Vreemde liefde

Van sommige mensen begrijp je niet wat ze in elkaar zien, waarom ze van elkaar houden. En misschien doen of deden ze dat ook wel helemaal niet. Zoals Jan en Trien. Luister.

Het was altijd aardedonker wanneer ik er naar toe reed in de winter. Een uur of zeven in de ochtend. Melk halen. Dat was mijn taak. Een dubbeltje in de zak van mijn jas en een grote vertinde ijzeren vierliterkan aan mijn stuur. Moeilijk om je evenwicht te bewaren, want mijn fiets was, net als ik, klein. En geen licht erop natuurlijk. Je zag in de winterochtend geen hand voor ogen op dat uur. Op dat kleine wakkerende lichtje in de eldertstraat9averte na. Dat wakkerende lichtje was de olielamp die bungelde in de bijkeuken van Jan en Trien driehonderd meter verderop. Tegenzin, wat zeg ik weerzin, en koud. Echt koud. Januari 1968.

Kloppen of bellen aan de deur deed je nooit bij ons in de buurt, je liep gewoon binnen. En dan stond je midden in hun bijkeuken. Buiten ging die psychotische hond van ze hees tekeer in zijn ren. Een beest zo onbetrouwbaar en gevaarlijk dat ze hem zelf niet meer uit durfden te laten. Het voegde toe aan de geladen sfeer. Binnen was het half duister en rook het naar de zure lucht van verschaalde melk, van ingekuild gras, de mestwalm van de koeien die in de aangrenzende stal stonden, vermengd met lampoliewasem. Ik was er altijd bang. Meestal trof ik ze samen achter de tafel Jan en Trien. Twee oude mensen, toen al. Ze waren allebei van het begin van de eeuw, uit een andere onbegrijpelijke tijd, een tijd die eigenlijk al lang weg was maar via alleen via hen nog voort bestond. Ze hadden geen kinderen, en ook (misschien daarom) nooit de behoefte gevoeld om hun boerderij te moderniseren. Geen stroom, geen televisie of koelkast, geen douche noch riolering, geen tractor, auto, niks van dat al. Vastgevroren in de tijd. Alles in hun boerderij was nog exact hetzelfde als op de dag dat Jan er de laatste steen in metselde in de zomer van 1928. De voorkamer, de ouderwetse stal, de opkamer met de bedstee. Niks aan veranderd.

‘Ik kom melk halen,’ verklaarde ik nodeloos en hield mijn lege kan omhoog. Ja wat kon het anders zijn. Al twee jaar lang kwam ik hier als enige klant. Maar ja, dan werd er toch tenminste iéts gezegd. ‘Dag,’ zei Trien en weer volgde een beklemmende stilte. Een stilte waar een kind niks mee kan. Jan, mager van gestalte, wendde zijn blik af en maakte een grommend geluid. Zijn pet die die altijd ophield wierp een lange schaduw over zijn gezicht. Steeds wanneer ik binnenkwam stond hij direct op van tafel. Hij hield niet van gezelschap, en al zeker niet van de drukte van kinderen. ‘Een ezel, een echte ezel,’ zo noemden de mensen uit de buurt hem; dat was Zunderts voor een nors en dwars mens. jan

‘Thuis alles goed?’ zei Trien die zoveel vriendelijker was. Ze had een hoge, hese kraakstem. ‘Hoe is het met de zusjes..?’

‘Goed,’ probeerde ik boven het indringende geblaf van de hond uit te brengen. ‘Thea heeft gisteren haar gat verbrand aan de kachel…’

‘Wat?’ zei Trien. Ze moest wat lachen. Dat irriteerde Jan.

‘Hij moet eerst betalen!,’ snauwde hij, terwijl hij al naar de deur van de stal was gelopen. ‘Eerst geld…anders geen melk….’

Ik gaf Trien het dubbeltje. Ze knipoogde ter geruststelling. Ze waggelde een beetje, krom in haar rug en heup terwijl ze naar Jan liep. Jan zijn rug was zelf ook al jarenlang in een hoek van bijna 75 graden  gevouwen. Mensen in de buurt zeiden dat hij al vanaf zijn dertigste zo liep. Dat hij zijn rug had geruïneerd toen hij, gierig als altijd, met de schop hier de drie hectaren grond achter zijn huis had omgespit om het te ontginnen. ‘Te gierig om een paard en ploeg te huren en toen zijn hele rug kapot gemaakt.’ Hij had geen vrienden in de buurt, en zocht ze ook niet.

