Verlangen in ‘s Gravenmoer

I’m in competition with myself, and I’m losing.’

Roger Waters

Als je Heraclitus mag geloven – en wie zou dat niet doen – is het niet goed voor je om alles te krijgen wat je begeert. Er moet iets blijven om naar te verlangen. Dat zal allemaal best, maar aan de andere kant wat weet zo’n antieke Griekse filosoof van 540 voor Christus heraklituser nou helemaal van? Een makkelijk commentaar voor een vent die met een gouden lepel in zijn mond is geboren en ver voor onze tijd waarin behoeftebevrediging de brandstof voor vooruitgang is. En duidelijk ook nooit  in ´s Gravenmoer geweest, die Heraclitus. Anders had hij wel anders gepiept.

Nog nooit was er iemand op zo’n jonge leeftijd directeur van de directie Arbeidsverhoudingen van het Ministerie van Sociale Zaken geworden. En zojuist ook nog tot  hoogleraar benoemd en daarna direct tot vice-decaan gebombardeerd aan die juridische faculteit van de Universiteit van Tilburg waar we op dat moment allebei werkten. Werkelijk alles had ie al bereikt en hij was nog maar net 40. Maar winnen in ’s Gravenmoer, ho maar. Dat lukte al jaren niet, wat hij ook probeerde. Nooit eens eerst binnen na die paar stomme rondjes rond de kerk. Dat stak, meer dan hij liet merken. Het legde een grauwsluier over al dat andere hardloopsucces.

Over wie hebben we het? Laten we zeggen over Peter, want anders ligt zijn naam direct op straat en dat zou die denk ik niet leuk vinden na alle gedoe van de afgelopen tijd. En ik heet voor het gemak maar even Guus, of nee, Hans. Ja, Hans.

En waar gaat het dan om? Zoals gezegd over die Stratenloop van ’s Gravenmoer, een hardloopwedstrijd in een minuscuul kerkdorp (ca. 2.000 inwoners) vlakbij Dongen, die in het vroege voorjaar werd georganiseerd.sgravenmoer

Ook op 5 april 1998. Het is stil in de auto als we er naar toe rijden. Zwaar, zwaarbewolkt en daardoor, zelfs zo rond twaalven, donker en somber weer. De koplampen moeten aan. Er staat een flinke wind en af en toe klettert de regen met bakken uit de hemel. Van die onbeheerste huilbuien uit inktzwarte wolken. De ruitenwissers kunnen de vracht nauwelijks aan.

‘Een goeie tijd kun je vandaag wel vergeten,’ stelt Peter vast, terwijl hij probeert de wegwijsborden te lezen.

‘Zeker en dan is er nog dat stuk zandpad waar je over moet. Dat is natuurlijk een grote modderpoel waarin je wegzakt met je wedstrijdschoenen…’

‘Hoe laat heb jij het?’ vraagt hij.

‘Kwart over twaalf.’

Hij kijkt wat moedeloos naar dat ene bord dat we net voor de derde keer passeren. Het is nu zeker: we zijn verdwaald.

De veteranen (40+) en de senioren (18-40 jaar) vertrekken tegelijkertijd om 13.00. Als we om iets over half een de auto in de berm achter het lange lint van geparkeerde auto’s stilzetten hebben we even een nerveus krijgsberaad. Inlopen zit er niet meer in. Het is nog zeker 2 kilometer lopen naar de plek van de inschrijving. Laten we maar met onze tas op de rug inlopen. De regen sliert als een wapperend watergordijn naar beneden. Af en toe is het of er hagel bij zit. Dribbelend met onze looptas op de rug langs de lange colonne van geparkeerde auto’s vervliegt de hoop waarover we in de auto spraken. Dat door het slechte weer misschien een aantal lopers thuis is gebleven waarmee onze kansen zouden stijgen. Niet dus. Ze zijn er allemaal. ‘Bij de senioren heb je sowieso geen kans,’ had Peter me al runnersdarkgezegd. Niet om me te ontmoedigen of zo – het was nu eenmaal niet anders. De midden-Brabantse hardloopconcurrentie in de categorie boven de dertig is erg groot. En of dat nog niet erg genoeg is, melden de Belgen zich meestal ook nog. Om de tien kilometer te winnen bij de ouwe taaien zul je ergens voor in de dertig minuten moeten lopen (dat is ongeveer 20 kilometer per uur – 10 kilometer lang). En bij de veertig plus is het al niet veel beter. Zelfs voor ons twee, wij die al een aantal jaren zeven dagen per week trainen, meer dan honderd kilometer per week maken, afgetraind tot op het bot, valt dat niet mee. Peter probeerde het al drie keer. Zonder succes.

Dribbelend door de plassen praten we maar niet meer over onze winstkansen. We hebben het over het werk en – indirect – over hoe goed we het als organisatie wel niet doen. Als je het zo optelt zitten we eigenlijk in de beste vakgroep van allemaal. Ja zo is het maar net. En wij zijn dus zelf ook goed. Die opsteker hebben we dan toch maar vast binnen. En ook dat hardlopen zo’n mooie sport is en zo’n ideaal tegenwicht voor al dat hoofdwerk in ons vak. We relativeren er flink op los, maar gaan ondertussen wel almaar harder lopen. Nee, wij doen het voor de lol dat lopen. Niet zoals een aantal van die andere mannen die we ook wel kennen. Die altijd op het randje van geblesseerd zijn balanceren, die nergens anders over kunnen praten.

