Nieuwe wetsvoorstel Tijdelijke maatregelen covid-19 nog steeds niet aan de maat

Wat vooraf ging

Het blijft hannesen met de juridische basis voor de corona-noodmaatregelen. Tot nu toe werkten we met noodverordeningen op basis van de Wet publieke gezondheid en de Wet veiligheidsregio’s. Daarvan werd al in april duidelijk je met een dergelijke constructie eigenlijk geen grondrechten als het huisrecht en de vrijheid van godsdienst kunt beperken, en dat die corona-noodmaatregelen ook een groot democratisch tekort kennen: geen volksvertegenwoordiger praat over de inhoud ervan mee en voor de vaststelling ervan valt ook niemand politiek verantwoordelijk te houden; het waren allemaal een-tweetjes tussen ministers en de voorzitters van veiligheidsregio’s (die hun opdrachten weer doorzetten aan burgemeesters).

Er moest dus wat gebeuren, vond bijvoorbeeld ook de Raad van State, maar de eerste poging daartoe, via een Ontwerp Tijdelijke maatregelen Covid-19, bracht van de regen in de drup. Dat Ontwerp was zo slecht dat de Raad van State adviseerde het niet zo naar de Kamer te sturen.[1] De verantwoordelijke minister, De Jonge, moest terug naar de tekentafel en een reactie schrijven op het advies van de Raad van State – uitleggen wat hij met het advies had gedaan.

Het nieuwe (aangepaste) wetsvoorstel Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 van 13 juli 2020 – de tweede poging tot een wetsvoorstel – zou een echte verbetering worden van Ontwerp van een aantal weken geleden, beloofde de Minister van VWS voor een aantal camera’s: het zou rekening houden met de kritiek die op het eerdere ontwerp was geuit. Ik zie daar helaas niet zo heel veel van terug.

Problemen met het voorstel

Het grote probleem van dit voorstel is dat het een machtigingswet is die een minister de volledige ruimte geeft met eigen, haast zelfstandig vastgestelde regelingen vergaande beperkingen aan het gedrag van burgers op te leggen. Beperkingen waarover het parlement inhoudelijk niet mee kan praten, en die ook niet geamendeerd kunnen worden (een grondwettelijk recht van het parlement als het gaat om belangrijke vrijheidsbeperkende maatregelen). Een ontwerpregeling toesturen aan het parlement even (een week) voordat die in werking treedt – zoals dit aangepaste voorstel Covid-19 voorstelt – zorgt er nog niet voor dat het parlement een kans krijgt zinvol inhoudelijk mee te praten over de aard en inhoud van de beperkingen. De Tweede Kamer heeft het nakijken. Zelfs al zou de Kamer een motie aannemen met de strekking dat ze liever niet zien dat het toegestuurde ontwerp voor een ministeriële coronamaatregel niet door zou gaan of zou worden aangepast dan hoeft de minister zich daar niets van aan te trekken. Dit wetsvoorstel covid-19 zegt dat hij zijn maatregel toch door kan zetten – een week na toezending aan de Kamers mag hij zijn regels in werking laten treden. Die zijn dan rechtsgeldig, ze verbinden, er kunnen boetes worden uitgedeeld. Daar kunnen de Kamers helemaal niks aan doen, zelfs al zouden ze een kritische motie aannemen. De Jonge doet voorkomen alsof met dit wetsvoorstel de Kamers bevoegdheid krijgen om mee te praten over de inhoud van ministeriële regels, maar niets is minder waar; ze krijgen helemaal niks – de grondwettelijke bevoegdheid tot amendement wordt ze via een machtigingsconstructie onthouden, en moties maken mochten ze de hele tijd al, ook over die noodverordeningen. Dat dat een volledig ineffectief middel is om de inhoud van regels bij te sturen weten ze bij VWS waarschijnlijk ook wel. Dit wetsvoorstel geeft de Kamers niet meer dan postbezorging, een reeks sigaren uit eigen doos en ontneemt het grondwettelijke amendementsrecht en de tijd en rust om ordentelijk en inhoudelijk te debatteren over de inhoud van heel ingrijpende maatregelen.

