hadden ze nodig om het land te bewerken. En – o, ja – er was een Engelse parachutist geland, al ergens in 1943. Een geheimzinnige affaire, want opa Sprenkels vertelde er niemand over. De parachute had hij diep in het land begraven, en daarmee was de kous af. Pas na de oorlog gaf die – zonder enige verdere uitleg – mijn oma een enorme lap parachutezijde. Tot ver in de jaren vijftig droeg de familie Sprenkels ondergoed van de allerfijnste kwaliteit. Wat overbleef van de lap verkochten ze. Hadden ze toch nog wat terug voor dat paard.

Ze vertelden er ook over alsof ze er geen deel van hadden uitgemaakt, alsof ze toeschouwers waren op een tribune, alsof ze met zijn allen op dat dak hadden gezeten. Ook – of eigenlijk vooral –  mijn opa Voermans besprak de oorlog als een zaak van anderen. De zoveelste vergeefse poging van de geschiedenis om zich te mengen met de wisseling van seizoenen, de eeuwige cyclus van zaaien en oogsten, de gang van het leven. Eigentijdse historische gebeurtenissen maakten weinig indruk op hem. Zo haalde hij zijn schouders op bij de maanlanding, waarvan hij vermoedde dat het studio-opnamen waren. Misschien deed ie dat omdat hij een diep, intuïtief begrip  voor de grote gang van de geschiedenis had, misschien ook omdat het hem gewoon niet interesseerde. Wat er ook van zij, met een stug volgehouden historisch autisme, wekte hij de indruk dat bezetting en bevrijding – waarover ik als kind zo graag uit de eerste hand wilde horen – ergens anders hadden plaatsgevonden. En dat terwijl de gebeurtenissen zelf dicht genoeg bij waren geweest…

Het verhaal werd van teveel kanten bevestigd om een fabeltje te kunnen zijn. Keer op keer werd het verteld tijdens verjaardagen.  Aangelengd, opgesmukt en overdreven, maar de kern van de gebeurtenissen bleef constant. Het moet zo – denk ik – wel ongeveer echt zijn gebeurd.

Ergens in het late najaar van datzelfde 1944. Een artilleriecompagnie van de Wehrmacht steekt zo rond een uur of elf in de ochtend met een aantal gepantserde rupsvoertuigen de weg op de Lage Donk over, de velden in. Ze rijden dwars door de Hoge Akker, achter langs Dillekes, richting het spoor. Een opmerkelijk tafereel dat mijn opa en zijn oudste kinderen – die net aan het aardappelrooien zijn –  op een afstandje bekijken. De Duitsers rijden met hun materieel dwars door de velden, maar doen dat wel ordelijk. Ze gebruiken de dammen en doen netjes de hekken en de sloppen open en dicht om zo in positie te komen.

“Wehrmacht,” zegt Nort, mijn opa’s zwager, die er ook bij is. En omdat Nort-oom alwetend is, en zelf heeft gediend in het leger (net na De Grote Oorlog), weet iedereen op het veld dat dat dus ook zo is. Ze zijn maar met een handje vol soldaten, de Duitsers. Slungelige types die moeizaam over de zware natte grond voortbewegen. Je kunt zelfs op zo’n grote afstand zien dat hun uniformen te groot zijn. Jonge gastjes, die allemachtig veel moeite hebben het kanon dat ze meevoeren van het pantserrupsvoertuig los te koppelen en op de goeie plek te krijgen. Met zijn zevenen hijsen en trekken ze aan de boom van het affuit, totdat de loop imagesCA7Q1QXQvan het spoor af wijst. In een hoek van zowat 35 graden, de vuurmond gericht op de lege hemel boven Hoeven.

“Wat zouden ze d’r mee doen?” vraagt mijn grootvader, die volgens het vernederende bijnamenregister van het dorp niet Willem maar Willeke werd genoemd.

“Volgens mij komen ze dichterbij,” zegt Nort, daarmee doelend op de geallieerden.

“Want dat is geen luchtafweergeschut, maar gewoon een kanon om mee op de pantserdivisies van de Amerikanen te schieten. Die zijn vlakbij…”

“Kunnen ze dat niet ergens anders zetten?”

“Wat?”

“Dat kanon.”

Nort-oom spuugt misprijzend een kwieter pruimtabak voor zich uit.

“In een oorlog wordt niks gevraagd.”

Enfin. Ze kijken de bedrijvigheid nog een beetje aan, maar gaan dan weer aan het werk. Er zit regen aan te komen en die aardappels moeten uit de grond. Als de poldergrond te nat wordt, kan je het wel vergeten. Af en toe gooien ze een aardappel naar elkaar. Vrolijk gekwetter. Als ze het in de verte in Etten in de Lambertuskerk twaalf horen luiden, gaan ze op huis  aan om te eten.

Er wordt – zo lang ik me weet te herinneren – altijd om een tweede schepje van mijn oma’s groentesoep gevraagd. Heerlijk is die. Zelfs in deze moeilijke tijden zitten daar nog zelfgedraaide soepballetjes in. Iedereen lepelt en uit mijn vaders achtjarige mondhoek bungelt een sliertje vermicelli als er ineens een enorme klap weerklinkt. Er breekt glas en eventjes zijn ze met zijn allen verdoofd. Letterlijk, want een moment lang kunnen ze niks meer horen. De meisjes beginnen te huilen. Oma rent naar boven. Naar de tweeling die daar ligt te slapen, naar het geluid van het brekende glas. Opa rent achter haar aan. Mijn vader staat dan al buiten met zijn broer, uit te kijken over de velden in de richting van de klap. Ziet nog net dat er een pluim zwartgrijze rook uit de loop van het kanon daar bij het spoor verwaait. Het 75 mm Panzer Abwehr Kanone, de PAK (44), is afgevuurd. Wat een herrie voor een projectiel van niet meer dan zevenhalve centimeter. Mijn vader kijkt gefascineerd toe hoe ze het geschut terug in positie kruien. Net dan komt Nort-oom met een rooie kop langs hem stormen en vliegt naar binnen. Opgewonden stemmen, de mannen vloeken, mijn oma huilt hees.

“Er ligt glas in de bedjes van de jongens…Zulke scherven….Ze hadden wel.. Ze hadden…” Ze komt niet meer uit haar woorden.

“Bij ons is het voorhuis zo van de stal gescheurd,” legt Nort-oom uit en hij wijst naar het ouderlijke huis van mijn opa, dat zo’n zestig meter verder op aan de straat ligt. En verdomd, je ziet van hier af de scheur zitten.

“Nog zo’n klap en het voorhuis zakt in mekaar. De bouw is bijna honderd jaar oud. Die houdt dat niet.”