Een boeren bloemetjesjurk met blauwe en groene bloemen met een donkere schort voor geknoopt, dat droeg Trien. De bril met katogige contouren (zo een als Koningin Juliana droeg) maakte haar gezicht ouder dan het in werkelijkheid was. Ze gaf het dubbeltje aan Jan. Die inspecteerde de munt en stak hem toen in zijn zak. Hij gromde weer, nurks en ontevreden, maar toch was dat het signaal dat het goed was.

‘En van onder uit de kan,’ beet hij Trien toe voordat hij langs de deur van de bijkeuken de stal weer in ging. Door een mist van de walm van de dieren die langs diezelfde deur naar binnenkwam verdween hij. En Trien schepte vier liter volle melk van onder uit de kan. Niet van de room die aan de bovenkant dreef. God verhoede.

eldertstraat 9‘En is het goed met Thea?’, wilde ze weten. ‘Is de dokter er bij geweest…?’ ‘Hé!’ klonk het bars vanachter uit de stal, ‘Komen!’ Het had Jan al weer lang genoeg geduurd. Hij hield er niet van dat zijn vrouw aanpapte met wie dan ook. Dat verlengde alleen maar de ongewenste aanwezigheid van anderen.

‘Tot overmorgen, of kom anders vruurens (vier uur) nog eens langs…’ zei ze, ‘we hebben nog appeltjes in de kelder,’ Al veertig jaar zat ze hier zo vast. Zonder gezelschap, stik alleen. Een beetje familie van Jan dat in het weekend kwam chagrijnen. Meer niet. Ik wilde wel ’s middags bij haar langskomen, maar eigenlijk ook weer niet. Ze was zo ongelukkig, zo gevangen. Hij deed zo lelijk tegen haar. Ik werd er compleet somber van daar bij Jan en Trien.

Hoe zou dat nou ooit zo gekomen zijn, met Jan en Trien?

Getrouwd, ik schat zo in 1931. Trien was van 1905. 26 Dus. Jan zal zeker ouder geweest zijn. In die jaren trouwden boerenjongens niet al te vroeg. Ze moesten eerst het geld bij elkaar zien te krijgen om een boerderij te kopen. Dat lukte zelden voordat je een jaar of dertig was, zelfs al kreeg je wat mee van je ouders. Maar het was het wachten waard. Anders bleef je boerenknecht, vakman, of anderszins paria. Een eigen ‘boeltje’, dat moest je hebben, al was het maar een postzegel, al was het niet meer dan een vlek.

Het had niks gescheeld, bij Jan. Was er die ontginning van de Moer niet geweest dan had ie zeker het geld niet bij elkaar gekregen. Met zijn twaalven thuis en zeker vier oudere broers. Geen vermogen in de familie daar achter in Achtmaal. Arm, straatarm als er een straat was geweest. Maar gelukkig dan die ontginning. Sinds een paar jaar gaf de gemeente woeste grond uit in het gebied achter de Moeren. Dat was tweehonderd jaar daarvoor al een keer ontveend, maar in de eeuwen erna helemaal verwaarloosd. Laag, drassig land, vol met plukken wilde hei, eigenlijk weer als voorheen een moeras. Maar wel grond voor een prijs binnen Jan zijn mogelijkheden en dat telde. En wat ook hielp was dat er tegenwoordig ook coöperaties waren, die konden bemiddelen bij het krijgen van leningen. Contant had ie niet eens een tiende van het benodigde bedrag, maar de rest kon hij na wat praten van de bank krijgen. Ze wilden zelfs de bouw van een boerderij wel financieren. Mooi toch? Daar had ie wel zorgen van, Jan, van ‘geleend geld’. Dat deed je eigenlijk niet in de contanteconomie waarin hij was groot gekomen. Iets wat je niet had, kon je niet uitgeven. Maar ja, deze grond was zo goedkoop dat hij wel gek zou zijn de kans te laten lopen. Je kon een paar hectaren krijgen op voorwaarde dat je de percelen weer in cultuur zou brengen. Dat wil zeggen de woeste vegetatie – voornamelijk hei – er af halen en dan ontwateren. Waar anderen bij het aanzicht van vier hectaren woest en drassig heiveld – waar werkelijk geen ploeg doorheen kwam – de moed bij voorbaat in de klompen zonk, kon Jan bijna niet wachten. De schop in de grond, geulen maken alles twee steken diep omzetten. Zijn handen jeukten al toen hij zijn naam onder het contract zette. En het was ook goed, dat vond Jan toch, dat het ver van de bewoonde wereld was. Lekker achteraf. Liever geen pottenkijkers, jennende kinderen, treiteraars of koren van hoongelach zoals die zijn leven lang al achter zich had aan gehad.imagesCA8PV3ER