Het voorstel bevat veel té vergaande machtigingen voor ministeriële regelingen die ook – anders dan de toelichting zegt – niet stroken met de constitutionele regels die we in dit land kennen op het terrein van democratisch rechtsstatelijk wetgeven; regels die we in 150 jaar met elkaar hebben ingericht, die volgen uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, en regels die ook binden voor de Rijksdienst (via de zogenaamde Aanwijzingen voor de regelgeving). Die regels voor het wetgeven kennen als uitgangspunt het primaat van de wetgever,[2] of, in lekentermen, het uitgangspunt dat – als het gaat om het vaststellen van wetten en regels – het parlement daarbij het laatste woord heeft. Het voorstel covid-19 staat daar op veel punten haaks op en komt, net als het eerdere ontwerp, neer op een vorm van decretenbestuur. Het voorstel Covid-19 verhoudt zich slecht tot onze democratische rechtstatelijke uitgangspunten, regels en waarden.

Daarnaast is het voorstel te zeer volgens lijnen van een strikt bestuurlijke logica ingericht. Het geeft de ministers wel heel erg veel ruimte om voorzitters van de veiligheidsregio’s en burgemeesters aan te sturen. Ministers krijgen onder het stelsel van het voorstel van allerlei aanwijzings- en bevelsbevoegdheden om burgemeesters, organisaties en instellingen allerlei zaken op te dragen. Dat gaat voorbij aan de normale verhoudingen in ons decentrale bestel: burgemeesters en lokale bestuurders zijn geen trekpoppen van Den Haag. En dat moeten ze ook niet worden via deze Covid-19 wet.

De wet slaat op deze punten door en gaat veel verder dan nodig is. De minister van VWS wordt zowat alleen kapitein van Nederland, voor een duur van drie maanden, die trouwens telkens met drie maanden kan worden verlengd in geval van een virusuitbraak. En het is de regering die beslist of en wanneer dit hele draconische noodstelsel inwerking treedt (en ook over de duur). Zelfs na zes maanden kan die beslissen dat een nieuwe periode van noodbestuur nodig is die weer drie maanden (met verlengingsmogelijkheid) zou kunnen gaan duren. De verplichting uit de covid-19 wet om dat voornemen tot verlenging aan de Kamers te sturen, maakt dat niet anders – de regering heeft niet de instemming of goedkeuring van de Kamers nodig voor een verlenging.

Terecht dat de Raad van State kritisch was in zijn advies over het eerdere ontwerp. Maar met die kritiek is in dit voorstel (te) weinig gedaan. Aan wezenlijke kritiek van de Raad (té veel ruimte voor ministeriële regelingen, onduidelijkheden over ‘veilige afstand’, té draconische boetes met strafbladaantekening, etc.) wordt onvoldoende tegemoetgekomen. De wet is toch vooral een cosmetische verandering ten opzichte van het eerdere Ontwerp en probeert – hier en daar op een beetje doorzichtig manieren – via een verhullende termen de zaak te maskeren (een artikel dat over de mogelijkheid tot sluiting van publieke plaatsen gaat heeft ineens als titel ‘Openstelling van publieke plaatsen’ art. 58h). Maar dat kan niet verbloemen dat in de voorgestelde wet de maatregelen toch nog verder gaan dan nu onder het stelsel van de noodverordeningen het geval is. Zo kan de minister bijvoorbeeld op overtreding van voorschriften uit de ministeriële regelingen die hij onder deze wet kan stellen nog veel hogere boetes stellen dan nu het geval is (zie de lasten onder dwangsom van artikel 58u van het voorstel). En de justitiële aantekening in geval van een opgelegde coronaboete (zeg maar: ‘strafblad’) blijft, in weerwil van wat de Raad van State daarover opmerkte. Het enige wat verandert is dat de instanties die een Verklaring omtrent gedrag (VOG) moeten afgeven – nodig om voor bepaalde functies in aanmerking te kunnen komen – rekening kunnen gaan houden met karakter van die coronaboetes en over hun hart kunnen strijken en alsnog een VOG afgeven. Verplicht tot die mantel der liefde zijn ze niet, en voor overheidsberoepen in de sfeer van de handhaving en het toezicht komt er geen VOG voor mensen die een coronaboete en zo’n justitiële aantekening kregen.