Ze kijken elkaar een keer aan, zeggen geen woord, maar lopen zo het land in, richting van de Duitse compagnie. Een minuut of wat, kruipend over de prikkeldraad, plompverloren springend over sloten met hun logge klompen, en dan zijn ze er. Vanaf de boerderij is niet te volgen wat ze zeggen tegen kanonniers. Van de hele groep van vanmorgen zijn nog maar een stuk of drie soldaten over.

“Broekies,” volgens Nort-oom, “Mannekes van een jaar of zestien, zeventien, nog nat achter hun oren.”

Mijn vader herinnert zich het tafereel dat zich ontvouwt als volgt: eerst is er een soort gesprek, opgewonden, iedereen wijst en gebaart met de armen en handen. Mijn opa en zijn zwager maken veel misbaar, en die jongens met hun wiebelige helmen en te grote laarzen staan maar wat te kijken. Op afstand is te zien dat ze elkaar niet verstaan, niet begrijpen. Een van de slungels haalt zijn schouders op, en de andere twee maken aanstalten verder te gaan met de voorbereiding van een tweede schot. Mijn grootvader wordt nog kwaaier valt uit zijn bewegingen te lezen (hij heeft een legendarisch temperament) en ineens loopt hij naar het affuit en begint er aan te trekken. Een van die soldaten grijpt in. Trekt hem bij zijn schouder weg. Dan komt Nort-oom er tussen. Die wijst nog eens met een beschuldigende vinger naar zijn bijna gehalveerde boerderij en pakt dan ook de boom van het affuit vast. Met zijn tweeën geven ze de hele PAK 44 een halve draai en beginnen er dan gezamenlijk aan te sjorren. Het hele geval begint te bewegen en na wat gekrui, slepen ze het mee in noordelijke richting, weg van de twee boerderijen. De drie soldatenknullen kijken elkaar aan, lijken niet te weten wat ze moeten doen. Een neemt zijn geweer in de aanslag en richt op opa en Nort-oom, maar een tweede duwt de loop ervan imagesCA1QU2EUnaar beneden en gooit met zijn hoofd in de richting van de boeren die als een paar trekpaarden het kanon verrijden. Een beetje gedwee sjokken de andere jongens er dan maar achteraan. Er helpt er zelfs een met duwen. Uiteindelijk verplaatsen ze het hele ding een paar honderd meter. Nort en opa draaien het ding met de loop in de gewenste westelijke richting en gaan dan, zoals ze zelf zeggen, zonder verder een woord met die mannen te wisselen naar huis. Het kanon heeft niet een keer meer geschoten.

Dat verhaal kan niet waar zijn, heb ik al van heel veel mensen te horen gekregen. Echte onzin. Een burger die het waagde om in de buurt van stellingen of geschut te komen, die er ook maar naar durfde te wijzen, werd zonder pardon geëxecuteerd. Dat waren de orders. Zulke op het oog onschuldige boerenlui konden immers wel partizanen zijn. En vooral jonge, bange Duitsers – met de Amerikanen in aantocht – zouden niet geaarzeld hebben.

‘Urban myth’, ‘Fabeltje’.

Tja, zeker weten doe ik het ook allemaal niet. Ik was er niet bij. Maar zo is het mij verteld, dus zo is het voor mij gebeurd.

Posted in Familie, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , | 2 Comments

Spijkerbroekenmisbruik

naamlleeoosIedere generatie verzint wel iets om zijn ouders gek te maken. Maar wij, de tieners van de jaren zeventig, waren denk ik wel erg inventief: softdrugs, lange haren, daarna hanenkammen, onaangepast gedrag, opstandig, brutaal, en op een volstrekt vrijblijvende manier soort-van-betrokken bij maatschappelijke ontwikkelingen, waar we eigenlijk niks van wisten. En dan die aanmatigende, vaak ongegronde overtuiging dat de wereld niet deugde en dat alles anders moest. Ga d’r maar aan staan.  Onze ouders verdienen monumentjes voor hun tot het uiterste geteste tolerantie en geduld. Wij zelf zouden het van onze kinderen niet pikken.  Misschien was het ook gewoon de tijdgeest. Tijdgeest, ja daar had je veel van in de jaren zeventig.  Handenvol, zakken vol, bergen tijdgeest.

Neem nou de spijkerbroek, de broek die heel groovy-Nederland ineens was gaan dragen na 10 april 1971 (ik mag er een paar jaren naast zitten, maar het was in ieder geval 10 april). Dat zou een mooi onderwerp voor tijdgeeststudie van die periode zijn. Tegenwoordig is een spijkerbroek gewoon een kledingstuk, maar in 1976 was het niet minder dan een statement. Had je brede pijpen of smalle pijpen, was het een Wrangler, Lee of een Levi’s, was het een afgedragen, gebleekt en verweerd exemplaar of juist een nagelnieuwe? Die spijkerbroek was je visitekaartje. En een verkeerd kaartje kon gevolgen hebben: geen toegang tot de clubs waar je bij wilde horen. Dus daarom werden broekspijpen ingenomen totdat de draagsters ervan zowat geen adem meer konden halen.  Was er een levendige handel in afgedankte jeans omdat je daar nog lappen stof uit kon halen om een verweerde jeans te verstellen (zoals bij Don Felder, de gitarist van de Mannequin_with_jeansEagles). Bezwoer je je moeder dat je van huis weg zou lopen als ze je spijkerbroek weg zou gooien. Dat soort dingen. Sommigen hadden het maar makkelijk hoor: die kochten gewoon hun spullen en dat was het dan. Die liepen dan ongegeneerd een tijd voor gek in hun donkerblauwe winkeljeans met knalgele-af-fabriek laarzen. Omdat ze niet beter wisten, of omdat het ze niet kon schelen. Maar in mijn kringen was vintage, verweerd en afgedragen het devies en dat viel nog niet mee. Om op die manier cool en relaxed te kunnen zijn (jaren-zeventigs voor ‘chill’) moest er hard worden gewerkt. Het begon al met de aanschaf van nieuwe jeans: dat moest ‘cool’ gebeuren. Lastig, want ten eerste zat je nog midden in de rouwverwerking en ontkenning van het definitieve afscheid  van je oude jeans (vooral het onder ogen zien dat je er uit was gegroeid was voor sommige jaren zeventig meisjes – ‘chicks’ of ‘griet’ geheten – haast traumatisch). En ten tweede: hoe koop je nou in ’s hemelsnaam ‘cool’ een spijkerbroek?  Mijn vriend William (een jaar ouder dan ik) wist hoe. Dat moest je naamloadsfsdfgdosachteloos, nonchalant doen en zeker zonder je moeder. Eerst en vooral bekende je natuurlijk nooit dat je zoiets benauwds van plan was als kleren kopen, maar je zei eenvoudigweg dat je  er op uit ging om een l.p.-tje te scoren. Met de brommer naar Breda (ik mocht achterop) en dan door de bakken met platen neuzen van de net nieuwe Free Record Shop. Hele lp’s afluisteren en na een succesvolle aankoop nog even door de winkelstraat. Ongeïnteresseerd even de Levi’s Store checken, hoi en hi zeggen tegen de meiden van je school die aan het passen waren.