‘Wat ga jij doen vandaag?’ vraagt Peter.

‘Een lage vijfendertig, misschien vierendertig. En jij?’

Peter kijkt met een beetje vies gezicht omhoog. ‘Een vierendertiger.’

Het is een beetje een houtje-touwtje-stratenloop die van ’s Gravenmoer. Inschrijven en omkleden in het dorpscafé. Snel, snel. En dan de trainingsplunje uit en de wedstrijdkleding aan. Al is het koud, toch maar de singlet. Er hangt een walm van sigarenrook, zweet en damp uit natte kleren. De pupillen die net hebben gelopen krioelen met hun medailles tussen de menigte. Peter en ik staan bij het omkleden tussen twee rokende biljarters die spottende blikken sturen naar onze afgetrainde, blote lijven. ‘Krijgen jullie thuis niks te eten?’

Na de race staan we weer in het café. Buiten onverminderd slagregens en rukwinden. Het is bijna nacht, zo donker. Alle lopers kleden zich om en maken dat ze wegkomen. We klagen nog even onder elkaar over de ontberingen die we tijdens de race hebben moeten doorstaan. Ze moeten hier echt iets aan het parcours gaan doen. En ze moeten het ook eens nameten, want het is te lang. Het café loopt leeg. Maar wij kunnen nog niet weg. Peter heeft een prijs gewonnen – waarschijnlijk. Maar we weten nog niet welke. Omdat alles tegelijkertijd binnenkomt, kun je niet zien wie er hebben gewonnen in de veteranen leeftijdscategorieën. Het erepodium staat aan de overkant van de Dorpsstraat, tegenover het café, maar het duurt lang voor de man van de organisatie de straat oversteekt met zijn microfoon en medailles. Wachten op beter weer heeft geen zin, want dat komt vandaag gewoon niet.klederregen

Het is een van de treurigste taferelen die ik ooit zag, die prijsuitreiking daar in ’s Gravenmoer 1998. In een bont regenpak en een bril vol regendruppels roept de voorzitter van de organisatie de namen van de prijswinnaars af. De blikkerige woorden schallen door de natte, lege hoofdstraat van ’s Gravenmoer. Het is aardedonker en iedereen is naar huis. Na elke naam die de voorzitter afroept, geven wij met zijn vieren (en na een kwartier met zijn drieën) in de opening van de deur in het café aan de overkant een klein applausje dat op een bijna akelige manier verwaait in de wind. We klappen voor geesten, want – doordat de voorzitter zo lang heeft gewacht – is er niemand meer. Meisjes B, jongens B, meisjes A, jongens A – geen mens, hoe de voorzitter ook met vragende ogen door de lege straat kijkt. ‘Senioren, derde plaats, van een hele mooie atletiekvereniging hier vlak in de buurt….’ probeert de voorzitter de zaak op te leuken. Het helpt allemaal niks, niemand komt opdagen, maar hij gaat gewoon door. Ik heb al een paar keer Peter’s ogen proberen te zoeken om hem zo te bewegen ook mee naar huis te gaan. We zijn immers met zijn auto en het is nog een heel eind lopen. Mijn lichaam doet pijn van mijn hielen tot aan mijn kruin. En het wordt alleen maar erger nu we hier staan te verkleumen in de deuropening. Hij mijdt mijn blik. Kijkt strak voor zich uit.

Eindelijk dan. ‘Heren veteranen, 40 +. De derde plaats (….) is gewonnen door…(voorzitter tuurt rond met de zingende microfoon aan zijn mond – niemand). De tweede plaats door….(weer minuten niks). En de eerste plaats is voor Peter N.!! De wind huilt en de regen roffelt waardoor de galmende woorden slecht verstaanbaar zijn. Maar het deert Peter niet. Met een kwiek hupje springt hij over de dranghekken, steekt de straat over (waar inmiddels weer auto’s rijden) kruipt over het dranghek aan de andere kant en beklimt het podium. Dan heft hij de armen omhoog en balt hij zijn vuisten. De voorzitter klapt en ik ook, samen met een van de verbaasde biljarters die in het café is achtergebleven. Het klinkt aller ellendigst. Maar als ik de ogen van Peter vindt, zie ik dat hij huilt, ten minste daar lijkt het op, al weet je het niet zeker met al die regen. En het lijkt erger te worden. Er gaan schokken over zijn hele magere, wat gekromde gestalte, als snikt hij zich leeg terwijl hij de plastic medaille en de waardebon van de slagerij ontvangt. Ik klap als een uitzinnige en fluit op mijn vingers, want ik begrijp het helemaal. Je kunt dan wel alles hebben, alles hebben bereikt, maar in ’s Gravenmoer win je niet zomaar. Zo is het maar net.

Advertisements

About wimvoermans

Meer nog te vinden op http://www.wimvoermans.nl/ en op facebook http://www.facebook.com/wim.voermans.58
This entry was posted in Geen categorie, Persoonlijk and tagged , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s