Kortom: dit voorstel is nog lang niet goed en zeker ook niet in verhouding. Want, je kunt je in gemoede afvragen: is dat ministeriële regelgeweld uit dit covid-19 voorstel allemaal eigenlijk wel echt nodig? De eerste golf is opgevangen met een stelsel dat weliswaar niet helemaal goed functioneerde, maar waarvan toch niemand vol kan houden dat er te weinig bevoegdheden, te weinig mogelijkheden waren om in te grijpen. Waarom hebben we dan nu, na het hoogtepunt van de onverwachte crisis, ineens meer en vooral ingrijpender mogelijkheden en bevoegdheden voor de ministers, en eigenlijk hoofdzakelijk de minister van VWS nodig?

Ik ben daar (nog) niet van overtuigd.

Ook nog om een andere reden. Dit voorstel Covid-19 bevat namelijk zeker één verbetering ten opzichte van de vorige versie: de minister of enig ander kan niets meer regelen achter de voordeur van burgers; er zijn geen bevoegdheden voor wie dan ook om gedrag binnen woningen te regelen. Dat is, zo heet het, voortaan de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Dat klinkt geruststellend, maar is het dat ook? Ca. 80% van alle covid-19-besmettingen, weten we, vindt plaats binnen woningen – in de familiale of kennissensfeer. Waarom dan al dit ministeriële wapengeweld in de vorm van decreten, voor gedrag buiten woningen dat er in wezen niet zo heel veel toe doet; (luchthavens, havens en grenzen kunnen al gesloten worden op basis van de huidige wetgeving – daar heb je dit covid-19 voorstel niet voor nodig). Daarmee gaat dit voorstel veel te ver naar mijn smaak en is ook contraproductief in een vrij land vol verantwoordelijke, assertieve burgers die – juist in dit soort gevallen – graag via hun volksvertegenwoordigers meepraten over de regels die hun vrijheden beperken.

Hoe het beter zou kunnen? Heel eenvoudig. De Tweede Kamer zou in deze covid-19 machtigingswet een bekrachtigingsrecht moeten krijgen. Ministeriële regelingen, waarvan het ontwerp wordt toegestuurd aan de Kamers, moeten – voordat ze in werking kunnen treden – worden goedgekeurd/bekrachtigd door de Tweede Kamer (de Eerste Kamer lijkt me iets minder voor de hand liggen). Dat is een stelsel dat we allang kennen, ook in de Gemeentewet, waar op grond van artikel 176, noodverordeningen die burgemeesters af en toe moet af kondigen om wanordelijkheden (voetbalrellen, vrees voor wanordelijkheden bij bezoek buitenlandse staatshoofden of ministers, etc.) te voorkomen. Dat stelsel werkt prima, laat het laatste woord bij de volksvertegenwoordiging, en scherpt de burgemeester in dat hij zich goed moet verstaan met de gemeenteraad alvorens dit soort ingrijpende beslissingen te nemen. Dé oplossing die het midden houdt tussen gewenste slagvaardigheid en democratisch besturen.

Korte toelichting aan de hand van de artikelen uit het voorstel

Waarom ‘decretenbestuur’?

  1. Ten eerste omdat de minister (samen met de ministerraad waarschijnlijk) zelf bepaalt wanneer dit hoofdstuk van toepassing is (slechts toegepast voorzover die toepassing noodzakelijk is (en evenredig aan het doe) – dit alles te bepalen door….de minister) – zie artikel 58b van de wet.
  2. Ten tweede regelt de minister bijna alles zelf (in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad – samen met de minister die het aangaat) – het is een machtigingswet.
  3. Het probleem van zulk decretenbestuur op basis van een machtigingswet, zoals we dat ook al kenden van het eerdere Ontwerp, is dat het parlement de zeggingsmacht over de inhoud van regels uit handen geeft, en ook niks meer te zeggen heeft over de werkingsduur van die noodmaatregelen; alles kan worden geregeld per ministeriële regeling. Dat strijdt met de eigen huisregels van de overheid over wetgeven (in die huisregels zijn de basisprincipes over wetgeven in onze democratische rechtsstaat verwerkt) – de Aanwijzingen voor de regelgeving (Awr 2.24). In het nader rapport wordt daarmee een spelletje gespeeld. De Raad van State zou hebben gezegd dat regelen via ministeriële regels zou zijn toegestaan (p. 8 van het nader rapport), maar dat is niet wat de Raad heeft gezegd. De Raad heeft alleen gezegd dat bepaalde grondrechtenbeperkingen ook – in bepaalde gevallen – via ministeriële regels zouden kunnen. De Raad is juist heel kritisch op het gebruik van ministeriële regels (p. 9 e.v. van het advies van 17 juni 2020) en vindt het voorstel op dit punt – in de beleefde, diplomatieke termen die de Raad altijd bezigt – ‘niet optimaal’.
  4. Het betrekken van het parlement bij de ministeriële regelingen, zoals het huidige voorstel Covid-19 nu voorziet (art. 58c, tweede lid) verhelpt het euvel van de te kleine betrokkenheid van het parlement niet. Het toesturen van het ontwerp aan de Kamers (‘voorhangen’) een week te voor is een beetje een wassen neus (en ook een overvaltechniek) omdat:
  • de Tweede Kamer zo’n ontwerp niet mag amenderen (een grondwettelijk recht van de Tweede Kamer bij gewone wetsvoorstellen);
  • de Raad van State er niet over wordt gehoord;
  • het best lastig is voor de Kamer om over zo’n toegestuurd ontwerp inhoudelijk goed te vergaderen (van voorbereiding zal het niet komen. De manier waarop de Kamer zijn vergaderingen agendeert geeft in dit soort situaties de oppositie weinig kans om buiten de normale vergaderorde zaken betreffende die toegestuurde ontwerpen-ministeriële regelingen te bespreken – het zal noodzakelijk een beetje zoals ingekomen post moeten worden behandeld).
  • wat de Kamer er ook van vindt, de regels worden vastgesteld en treden in werking een week na de toezending.