‘Kan ik helpen?’ vraagt een winkelmevrouw.

‘Twee Levi’s smalle pijp, een maat 26, een maat 28.’

‘Wilt u passen?’

‘Nee, pak maar in…’

Afrekenen en wegwezen, zonder de aankoop maar een blik waardig te keuren. Dat was pas cool en alle meiden van je school hadden het gezien. ‘Épater le bourgeois.’ Niet zo’n beetje. Maar eigenlijk begon de ellende dan pas echt. Die broeken die we in minder dan twee minuten kochten waren diep donkerblauw: blue denim[1] jeans. Stone washed, acid washed jeans en al dat soort onzin bestond nog niet. En zo met zo’n nieuwe broek – waarvan we maar hoopten dat die paste – in het openbaar ging echt niet. Er moest labeur aan te pas komen voor je je ermee kon vertonen.

Thuisgekomen, broek aan en snel naar het zwembad van oom Wim (de oom van William en Herrie). Die had een klein privézwembad waar we in mochten. Met je nieuwe jeans (kaartjes en al er nog aan) er in en de hele middag in het gechloreerde water rondzwemmen. In het begin zag je gewoon een indigo kleurspoor achter je uit waaieren in het water. Na het zwemmen met natte broek en al naar het kerkplein (40 bij 40 meter) en daar op je knieën in een soort processie een paar rondjes kruipen. Tot bloedens toe. Daarna – dat was makkelijker – nog een paar rondjes op je billen rondschuiven.  Vervolgens hup weer in het zwembad. En dan na al dat werken naar huis. Uit het zicht van je moeder de nog natte jeans in de wasmachine gooien en een beetje chloor aan het wasmiddel toevoegen. Wassen op 90 graden. Je kon je daarna maar met veel moeite in het eenmaal gedroogde, gekrompen eindproduct hijsen, het zat zo comfortabel als bordkarton en het rook nog weken naar de chloor. Je moeder foeterde over het jeansvandalisme, de doelbewuste vernieling van een dure aankoop  (want spijkerbroeken waren prijzig).naaADfasfasDfgmloos

Maar het was op de een of andere manier allemaal de moeite waard. In die tijd waarin de hele wereld nieuw en anders moest, waarin niks met rust gelaten werd, maar jeans oud en verweerd moesten zijn. Zoals  puppy’s knagen aan de schoenen en meubels van hun baasje. En onze lieve ouders begrepen dat. De tijdgeest zullen we maar zeggen. Hoewel die ene keer dat we na een vakantie in Zeeland de rits uit onze broeken rukten, er met de gatentang ringetjes inzetten en daardoorheen een witte veter als sluiting aanbrachten, wel heel veel gedoe gaf. Ik denk niet eens zozeer dat de schade aan de broek voor onze moeders zo’n probleem was, maar wel het feit dat je onderbroek en je buik nog zo duidelijk en uitnodigend achter de veters door kon zien. Dat ging kennelijk té ver. Wij vonden het geweldig. Maar wat wil je. Wij waren 17: alles was geweldig.

Shoptip-Jeans-Genie_crop650x505


[1] Van ‘De Nîmes’ – waar de katoensoort gebruikt voor bluejeans werd ontwikkeld. Jeans zelf is overigens ook weer vernoemd naar een stad, Genua (Gênes in de Franse benaming, verbasterd in het Engels tot ‘jeans’).

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , | 1 Comment

Op drift

‘Du sollst nicht zeuren und netjes dein Bord aufessen.’ Zo ongeveer is het mij net als veel van mijn generatiegenoten bijgebracht. Daarmee zijn wij van de volle melk, Bums-joris_3pinterBEWERKTboterham en spruitjes voorgoed ongeschikt als gastronoom, connaisseur of gourmand. Levenslang veroordeeld om eten liefdeloos als voedsel te ervaren.

Er zijn erger dingen tuurlijk, maar nu er zoveel en duur zakelijk wordt gedineerd, is het wel lastig qua uit-eten je houding te bepalen. Hoe moet je je dan gedragen in een chique restaurant als je eigenlijk, net als ik, niet eens snapt waar Gordon Ramsey zich druk om maakt?

Het is 18.30 in een middelgrote universiteitsstad in Zuid-Holland als ik met wat collega’s binnenstap in een restaurant waar we wel vaker komen. Het ligt dicht bij ons kantoor. Dat is wel zo gemakkelijk. We zijn met acht en hebben ook een buitenlandse gast bij ons. Die heeft een lezing gegeven en was een tijd gastmedewerker. Al zijn we dan niet zo dineerderig,  hem fuiven is toch wel het minste wat we kunnen doen. Vrolijk kwebbelend in een soort van Engels rollen we binnen in de uitspanning waarvan ik de naam niet noem omdat ik een geweldige hekel heb aan  websites als ‘dinnersite’, ‘eetnu’, ‘smulweb’, ‘specialbite.nl’ (etc.). Sites waarop kleingeestige sluipmoordenaars klagen over het hintje lichaamsgeur van de juffrouw van de bediening, of over de Vlierbessen-Kefir-hangop-sabayonne-met-venkel, die te weinig ‘bite’ had. Dat soort flauwekul. En meestal afkomstig van het soort lui dat eigenlijk van de patat-oorlog en bitterballen-bier is, maar eenmaal in een chique restaurant zich tijdens het voorgerecht een stuk in hun kraag drinkt, grof wordt tegen de bediening, de entrecote in twee happen naar binnen werkt en vervolgens alleen een fooi geeft als ze er zeker van zijn dat de hele zaak het kan zien. Om daarna de andere dag ondannaamdsgagdalooskbaar de kater van niet-snappen en miskenning als braaksel weg te schrijven op de zolderkamer, het ongenoegen weg te kieperen in hun laptopriool, waardoor ze ook de rest van hun ongelukkige leven weg proberen te spoelen.

We horen nog net de klok van de Pieterskerk slaan bij het binnengaan.

‘Goedenavond,’ verwelkomt de gerand ons. Voor iedereen moet de deur apart open worden gedaan. Een beetje omslachtig dat wel, maar het voorkomt dat zomaar iedereen hier binnenloopt. Jazeker, dit is wel een beetje het betere soort restaurant. Dat moet gezegd. Maar er hangt wel penetrante verfgeur in de foyer.

‘Het ruikt naar verf…,’ merk ik in een aanval van verantwoordelijkheidszin op als ik iedereen een beetje met de neus zie snuffelen.

´We zijn aan het schilderen,…´ antwoordt de gerand. Ja, natuurlijk…dat spreekt.

