Een minderheidskabinet – waarom niet?

Minderheidskabinet?

Er wordt de laatste dagen door informateur Edith Schippers af en toe waarschuwend gesproken over een ‘minderheidskabinet’ dat er aan zit te komen als de partijen betrokken in de informatieonderhandelingen niet willen bewegen. Ze brengt het een beetje als een doemscenario. Maar is het wel zo’n ramp op termijn? Dat kun je je afvragen. We hebben, net na de verkiezingen van maart 2017, 13 fracties in de Tweede Kamer waarvan er maar 2 meer dan 20 zetels hebben (VVD 33, PVV 20), 4 partijen tussen de 10 en 20 zetels CDA en D66 19, en Groen Links en SP 14), eentje met 9 zetels en 6 fracties met 5 of minder zetels (CU 5, Partij voor de dieren 5, 50plus 4, SGP 3, Denk 3, Forum voor de Democratie 2). Een sterk gefragmenteerd landschap waarin de puzzel voor een meerderheidskabinet bijna onmogelijk te leggen valt. De grootste partij heeft maar 22% van de stemmen, de op een na grootste 13%. Een rekenkundige nachtmerrie. Dat wordt alleen maar erger nu alle partijen een van de grotere partijen (PVV) uitsluiten. Het telt maar nooit eenvoudig op boven de 76. De situatie doet sterk denken aan die van het versplinterde politieke landschap van de jaren dertig van de vorige eeuw.

Meerderheids- en minderheidskabinet

Eerst even iets over de terminologie. We noemen een kabinet een meerderheidskabinet als het kan rekenen op de – vooraf vaststaande – steun van een meerderheid van de Tweede Kamer. Is dat niet het geval dan wordt het kabinet aangeduid als een minderheidskabinet. Natuurlijk moet een kabinet om te kunnen functioneren ook steun krijgen van de Eerste Kamer. Echter zelfs als eens kabinet niet kan steunen op een vooraf vaststaande meerderheid in de Eerste Kamer dan nog noemen we zo’n kabinet toch nog een meerderheidskabinet. Het kabinet Rutte-II (2012-2017) was dus een gewoon meerderheidskabinet.

Er wordt ook nog wel onderscheiden naar interim- en rompkabinetten waarin een kabinet wegens een kabinetscrisis (ontstaan door wegvallend vertrouwen in een van de Kamers of interne conflicten) noodgedwongen even verder gaat als een ‘minderheidskabinet’ – bijvoorbeeld om ‘missionair’ een paar belangrijke zaken af te handelen tot aan nieuwe verkiezingen. Zo’n kabinet dat een bedrijfsongeluk heeft gehad onderweg noemen we daarmee nog geen minderheidskabinet. Die term is eigenlijk gereserveerd voor een kabinet dat vanaf de start – willens en wetens – geen meerderheid in de Tweede Kamer heeft. Toch wordt er in de wandeling ook dan bij zo’n rompkabinet ook wel eens gesproken van een minderheidskabinet.

Een enkele keer spreken we ook van extraparlementaire of zakenkabinetten om daarmee aan te geven dat veel of de meeste van de ministers niet uit de Kamer afkomstig zijn (dus ook niet verkozen zijn). Dat komt tegenwoordig eigenlijk niet meer voor.

Wat is er nu zo erg aan een minderheidskabinet?