5. Als gezegd, een minister mag in ons democratisch rechtsstatelijke stelsel eigenlijk nooit zelfstandig de regels maken die vrijheden beperken of over belangrijke zaken gaan – volksvertegenwoordigers moeten inhoudelijk altijd mee kunnen praten (en amenderen) bij regels over wezenlijke dingen, zegt ook de Grondwet. In dit voorstel mogen ministers wel degelijk zelfstandig zaken regelen die over wezenlijke zaken gaan. In ons stelsel mag een ministeriële regeling alleen administratieve details, of zeer tijdelijke, spoedeisende zaken van gering gewicht regelen (artikel 2.24 van de Aanwijzingen voor de regelgeving – een regel die uitwerking geeft aan jurisprudentie van de Hoge Raad van de afgelopen 150 jaar). In een ministeriële regeling mogen nooit zaken worden geregeld die de vrijheden van burgers ingrijpend beperken.

Het huidige wetsvoorstel gaat daaraan voorbij:

Een minister kan via een ministeriële regeling onder het voorstel, o.a.:

  • plaatsen aanwijzen waar groepsvorming niet is toegestaan (dat gaf nu al veel onduidelijkheid), minister bepaalt hoeveel personen (art. 58f).
  • Sluiten publieke plaatsen (art. 58h) – heet ‘openstelling publieke plaatsen’).
  • Evenementen verbieden (art. 58i).
  • Aanwijzingen en ministeriële regels voor zorgaanbieders en zorglocaties (art. 58o).
  • Beperkingen openbaar/personenvervoer (art. 58p).
  • Onderwijsinstellingen sluiten (art. 58q).
  • Kinderopvanglocaties sluiten (art. 58r).
  • Regels stellen over zorginstellingen (art. 58o).
  • Personenvervoer beperken (art. 58p)
  • Burgmeester opdragen informatie te verstrekken (art. 58t).
  • Overige regels (dat is een hele grote categorie) over verplichte beschermingsmiddelen, uitoefening van beroepen, voor publiek toegankelijke ‘voorzieningen’ stellen (art. 58j).

Dat strijdt met ons uitgangspunt van democratisch regelgeven – ook wel technisch genoemd: het primaat van de wetgever. Een regel die er op neerkomt dat het parlement bij vrijheidsbeperkende of belangrijke regels het laatste woord heeft.

6. Het wetsvoorstel gaat ook verder dan nodig is en bevat ook verslechteringen ten opzichte van het huidige stelsel van noodverordeningen. De minister kan bijvoorbeeld veel hogere boetes (last onder dwangsommen) op gaan leggen dan nu kan (nu is de techniek dat wie een noodverordening overtreedt daarvoor een strafrechtelijke boete kan krijgen) – art. 58u) en het stelsel van de strafbladaantekening blijft, al kan je – met een coronaboete op zak – straks  wellicht nog een Vog (Verklaring omtrent gedrag) krijgen (zie hierboven). Maar of dat nu zo’n vooruitgang is als de aantekening blijft is maar de vraag.