We worden naar onze tafel begeleid. Dan volgen de  rituelen. Brood en wijn en de kaart en praten, praten over het werk en het vak.

Intermezzo (gedachten bij het bekijken van de menukaart)

Ik heb een uitgesproken hekel aan uit-eten-van-de-zaak. Dat ligt niet aan de mensen waar ik mee ben (meestal ontzettend aardig, geestig en onderhoudend) en ook niet aan de restaurants (gemiddeld genomen goed). Wat me stoort is, doordat er meestal nog van alles besproken en beslist moet worden tijdens het diner, de gerechten zelf een bijzaak worden. Zonder enige aandacht knagen we onder het geanimeerde en voortdurende gesprek de meest exclusieve gerechten weg. In veel gevallen weet ik aan het eind van de avond al niet meer wat ik gegeten heb. Achteloos verorberd. Jammer en respectloos voor het dier dat er zijn leven voor liet, de kok die er zijn best voor deed en de mensen die de aankleding verzorgden. En het is meestal ook nog relatief duur. Maar ja, wat moet je anders?

imagesCASFJ32LKiezen, kiezen…ook dat doe ik liever niet. Uiteindelijk ga ik dan maar voor de ingewikkelde rauwe tonijn met schuimdinges en vis-parafernalia-variaties enzo. En daarna dan de Veluwse kip als hoofdgerecht. De Duitse collega vraagt nog naar die Veluwse kip. Is dat een specialiteit? Ik probeer zo goed en kwaad als ik kan uit te leggen dat we in Nederland inderdaad heel speciale kippenrassen hebben, zoals dat van de vermaarde Barnevelder kip. Maar dat alhoewel Barneveld aan de rand van de Veluwe ligt, er toch niet in ligt (Barneveld ligt in de Gelderse vallei). En dat ik dus, ornithologisch, geen uitsluitsel kan geven over het ras van de ‘Veluwse kip’. Waarna ik  door hem op een lange uiteenzetting wordt getrakteerd  over Duitse kippenrassen waar ik – zelfs als kind van een kippenboer – geen touw aan vast kan knopen.

De avond ontrolt zich, zoals gezellige avonden dat doen, al zijn er kleine barstjes in het kwebbelgeluk. Die verf dus. Die blijf je maar ruiken. Nu heb ik, omdat ik cola-light en water drink, daar niet zo’n last van maar bij de anderen verpest de prikkende terpentinewalm toch de smaak van de wijn. En dan die ingewikkelde tonijn. Die wordt opgediend op een soort bord van leisteen. Kèk hoor, dat zeker, maar je proeft, omdat de zalm carpaccio is gesneden, eigenlijk vooral steen of leem. Omdat we ongeveer allemaal hetzelfde hebben genomen, worden er veelbetekenende en hulpeloze blikken de tafel rondgestuurd. Onze Duitse gast met de appelwangen bijt er zich zonder mopperen doorheen. Dan komt de kip. Mijn Duitse buurman kijkt mij verwachtingsvol aan: de Nederlandse specialiteit door de gastheer aanbevolen. Dat gaat wat worden! Nou ja, wat zal ik er van zeggen? Je kon inderdaad heel goed merken dat de kip van de Veluwe was………..komen lopen.imagsdagzfgaes

Een beetje ongemakkelijk braken we die avond op. Eerder dan we van plan waren. Het was leuk, maar toch. En dan die rekening. Tja, mmmm.., wat te doen? Ik weet dat nooit op zo’n moment. Klagen? Zaniken over die verflucht, de betontonijn en die taaie kip, en zo alsnog de sfeer bederven, maar wel even aan iedereen laten zien dat je denkt dat je weet hoe het moet? Of laf je mond houden en later de internetdolk in de rug zetten van het etablissement? En dat het restaurant en de goede arme mensen die daar werken, net omdat ze net die ene dag pech hebben, veel klanten verliezen en –  als in de restaurantsketch van Monty Python (http://www.youtube.com/watch?v=bfhkuXuQ9eA) – daaraan uiteindelijk te gronde gaan.

Wat te doen?, denk ik ook als ik thuiskom. Morgen moet ik mijn collega’s als dienstdoend hoofd van de delegatie onder ogen komen en die zullen willen weten hoe we voortaan met restaurant PK, te L. in de K-steeg tegenover de P-Kerk om moeten gaan? Moeten we reclameren, er nooit meer naar toe gaan, of zal ik nu toch maar een recensie schrijven? Ik twijfel en wijfel totdat het me ineens in valt. Natuurlijk. Zoals altijd brengt de wereldliteratuur troost en uitkomst. Dit keer de Franse schrijver Joris Karl Huysmans (1848-1907). Een van zijn boeken (Op drift – 1882) handelt over een eenzame ambtenaar, Jean Folantin, die erg lijdt onder de slechte naamADSQAFAlooskwaliteit van de gerechten die de restaurants in zijn wijk hem serveren. Het rumoer en de gesprekken van de mensen die daar rondom hem eten zijn hem ook een kwelling. Eten is een ware helletocht geworden voor deze getergde maagpatiënt. Het etensleed is een zinnebeeld van de zinloosheid en nutteloosheid van het leven, een afgrond van verveling. Maar het loopt goed af. Aan het eind van het boek ziet Folantin de ijdelheid van alles in; het beste is maar zich te laten afdrijven, ‘aller à vau-l’eau’. ‘Go with the flow’, zoals we dat in tegenwoordig in net Nederlands noemen. Ik ga dus gewoon niks doen…welterusten.

Posted in Algemeen, Boeken, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Dank aan Philips

untaksieitledKrities, je moest krities zijn. Maar dat viel nog helemaal niet mee, want er was al zoveel veranderd in 1980, al zoveel bereikt. En het leven, althans mijn leven, was helemaal niet slecht. Buiten woedde een economische crisis zoals we in Nederland sinds de jaren dertig niet meer hadden gekend, maar ik merkte er niks van. Sterker nog, het ging me beter dan ooit. 18 Jaar oud, na een heel leven in een dorp, nu net op kamers in een heuse  stad. Zelfstandig en bemiddeld. Ik was een van de troetelkindjes van de verzorgingsstaat. Van een staat die koortsachtig gelijke en eerlijke kansen wilde bieden aan iedere stakker, of wie dan ook maar die in enig opzicht minder bedeeld was of leek. En in een wereld waarin mathematische gelijkheid tussen mensen niet bestaat, ben je dat al gauw: een stakker. Ik kreeg een volledige beurs waarvan het bedrag me deed duizelen. Even veel als een bijstandsuitkering. Bijna duizend gulden. Om je zelf te ontplooien, of wat daar dan ook maar voor door kon gaan. Want je hoefde niks voor die centen te doen en je hoefde je er al zeker niet voor te verantwoorden (zie ook het stukje ‘Begin’ op deze blog). Studeren was een recht, hoe je dat  verder ook ‘moda del dolce far niente’ invulde. En die bom duiten was dat ook. Dat was trouwens eerder een soort schadevergoeding voor al het onrecht dat je voorouders was aangedaan. Zo zat dat, volgens velen .untdsfafgSDtled

Een uit de hand gelopen dronken roes van zelfverheffing voor iedereen.