Er zijn twee problemen met een minderheidskabinet. Ten eerste (en het meest belangrijke) is er het probleem van het té kleine draagvlak. Kort en goed: met een minderheidskabinet krijg je een landsbestuur dat niet de wil van de meerderheid van de kiezers vertegenwoordigt. Nu wordt de volkswil zelden onversneden uitgedrukt in de Nederlandse coalitiedemocratie, maar minderheidskabinet vertegenwoordigt niet echt. Vandaar ook dat de meeste minderheidskabinetten in onze parlementaire geschiedenis als een soort armoede-bod (niets anders lukte) en onder druk van de omstandigheden tot stand kwamen. Een tweede probleem van minderheidskabinetten is hun gebrekkige stabiliteit. Een minderheidskabinet kan door wisselende meerderheden die het tegenover zich vindt eenvoudig beentje worden gelicht en naar huis worden gestuurd. Minderheidskabinetten zijn heel gevoelig voor ‘politieke spelletjes’. Je zou zeggen dat het voordeel van een minderheidskabinet is dat ze net als meerderheidskabinetten die een regeerakkoord op hoofdlijnen hebben gesloten, veel ruimte laten voor debat met de Kamer (dualistische verhoudingen). In theorie komt zo’n constructie het debat met de Kamer ten goede – geen achterkamertjesgedoe. Maar dat is slechts de theorie. Een minderheidskabinet dat op niet meer dan een paar fracties steunt kan meestal ook niet rekenen op enige politieke loyaliteit van de meerderheid van de Tweede Kamer. Andere dan de coalitiefracties in de Kamer zullen geen verbondenheid voelen met het kabinet en het daarom zo kort als mogelijk in leven willen houden om zo weer nieuwe kansen te creëren bij volgende verkiezingen. Zeker in het snel wisselende politieke landschap en met de grote aantallen permanent zwevende kiezers zijn de kansen van een minderheidskabinet nu slecht. Een manier om die kansen te keren (als geen meerderheidskabinet mogelijk blijkt) is om een gedoogconstructie met een fractie buiten het kabinet af te spreken. Die ‘gedogende’ fractie steunt het kabinet dan op een groot aantal vooraf afgesproken dossier, maar kan op een of enkele andere terreinen de handen vrijhouden. Al levert een gedogende partner geen ministers of staatssecretarissen, het zit in bepaalde opzichten in een ideale positie: het hoeft zijn politieke ziel niet te verkopen (in een compromis) maar bestuurt wel mee. De PVV spinde er tussen 2010 en 2012 garen bij. Je bent er tegelijkertijd in en ook weer niet. Je hoeft in ieder geval minder vuile handen te maken.

Een gedoogconstructie (bijvoorbeeld van GroenLinks of een andere grote fractie) kan mogelijk het probleem van de instabiliteit van een minderheidskabinet (VVD, D66, CDA) ondervangen, maar het is de vraag of de huidige onderhandelaars er trek in hebben. De ervaring van 2010 is natuurlijk nog vers. En die was grotendeels niet goed.

Kansen van een minderheidskabinet

Zoals de formatieonderhandelingen er nu bij liggen, breekt de fase aan waarin gekozen moet worden tussen varianten van het minste kwaad. Hoe liggen de kansen van een minderheidskabinet? Hoe liggen de kansen van een coalitie met – heel – veel partners? Je zou daarvoor te rade kunnen gaan bij de parlementaire geschiedenis van de afgelopen honderd jaar. Het is niet voor het eerst dat we in Nederland geconfronteerd werden met een versplinterd politiek landschap. Is er wellicht iets te leren uit eerdere ervaringen?

We zetten hieronder de overlevingskansen minderheidskabinetten, afgezet tegen die van meerderheidskabinetten met 4 of meer partijen (die zijn namelijk ook altijd iets instabieler dan combinaties met 3 of minder partijen aan boord) eens op een rijtje. We berekenen de overlevingskans op een hele grofmazige wijze. Een kabinet heeft, in onze berekening, een 100% overlevingskans als het 4 x 365 = 1460 dagen of meer zit (4 jaar is de gemiddelde periode tussen 2 reguliere verkiezingen – soms gaat het zelfs om meer dagen). De dagen die een kabinet zit zetten we af tegen deze 1460 dagen en beschouwen dat als ‘de overlevingskans’. Helemaal klopt dat niet natuurlijk want kabinetten komen om een veelheid van redenen aan hun eind, en soms is al vooraf afgesproken dat een kabinet maar even aanblijft. Die nuances maken vergelijken onmogelijk en dat is toch juist wat we willen doen. En natuurlijk, de vergelijking gaat ook mank doordat in de vergelijking kabinetten uit hele andere tijden zijn betrokken met hele andere politieke, sociale en culturele randvoorwaarden en achtergronden. Een vergelijking van appels en peren, en eigenlijk ook nog eens tussen koolrapen en schorseneren… maar toch. We beginnen onze telling vanaf de introductie vanaf het (gedeeltelijk) algemeen kiesrecht in 1917 toen het moderne kiesstelsel werd geïntroduceerd op basis van evenredige vertegenwoordiging. Het eerste kabinet kon nog niet bogen op vrouwenstem; dat werd pas vanaf 1919 geïntroduceerd.