7. Art. 58s is misschien de bepaling om je het meest zorgen over te maken: de vangnetbepaling. Als zich een omstandigheid voordoet waarin de maatregelen volgens deze wet niet toereikend zijn (naar het oordeel van de minister), dan kan de minister alsnog alle maatregelen treffen die hij noodzakelijk acht. Dat is een werkelijke carte blanche. Wel moet de minister dit soort maatregelen publiceren in de Staatscourant (moest volgens mij sowieso al bij dit soort regels) en werken aan een wettelijke regeling (eigenlijk een nieuwe spoedwet) die als voorstel dan binnen twee weken wordt voorgelegd aan de Kamers. Maar dat is wel een erg open einde. Want als dat voorstel geen wet wordt (doordat het niet wordt aangenomen door Eerste en Tweede Kamer) dan heeft de minister nog een week tijd om de eigen regeling in te trekken. Die heeft dan de hele tijd wel gegolden en ook boetes die worden opgelegd zullen – zelfs als ziet de Kamer de regeling niet zitten – moeten worden betaald. Ook kan de regering de behandeling van zo’n wetsvoorstel traineren, althans langer laten duren dan nodig is. Al die tijd gelden dan de maatregelen.

8. En daar komt dan nog het tweede lid van art. 58s bij: als het een minister niet lukt om een ontwerp tijdig naar de Kamer te sturen (vanwege tijd die ontbreekt) dan kan hij die regeling toch gewoon vaststellen en inwerking laten treden (en uit laten voeren door de voorzitters van de veiligheidsregio’s).

Waarom is dit een ‘bestuurscentrische’ wet?

9. Alles draait in deze wet om ministers-ministerraad-voorzitter veiligheidsregio’s en burgemeester – deze wet maakt het democratische tekort van de ingrijpende covid-maatregelen tot uitgangspunt van de structuur. Waarom kan een parlement of gemeenteraad hier niet over meedenken?

10. De minister kan samen of apart van de burgemeester allerlei bevelen geven (bij besloten plaatsen bijvoorbeeld 58i, vierde lid), de minister kan burgemeesters ook aan gaan sturen als waren het ambtenaren op zijn departement. Dat is als gezegd geen goed idee in een decentrale eenheidsstaat.

Burgemeesters aan de leiband van de minister worden veel belangrijker in het wetsvoorstel Covid-19. Ze krijgen ook van allerlei nieuwe taken en verantwoordelijkheden. Burgemeesters moeten bijvoorbeeld de hand gaan houden in de maatregelen (art. 58m) op openbare plaatsen. Hoe verhoudt zich dat tot de veiligheidsregio’s? Lastig. Burgemeester worden ook veel meer in stelling gebracht – die mag ontheffingen gaan verlenen, bevelen geven. Allemaal onder directie van de minister. Kunnen burgemeesters dit aan? Ik weet het echt niet, maar burgemeesters als zetbaas van Den Haag in te schakelen brengt ze in allerlei lastige posities.

11. Afrondend: niemand betwijfelt het nut of de noodzaak om met noodmaatregelen snel tegen epidemieën op te kunnen treden, maar dit wetsvoorstel gaat té ver en plaatst ons voor een faustiaans dilemma. En dat moeten we niet willen: onze democratisch rechtsstatelijke ziel is niet, is nooit te koop.

Noten

[1] Het dictum van het advies luidt: ‘De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het is aangepast.’ Advies van de Raad van State over het voorstel Wet tijdelijke maatregelen covid-19 van 17 juni 2020, W13.20.0180/III, p. 23.

[2] Neergelegd in Aanwijzing 2.19: ‘Bij verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau bevat de wet ten minste de hoofdelementen van de regeling. Bij de keuze welke elementen in de wet zelf regeling moeten vinden en ter zake van welke elementen delegatie is toegestaan, dient het primaat van de wetgever als richtsnoer.’