Al mijn maatjes (m/v) indertijd waren economen. Ik weet ook niet hoe dat kwam. Ik mengde niet goed met juristen, dat is zeker, en het zal ook met het mooie toeval van spontane vriendschappen te maken hebben gehad. Wie weet ook gedeelde achtergrond. De meeste van die maatjes waren net als ik kind van kleine luiden. Dat was in 1980 bepaald geen straf, zoals ik al zei, eerder een pre. Je kreeg die volledige beurs. En dan waren er nog zoals Jan en Herman. Kinderen van Philipsmedewerkers. Die kregen bovenop de staatsbeurs nog eens een extraatje toegestopt van Philips. De Philipsbeurs. Een apart fonds dat de multinational had ingesteld om het studeren van kinderen van hun medewerkers te ondersteunen. Gedeeltelijk pure filantropie, gedeeltelijk secundaire arbeidsvoorwaarde, gedeeltelijk gezond eigenbelang – Gerard Kleisterlee bijvoorbeeld studeerde ooit op zo’n beurs. De investering loonde nogal eens; het inspireert loyaliteit.imagesCAWKQ93C

Maar niet bij iedereen. Bij types als Jan en Herman – alle twee achtstejaarsstudent –  wakkerde die beurs geen liefde aan, maar juist de afkeer voor het bedrijf. Al waren ze als student zeer welgesteld – Jan woonde in een groot eigen appartement in West (met eigen douche en keuken, etc.) en Herman, die in een soort commune leefde, had een eigen Volkswagenbus en een Citroën 2CV. Nee, dankbaar waren ze niet. Krities. Je moest vooral krities op zoiets zijn.

Het was april ergens in de jaren tachtig. Jan had aangedrongen op een week versterving. ‘Ontslakken’, want je darmen zitten vol met oude troep en resten waar je uiteindelijk hardstikke dood aan gaat. Een week lang niks dan water en wat sla en vieze groene drankjes drinken. Dat hielp. Roken mocht wel, natuurlijk, en al mocht je eigenlijk geen alcohol nuttigen in het ontslakkingsdieet, het moest wel een beetje leuk blijven. Dus dat deden we ook, vooral toen we door kregen dat je na twee dagen vasten van een pilsje al totaal op je kop stond.

De hele week had ik darmkrampen en we raakten met zijn allen enorm aan de diarree van die groene sapjes waarvan Jan de samenstelling maar niet wilde onthullen. En het smaakte ook vreselijk. Maar juist die sapjes waren noodzakelijk voor het purgeren. Dus namen we ze maar, want een hele week zonder eten voor niks was eigenlijk ook zonde. We hielden het vol met heel veel vragen. Een antwoord kregen we aan het einde van de week.

Zaterdagochtend kwam Herman ons ophalen met zijn Volkswagenbus. ‘Je moet je een beetje aankleden als een corpsbal’ had Jan verordonneerd. ‘Natuurlijk hebben we geen van allen een wit overhemd, een stropdas, of een colbert, maar dat leen je dan maar van je vader,’ had Jan gezegd op een toon die geen tegenspraak duldde. ‘En ook allemaal je haar wat nat maken en als het te lang is in een staart.’ Hij deed het ons voor. ‘Zo naar achteren.’ Daarna keek hij ons nog eens indringend in onze holle, uitgehongerde ogen. ‘En ga niet zitten kloten, want dan komt de hele aksie in gevaar.’

We voelden ons allemaal gammel en ziek achter in de Volkswagenbus naar Eindhoven. Na een week versterving waren we lijkbleek en in die apepakkies voelden we ons nog  beroerder. ‘Houd vol,’ had Jan ’s morgens nog gezegd. We mochten niet drinken of eten in de auto. Ik ging zowat van mijn houtje.

De mijnheer aan de deur van het congrescentrum in Eindhoven keek wat vreemd op. Jan gaf hem de papieren – een pakket aandelen (of certificaten – ik wil er van af zijn) Philips. Er zat een mevrouw aan een tafeltje die de papieren controleerde. Ze knikte. ‘En jullie willen er met zijn zessen in?’ Jan knikte beslist. ‘Maar dat betekent dat iedereen maar één aandeel heeft…’

Jan glimlachte welwillend. ‘Volgens het reglement hebben we toegang…’

‘Dat kan zijn,’ zei de man, ‘maar wij hebben te waken voor mogelijke ordeverstoringen..’

‘Ordeverstoringen?’ Jan’s gezicht veranderde in één groot vraagteken, ‘beste man, wij zijn economiestudenten uit Tilburg. De meesten van ons volgen het tweedejaarsvak bedrijfseconomie, en wij willen nu wel eens van dichtbij….’

De man aan de deur kneep zijn ogen tot een spleetje. ‘Mag ik dan je collegekaart zien?’ Jan scheen deze vraag te hebben verwacht en trok direct een verkreukelde kaart.

‘Akkoord,’ zei de man, nadat hij al onze kaarten had gezien (‘jij studeert rechten?’ –‘ja’ zei ik, ‘ik ben hier om wat meer te weten over het rechtspersonenrecht’). Hij leek het nog steeds niet te vertrouwen.

En toen konden we uiteindelijk toch naar binnen. Binnen naar de aksievoerdershemel.

imagesCAQ0XET5Er was een groot buffet dat klaarstond voor de Philipsaandeelhouders. Heerlijke gerechten en overal drankjes. ‘Aanvallen!’ verordonneerde Jan en dat deden we dus. Uitgehongerd als we waren, stopten we ons in enkele minuten vol met zalm, gebraden varkensham (‘mjammie honingsaus’), kippenpootjes, broodjes, cake en taart (paling zoveel ik in korte tijd binnen kon krijgen) aardappelvleessalade en wijn en bier, heel veel wijn en bier. Binnen een half uur aten we ons ongans en waren we godvergeten dronken. Er waren veel afkeurende blikken. We dolden met en riepen naar elkaar. En Ja, we gooiden ook met eten en overgoten elkaar met bier. Het is allemaal waar wat er in het daarna gemaakte universiteitsverslag staat. Laveloos. En het was nog maar twee uur in de middag.

´Hé is er geen fruit! Jullie hebben toch wel fruit!!’