Vergelijking minderheidskabinetten – grote coalities (4+ meerderheidskabinetten)

  1. de minderheidskabinetten
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Rutte I  2010-2012 parlementair minderheidskabinet, met gedoogconstructie 557 dagen = 38%
Balkenende III 2006-2007 minderheidskabinet (overgangskabinet) 230 dagen = 15%
Van Agt III 1982 minderheidskabinet (overgangskabinet)  159 dagen = 11%
Biesheuvel II 1972-1973 parlementair minderheidskabinet  275 dagen = 18%
Zijlstra i 1966-1967 minderheidskabinet (overgangskabinet) 133 dagen = 9%
Colijn V 1939 extraparlementair minderheidskabinet 2 dagen = 0,1%
De Geer I 1926-1929 extraparlementair interim-kabinet 1212 dagen = 83%
Ruijs de Beerenbrouck I 1918-1922 parlementair minderheidskabinet 1417 dagen = 97%

 

We hebben in de afgelopen honderd jaar dus maar liefst 8 ‘minderheidskabinetten’ gehad. Die laten een treurige gemiddelde overlevingskans van 21,7% zien. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de meeste van die minderheidskabinetten er niet op uit waren om de hele rit uit te zitten. De meesten dienden slechts voor kortere tijd in aanloop naar verkiezingen, maar moesten zodanig belangrijke zaken afhandelen dat ze het zich niet konden permitteren louter demissionair door te gaan. Maar toch: geen fijne overlevingskans.

Hoe ligt dat nu bij de grote coalities van 4 partijen of meer?

  1. Grote coalities (4 partijen of meer in het kabinet)
naam periode soort Dagen/’Overleving’
Den Uyl 1973-1977 Meerderheidskabinet (5) 1683 dagen = 100% ++
Biesheuvel I 1971-1972 Meerderheidskabinet (5) 400 dagen = 27%
De Jong 1967-1971 Meerderheidskabinet (4) 1553 dagen = 100% +
De Quay 1959-1963 Meerderheidskabinet (4) 1527 dagen = 100% +
Drees III 1956-1958 Meerderheidskabinet (4) 800 dagen = 54%
Drees II 1952-1956 Meerderheidskabinet (4) 1502 dagen = 100% +
Drees I 1951-1952 Meerderheidskabinet (4) 537 dagen = 36%
Drees-Van Schaik 1948-1951 Meerderheidskabinet (4) 950 dagen = 65%
Schermerhorn-drees 1945-1946 Meerderheidskabinet (4) 374 dagen = 25%
De Geer II 1939-1940 Meerderheidskabinet (5) 390 dagen[1] = 26%
Colijn III (en II) 1933-1937 Meerderheidskabinet (4) 788 dagen = 53%
colijn I 1925-1926 Meerderheidskabinet (4) 99 dagen = 0,6%
 
 

Slotsom

We hebben in totaal 3 vijfpartijen-meerderheidscoalities gehad en 9 vierpartijen-meerderheidscoalities. Gemiddeld hebben die een ‘overlevingskans’ van 57% (niet heel slecht). Vierpartij-combinaties doen het zelfs heel goed (59% overlevingskans – al trekt Colijn I het gemiddelde wel heel fors omlaag). Vijfpartijen-kabinetten blijken niet eens zo wankel (51% overlevingskans) al hebben we daar wel erg weinig ervaring mee.

Alles is relatief trouwens als je deze overlevingscijfers afzet tegen de gemiddelde levensduur van kabinetten na WO II:

1945-1950 – gemiddelde zittingsduur 697 dagen = 47%

1950-1960 – gemiddelde zittingsduur 902 dagen = 61%

1960-1970 – gemiddelde zittingsduur 726 dagen = 49%

1970-1980 – gemiddelde zittingsduur 930 dagen = 63%

1980-1990 – gemiddelde zittingsduur 945 dagen = 64%

1990-2000 – gemiddelde zittingsduur 1446 dagen = 99%

2000-2010 – gemiddelde zittingsduur 751 dagen = 51%

De gemiddelde overlevingskans van een kabinet na WO II in Nederland ligt daarmee zo rond de 62%. Langjarig op net iets boven de 63%. En dat wijkt dan niet eens zo heel veel af van de overlevingskansen van grote coalitiekabinetten.

Concluderend: minderheidskabinetten hebben – met alle slagen die bij de vergelijking om de arm moeten worden gehouden – klaarblijkelijk veel kleinere overlevingskansen (21,7%) dan meerderheidskabinetten, zelfs veel beter dan van vier- of vijfpartijenkabinetten (57%). En dan nog iets. Hoe stabiel is een land waarin in de afgelopen 100 jaar een kabinet net iets meer dan 60% kans had de rit uit te zitten. Heeft dat wellicht met ons kiesstelsel te maken? Iets om eens over na te denken rond de viering van 100 jaar kiesrecht.

 

[1] Tot aan de Duitse inval mei 1940.

Advertisements

About wimvoermans

Meer nog te vinden op http://www.wimvoermans.nl/ en op facebook http://www.facebook.com/wim.voermans.58
This entry was posted in Algemeen, Politiek and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s