En uitgewerkt in Aanwijzing 2.24 voor waar het betreft de ruimte die ministers toekomt bij het maken van regels. Die Aanwijzing luidt: ‘1. Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister wordt beperkt tot voorschriften van administratieve aard, uitwerking van de details van een regeling, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld. 2. Delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een minister is ook toegestaan indien het gaat om het verwerken in de Nederlandse wetgeving van internationale regelingen die de Nederlandse wetgever, behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard. Deze Aanwijzingen voor de regelgeving zijn bindend voor iedereen die werkt in de Rijksdienst, ministers, ambtenaren en iedereen die onder hun gezag valt.’

About wimvoermans

Meer nog te vinden op http://www.wimvoermans.nl/ en op facebook http://www.facebook.com/wim.voermans.58
This entry was posted in Algemeen, Politiek and tagged , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

4 Responses to Nieuwe wetsvoorstel Tijdelijke maatregelen covid-19 nog steeds niet aan de maat

  1. Robert Bolmer says:

    Fijn dat u dit zo helder neerzet. Ik hoop dat het huidige wetsvoorstel nu ook eens echt aangepast gaat worden. De truc om eerst een vergaand wetsvoorstel in te dienen en dan op wat cosmetische punten een beetje afzwakken komt vaker voor.

    Het Covid-19-voorstel komt niet uit de lucht vallen. Er is al veel langer een beweging naar meer centralistische wetgeving en minder bijsturing.

    Ik denk dan aan het de herijking van het interbestuurlijk toezicht dat op punten strijdig is met de Grondwet (Hennekes [1] en Zijlstra [2]), de verdere subjectivering van het bestuursrecht ed. Denk bij minder bijsturing aan de in 2013 ingevoerde relativiteitseis in het bestuursrecht en de bestuurlijke en judiciële lus.

    Door bijvoorbeeld wetgeving in het fysieke domein te bundelen in een Omgevingswet betekent dat de ‘oude’ wetten met materiële normstelling in de vorm van AMvB’s en MR terugkomen. De Staten-Generaal laten zich op afstand zetten. De hele wet is een drama [3].

    We verrommelen onze rechtsregels steeds meer. Een ontheffing en vergunning? We maken er gewoon een omgevingsvergunning van.

    Mijn ervaring is dat de ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’ niet echt gevolgd worden.

    [1] Hennekens heeft een vernietigend oordeel over de Wrgt. Onder meer door het koppelen van een aanwijzingsbevoegdheid aan het vernietigingsrecht gaat de wetgever z’n (Grondwet)boekje te buiten. (H.Ph.J.A.M. Hennekens, ‘Revitalisering van het generieke toezicht’, p.63-85, in C.B.M. Van Haaren-Dresens, H.C.G. Spoormans & J.M.H.F. Teunissen (red.), Interbestuurlijk toezicht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2012).
    [2] Zijlstra stelt “Over de hele linie van het decentrale bestuur kan een hogere bestuurslaag ingrijpen, negatief of positief, en alles doen wat het denkt dat het ‘lagere’ bestuursorgaan behoorde te doen.”(S.E. Zijlstra, ‘Het wetsvoorstel Revitalisering generiek toezicht in Staatsrechtconferentie 2011’, p 23-31, in C.B.M. Van Haaren-Dresens, H.C.G. Spoormans & J.M.H.F. Teunissen (red.), Interbestuurlijk toezicht, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2012).
    [3] Citaat “Onder het motto ‘Beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald’ een krachtig pleidooi om te stoppen met de invoering van de Omgevingswet. Niemand wordt er beter van, behalve de advocatuur” uit: https://www.njb.nl/blogs/stop-de-omgevingswet/ (Jan van der Grinten en Tijn Kortmann).

  2. Buitengewone omstandigheden legitimeren de inzet van buitengewone bevoegdheden c.q. wetgeving. Je zou ook kunnen denken aan een noodbevoegdheid die in werking treedt na een daartoe te slaan KB. Er zijn juristen die artikel 7 WPG als een buitengewone cq noodbevoegdheid beschouwen die zonder een KB kan worden toegepast. Waar ik telkens van schrik is de basiskennis van het bestuur en hun adviseurs over het staatsnoodrecht. En welke kennis heb je nodig om als kamer- c.q. raadslid de juiste betekenis te kunnen geven daaraan? Zo is democratische controle wellicht een illusie…

  3. Pingback: Het nieuwe normaal? Een dictatuur waarop maar één antwoord mogelijk is: opstand!ten komen - The Friendly Society

  4. Pingback: Het nieuwe normaal? Een permanente noodtoestand! | Wynia's Week

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.