De man die aan de deur had gestaan, liep in onze richting met een stel anderen. Die wilden duidelijk even met ons praten. Net toen ging de bel die aangaf dat de algemene aandeelhoudersvergadering werd geopend. Een stoet van keurige mensen, in keurige pakken en mantelpakjes liep naar de zaal. Wij hobbelden mee, armen over elkaars schouders en stikkend van de lach. Jan was nog een beetje aanspreekbaar. ´Hier´ zei hij, toen we als laatsten zowat in de grote zaal schoven´. Hij drukte ons een soort lange stok met een laken er om heen gerold in de hand.

unavaphilipstitledHet Philipsbestuur zat achter een lange tafel met slecht leesbare naambordjes voor hun neus. De president, directeur, commissaris, of wie het ook was, nam het woord en opende de vergadering. Er waren wat plichtplegingen en toen ging het dienstdoende hoofd, of wie dan ook, achter het spreekgestoelte staan. Dat was onze ´cue´.

Met allemaal weer de haren los, renden we naar voren. ´Philips uit Zuid-Afrika!! Geen wapens meer aan het regime!! Philips uit Zuid-Afrika!! Jan stortte zich op het podium en probeerde de microfoon de bestuurstafel te pakken te krijgen. Tot grote schrik van een hele chique bestuurder lukte Jan dat ook. ‘Jullie hebben allemaal bloed aan jullie handen! Schande!! Het lukte hem nog maar net en wij kregen ook nog net het spandoek ontrold, voordat de man die we aan de deur hadden gezien ons met een flinke versterkingsploeg te pakken kreeg. Als getrainde aktievoerders wisten we – dronken en al – nog wat we moesten doen. Plat op de vloer gaan liggen. Drie of vier mensen moesten er aan te pas komen om ieder van ons aan armen en benen de zaal uit te dragen. ‘We zijn aandeelhouders – we hebben recht om hier te zijn!!’ riepen we.

Net voordat we de zaal definitief uitgedragen waren, knipoogde Herman met een hele brede lach om zijn lippen tegen mij en de anderen. Top, fantastisch. Jazeker, het was weer eens geweldig geslaagd uitje geworden. Straks als we terug waren gauw nog eens kijken wanneer de Shell aandeelhoudersvergadering was.  Gezellig.

imagesCAUOFFFX

Posted in Persoonlijk, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Autokafka

Ze schuift het koffie kopje beslist voor zich weg om plaats te maken voor het papier dat ze in haar handen heeft, de wat gezette autoverkoopster. Over haar bril kijkt ze ons ernstig aan.

‘De auto is aangeboden voor de internetprijs van 5.600,- euro. Maar inruilen kunnen we alleen doen op de showroomprijs…dat zult u begrijpen, anders is het voor ons ook geen doen.’

–          ‘?-1’ (vraagteken 1: ‘huh’?)

‘Die showroomprijs is 6.700,- euro vanwege de kosten die we al aan de auto hebben moeten maken. Innamekosten, technische keuring, schoonmaakkosten en dergelijke…’

–          ‘?-2′ (vraagteken 2: ‘maar die kosten hebben ze toch ook moeten maken voor diezelfde auto voor de internetprijs?’)

‘Voor uw auto kunnen we, in de staat waar die in verkeert, 500,- euro inruilkosten bieden…’

–          (Dat is wel heel weinig….)

‘En dan hebben we nog de kosten voor het rijklaar maken, 495,- euro..’

‘Ja, maar…’ zeg ik, ‘is er dan iets mis met de auto? Rijdt die op het ogenblik niet? U had hem toch gekeurd…’

Ze lacht minzaam en geduldig. Goed dan. Ze wil het best nog weer eens een keer, de zoveelste keer, uitleggen. Er zijn zoveel misverstanden over dat rijklaar maken. Mensen lijken de noden van de tobbende autobranche maar niet te willen snappen.

‘Voordat de auto de showroom verlaat controleren we alles nog een keer, omdat we natuurlijk de garantie willen geven dat de auto in goede staat is. We kunnen daarvoor aansprakelijk worden gesteld. De olie wordt ververst en de filters vervangen, de vloeistofniveaus worden aangevuld. Dat soort dingen…Daar kunnen we echt niet om heen.’

–          ‘?-3′ (vraagteken 3: 495,- euro voor een oliebeurt en een fles ruitenwisservloeistof??)

‘En natuurlijk 450,- euro voor zes maanden Bovag-garantie. Maar veel mensen laten dat achterwege, wat wij onverstandig vinden, maar enfin.’

‘Maar u zei net dat u al garantie gaf, via dat rijklaar maken.’

‘Nee, dat heb ik niet gezegd. Dat is iets heel anders…’

‘Maar u heeft de auto toch ook al technisch gekeurd, en de innamekosten doorberekend? Dat is toch die showroomprijs. Die kosten zijn al voor meer dan 1.000,- euro aan ons doorberekend.’

‘Nee, dat zijn andere kosten…(klein vermoeid zuchtje) en dan kom ik dus, met de kosten van de APK-keuring (want die loopt over drie maanden af), op een totaalbedrag van 7.450,- euro. Krijgt u van ons toch nog een mooie flinke korting op de APK.’

‘Huh?? Hoe kan het  zijn dat, als ik een auto in kom ruilen,  na één kopje koffie uiteindelijk een prijs krijg toegeschoven die 1.850,- euro hoger ligt dan de prijs die op internet wordt aangeboden?’

….Volgt een onnavolgbaar verhaal over de zieltogende auto-occasionindustrie met aan het eind een vette knipoog en de geheimzinnige mededeling dat, omdat wij het zijn, ze best nog wel eens met haar chef wil bespreken of er niet een paar honderd euro af kan. Want zo zijn ze dan ook wel weer…

Posted in Algemeen, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

Verlangen in ‘s Gravenmoer

I’m in competition with myself, and I’m losing.’

Roger Waters

Als je Heraclitus mag geloven – en wie zou dat niet doen – is het niet goed voor je om alles te krijgen wat je begeert. Er moet iets blijven om naar te verlangen. Dat zal allemaal best, maar aan de andere kant wat weet zo’n antieke Griekse filosoof van 540 voor Christus heraklituser nou helemaal van? Een makkelijk commentaar voor een vent die met een gouden lepel in zijn mond is geboren en ver voor onze tijd waarin behoeftebevrediging de brandstof voor vooruitgang is. En duidelijk ook nooit  in ´s Gravenmoer geweest, die Heraclitus. Anders had hij wel anders gepiept.

Nog nooit was er iemand op zo’n jonge leeftijd directeur van de directie Arbeidsverhoudingen van het Ministerie van Sociale Zaken geworden. En zojuist ook nog tot  hoogleraar benoemd en daarna direct tot vice-decaan gebombardeerd aan die juridische faculteit van de Universiteit van Tilburg waar we op dat moment allebei werkten. Werkelijk alles had ie al bereikt en hij was nog maar net 40. Maar winnen in ’s Gravenmoer, ho maar. Dat lukte al jaren niet, wat hij ook probeerde. Nooit eens eerst binnen na die paar stomme rondjes rond de kerk. Dat stak, meer dan hij liet merken. Het legde een grauwsluier over al dat andere hardloopsucces.

Over wie hebben we het? Laten we zeggen over Peter, want anders ligt zijn naam direct op straat en dat zou die denk ik niet leuk vinden na alle gedoe van de afgelopen tijd. En ik heet voor het gemak maar even Guus, of nee, Hans. Ja, Hans.

En waar gaat het dan om? Zoals gezegd over die Stratenloop van ’s Gravenmoer, een hardloopwedstrijd in een minuscuul kerkdorp (ca. 2.000 inwoners) vlakbij Dongen, die in het vroege voorjaar werd georganiseerd.sgravenmoer

Ook op 5 april 1998. Het is stil in de auto als we er naar toe rijden. Zwaar, zwaarbewolkt en daardoor, zelfs zo rond twaalven, donker en somber weer. De koplampen moeten aan. Er staat een flinke wind en af en toe klettert de regen met bakken uit de hemel. Van die onbeheerste huilbuien uit inktzwarte wolken. De ruitenwissers kunnen de vracht nauwelijks aan.

‘Een goeie tijd kun je vandaag wel vergeten,’ stelt Peter vast, terwijl hij probeert de wegwijsborden te lezen.

‘Zeker en dan is er nog dat stuk zandpad waar je over moet. Dat is natuurlijk een grote modderpoel waarin je wegzakt met je wedstrijdschoenen…’

‘Hoe laat heb jij het?’ vraagt hij.

‘Kwart over twaalf.’

Hij kijkt wat moedeloos naar dat ene bord dat we net voor de derde keer passeren. Het is nu zeker: we zijn verdwaald.

De veteranen (40+) en de senioren (18-40 jaar) vertrekken tegelijkertijd om 13.00. Als we om iets over half een de auto in de berm achter het lange lint van geparkeerde auto’s stilzetten hebben we even een nerveus krijgsberaad. Inlopen zit er niet meer in. Het is nog zeker 2 kilometer lopen naar de plek van de inschrijving. Laten we maar met onze tas op de rug inlopen. De regen sliert als een wapperend watergordijn naar beneden. Af en toe is het of er hagel bij zit. Dribbelend met onze looptas op de rug langs de lange colonne van geparkeerde auto’s vervliegt de hoop waarover we in de auto spraken. Dat door het slechte weer misschien een aantal lopers thuis is gebleven waarmee onze kansen zouden stijgen. Niet dus. Ze zijn er allemaal. ‘Bij de senioren heb je sowieso geen kans,’ had Peter me al runnersdarkgezegd. Niet om me te ontmoedigen of zo – het was nu eenmaal niet anders. De midden-Brabantse hardloopconcurrentie in de categorie boven de dertig is erg groot. En of dat nog niet erg genoeg is, melden de Belgen zich meestal ook nog. Om de tien kilometer te winnen bij de ouwe taaien zul je ergens voor in de dertig minuten moeten lopen (dat is ongeveer 20 kilometer per uur – 10 kilometer lang). En bij de veertig plus is het al niet veel beter. Zelfs voor ons twee, wij die al een aantal jaren zeven dagen per week trainen, meer dan honderd kilometer per week maken, afgetraind tot op het bot, valt dat niet mee. Peter probeerde het al drie keer. Zonder succes.

Dribbelend door de plassen praten we maar niet meer over onze winstkansen. We hebben het over het werk en – indirect – over hoe goed we het als organisatie wel niet doen. Als je het zo optelt zitten we eigenlijk in de beste vakgroep van allemaal. Ja zo is het maar net. En wij zijn dus zelf ook goed. Die opsteker hebben we dan toch maar vast binnen. En ook dat hardlopen zo’n mooie sport is en zo’n ideaal tegenwicht voor al dat hoofdwerk in ons vak. We relativeren er flink op los, maar gaan ondertussen wel almaar harder lopen. Nee, wij doen het voor de lol dat lopen. Niet zoals een aantal van die andere mannen die we ook wel kennen. Die altijd op het randje van geblesseerd zijn balanceren, die nergens anders over kunnen praten.

‘Wat ga jij doen vandaag?’ vraagt Peter.

‘Een lage vijfendertig, misschien vierendertig. En jij?’

Peter kijkt met een beetje vies gezicht omhoog. ‘Een vierendertiger.’

Het is een beetje een houtje-touwtje-stratenloop die van ’s Gravenmoer. Inschrijven en omkleden in het dorpscafé. Snel, snel. En dan de trainingsplunje uit en de wedstrijdkleding aan. Al is het koud, toch maar de singlet. Er hangt een walm van sigarenrook, zweet en damp uit natte kleren. De pupillen die net hebben gelopen krioelen met hun medailles tussen de menigte. Peter en ik staan bij het omkleden tussen twee rokende biljarters die spottende blikken sturen naar onze afgetrainde, blote lijven. ‘Krijgen jullie thuis niks te eten?’

Na de race staan we weer in het café. Buiten onverminderd slagregens en rukwinden. Het is bijna nacht, zo donker. Alle lopers kleden zich om en maken dat ze wegkomen. We klagen nog even onder elkaar over de ontberingen die we tijdens de race hebben moeten doorstaan. Ze moeten hier echt iets aan het parcours gaan doen. En ze moeten het ook eens nameten, want het is te lang. Het café loopt leeg. Maar wij kunnen nog niet weg. Peter heeft een prijs gewonnen – waarschijnlijk. Maar we weten nog niet welke. Omdat alles tegelijkertijd binnenkomt, kun je niet zien wie er hebben gewonnen in de veteranen leeftijdscategorieën. Het erepodium staat aan de overkant van de Dorpsstraat, tegenover het café, maar het duurt lang voor de man van de organisatie de straat oversteekt met zijn microfoon en medailles. Wachten op beter weer heeft geen zin, want dat komt vandaag gewoon niet.klederregen

Het is een van de treurigste taferelen die ik ooit zag, die prijsuitreiking daar in ’s Gravenmoer 1998. In een bont regenpak en een bril vol regendruppels roept de voorzitter van de organisatie de namen van de prijswinnaars af. De blikkerige woorden schallen door de natte, lege hoofdstraat van ’s Gravenmoer. Het is aardedonker en iedereen is naar huis. Na elke naam die de voorzitter afroept, geven wij met zijn vieren (en na een kwartier met zijn drieën) in de opening van de deur in het café aan de overkant een klein applausje dat op een bijna akelige manier verwaait in de wind. We klappen voor geesten, want – doordat de voorzitter zo lang heeft gewacht – is er niemand meer. Meisjes B, jongens B, meisjes A, jongens A – geen mens, hoe de voorzitter ook met vragende ogen door de lege straat kijkt. ‘Senioren, derde plaats, van een hele mooie atletiekvereniging hier vlak in de buurt….’ probeert de voorzitter de zaak op te leuken. Het helpt allemaal niks, niemand komt opdagen, maar hij gaat gewoon door. Ik heb al een paar keer Peter’s ogen proberen te zoeken om hem zo te bewegen ook mee naar huis te gaan. We zijn immers met zijn auto en het is nog een heel eind lopen. Mijn lichaam doet pijn van mijn hielen tot aan mijn kruin. En het wordt alleen maar erger nu we hier staan te verkleumen in de deuropening. Hij mijdt mijn blik. Kijkt strak voor zich uit.

Eindelijk dan. ‘Heren veteranen, 40 +. De derde plaats (….) is gewonnen door…(voorzitter tuurt rond met de zingende microfoon aan zijn mond – niemand). De tweede plaats door….(weer minuten niks). En de eerste plaats is voor Peter N.!! De wind huilt en de regen roffelt waardoor de galmende woorden slecht verstaanbaar zijn. Maar het deert Peter niet. Met een kwiek hupje springt hij over de dranghekken, steekt de straat over (waar inmiddels weer auto’s rijden) kruipt over het dranghek aan de andere kant en beklimt het podium. Dan heft hij de armen omhoog en balt hij zijn vuisten. De voorzitter klapt en ik ook, samen met een van de verbaasde biljarters die in het café is achtergebleven. Het klinkt aller ellendigst. Maar als ik de ogen van Peter vindt, zie ik dat hij huilt, ten minste daar lijkt het op, al weet je het niet zeker met al die regen. En het lijkt erger te worden. Er gaan schokken over zijn hele magere, wat gekromde gestalte, als snikt hij zich leeg terwijl hij de plastic medaille en de waardebon van de slagerij ontvangt. Ik klap als een uitzinnige en fluit op mijn vingers, want ik begrijp het helemaal. Je kunt dan wel alles hebben, alles hebben bereikt, maar in ’s Gravenmoer win je niet zomaar. Zo is het maar net.

Posted in Geen categorie, Persoonlijk | Tagged , , , , , , , , , , , | Leave a comment

Noli me tangere (blijf van me af)

Ik zit achter in de zaal te wachten. Al die andere mensen ook. 16:15 en de Minister is er nog niet. Die ministers hebben het ook druk dat weten we. De voorzitter heeft al even geduld gevraagd, maar het duurt nu wel erg lang. We willen allemaal eigenlijk wel vooruit hier in Nieuwspoort. Dan ineens zwaait de deur achter open en goedlachs als altijd schrijdt Ivo Opstelten binnen. Opgewekt en goedmoedig. Zo kennen we hem. Als hij bij mij langs loopt pakt hij me hartelijk bij de schouders, slaat er op en geeft me vervolgens een enthousiaste hand. ”Jij ook hier?’. En in één beweging loopt hij door. Zes rijen verder geeft hij nog iemand een stevige hand.

?????????

‘Waar kent u hem van?’, vraagt mijn buurman een beetje bewonderend.

‘Tja, uh, eigenlijk nergens van.’

Natuurlijk heb ik hem wel eens eerder ontmoet. Twee keer geloof ik, maar bij die gelegenheden was ik een van de tientallen mensen die hem een hand gaven. En ik heb niet het idee dat Ivo Opstelten een fotografisch geheugen heeft. En zelfs als dat wel zo was, dan nog zou dat geen reden zijn om me te begroeten als was ik een oude schoolkameraad of iemand met wie die (ik zeg maar wat) een reis door India heeft gemaakt.

Nee, wat ik meemaakte is een trend aan het worden; politici die proberen warmte uit te stralen door mensen te omhelzen bij publieke optredens. Overdreven hartelijk de hand te schudden (die met twee handen vast te houden en dan als een soort judoka je onderarm te grijpen), de arm om je heen slaan als bij een oude bekende, zelfs als ze geen notie hebben van wie je bent.’Vreemdknuffelen’ als het ware.

Over komen waaien uit de Verenigde Staten waar politici al jarenlang hun best doen kinderen te knuffelen en schijnbaar innig worden met mensen die in een grote haag langs de kant van de weg achter dranghekken staan. Half intiem met anonieme mensen uit een willekeurig publiek. Mensen die ze niet kunnen kennen. En al is het nep, het werkt wel aanstekelijk. Door dat soort gedrag komt iemand als Clinton of Obama direct binnen. Ze voelen vertrouwd, huiselijk. Nederlandse politici moesten natuurlijk wel mee. Die werden zelf geknuffeld en bepoteld als ze op staatsbezoek gingen. Op een Europese top word je tegenwoordig zelfs in de greep genomen door Angela Merkel. Ze konden niet achter blijven.

Niet iedereen is er trouwens even goed in, in lichamelijke hartelijkheid. Balkenende kon er niks van, Cohen al evenmin (al drukte die zich wel wat onwennig tegen Samson aan op verkiezingsnacht). Bij de VVD daarentegen is het een echt ding aan het worden. Grote gebaren maken met wijd open vooruitgestoken handen (doet een bepaalde wijdsheid, grootsheid vermoeden) en elkaar te pas en onpas in de armen vallen. Vooral Bolkensteijn moest nog even wennen, hij dan op het verkiezingsfeest van de liberalen. Rutte greep hem stevig vast. Hij lachte wat schutterig. Hij heeft kennelijk sowieso moeite te tijdgeest te peilen want hij was in een ouwe trui gekomen. Zowat de enige zonder een das.

Enfin. Het is zoals het is die nieuwe aanraakcultuur. Ik snap het wel. Voor de uitstraling is het geweldig als je iemand eens even stevig beetpakt en aan het hart drukt. Maar toch, hoe kan je nou duidelijk maken dat je er niet van gediend bent? Bij iemand die je kent, kan je je arm een beetje strak houden als er twee natte lippen je richting uit komen om je drie keer over je wangen te dweilen. Maar politici laten zich niet zo eenvoudig afremmen. Die duwen dwars door je lichamelijk bufferzone heen. Slaan zonder mankeren een arm om je heen. Het heeft namelijk niet met jou van doen, maar met de omgeving die ze iets willen laten zien.

Ik ben geen kruidje-roer-me-niet en al zeker niet van suiker, maar nadat ik eergisteren weer eens amicaal op de schouder werd geklopt door een voormalig politica (minister geweest zelfs) denk ik dat het goed is dat er toch een soort sticker komt die je op kunt doen als je in contact komt met politici. Ik stel de volgende vorm en tekst voor:

Posted in Persoonlijk, Politiek | Tagged , , , , , , , , , | 1 Comment