Hoe zouden ze elkaar ontmoet hebben die twee? En zijn ze ooit echt verliefd geweest? Geen idee. Toon van de Witte die in de bocht van de Eldert woonde, vertelde dat Trien in haar tijd een mooie meid was geweest. Een van vier dochters. Ook zij kwam uit Achtmaal, vlakbij de grens. Trien kon goed de Charleston dansen in de jaren twintig en met haar zussen gingen ze dan naar een danszaal in Essen. België was zo net na de Eerste Wereldoorlog veel mondainer dan Nederland. Maar hoe was ze dan toch ooit aan Jan blijven hangen?

Een nerveuze een beetje tobberige jongen, Jan. Piekhaar en schuchter, ook al toen hij jong was. Keek je liever niet direct aan. Maar wel een goede boer. Ja, een goede boer, een harde werker daar waren ze het allemaal over eens. Goed met dieren, niet goed met mensen. ‘Net of je daar iets aan hebt,’ zeiden ze dan in de buurt, want alles wat niet meepraatte werd gewantrouwd.

Een raadsel. Misschien dat hij dat plan over die ontginning overtuigend heeft gebracht. Maar wanneer dan? Ze kon krijgen wie ze wilde. Wat zag ze nou in deze zuurpruim? Was ie een keer boven zichzelf uit gestegen? Een moment maar. Had ie haar ontzet tijdens Achtmaalse kermis door een vervelende zatlap in een keer tegen de grond te werken. Zoiets maakt indruk. Iets tussen sympathie en meelij, dat kan ook natuurlijk. Dat ze met hem te doen had en hem wilde helpen. Wat er ook van zij het was een vergissing. Een levenslange. Want trouwen was onomkeerbaar in die tijd. En getrouwd waren ze al in 1927.

In al die tijd dat ik hem nog kende na 1968 werd hij alleen maar onvriendelijker. Je mocht niet over zijn weiland lopen. Hij groette niet terug als je naar hem knikte wanneer je hem passeerde. Hij wilde niets met iemand te maken hebben. Heel ongewoon in de communautaire omgeving van de kleine straat in het kleine dorp waarin ik woonde. Iedereen had medelijden met Trien en de buurvrouwen uit de buurt doorbraken wanneer ze konden Jan zijn ‘Sperre’ op contact met Trien. Ze hebben zelfs hem ‘de ezel’ naar het ziekenhuis gereden toen hij, al in de tachtig, nieuwe heupen kreeg. Ze kwamen hem ophalen toen hij voortijdig het St. Elisabeth hospitaal verliet, strompelend op zijn gewonde benen. En de buurt hielp toen die psychotische hond moest worden afgemaakt toen hij Jan had aangevallen. Het veranderde allemaal niets.

Twaalf jaar geleden is Jan overleden en Trien bleef achter in die vooroorlogse boerderij. De AOW die ze kreeg was meer dan voldoende om te overleven. Ze spaarde eigenlijk zowat het volle bedrag ervan. Iedereen was welkom vanaf die tijd, al waren er niet veel meer over. Geen leeftijdgenoten meer, geen kennissen. Maar het beetje aanloop dat ze had koesterde ze. En de buurt deed wederom echt zijn best.

K19284Een jaar of wat geleden is ze opgehaald naar het verzorgingstehuis in Zundert. Er was iets met haar benen. Waar die gang naar het eindstation voor veel bejaarden een verschrikking is, was het voor Trien een revelatie. Ze ontving bezoek, was – dik in de negentig – het middelpunt van de kaartende en kwebbelende kliek in de recreatiezaal. Wel steeds nog die zorg voor de boerderij natuurlijk. Maar daar zou ze weer snel naar toe gaan, hield ze iedereen voor. ‘Als haar benen weer eenmaal genezen waren.’ En dan trok ze snel haar dekentje recht opdat niemand zou zien dat het eigenlijk weer wel ging, met die benen.

De afgelopen zes jaar is de oude boerderij van Jan en Trien, die eigenlijk nog van niemand is, langzaamaan steeds verder vervallen. Een triest gezicht. Er is een groot gat in het dak van het woongedeelte gewaaid en de stal is gedeeltelijk ingezakt. De tijdscapsule die daar een laatste deeltje van het leven van het einde van de negentiende en begin van de twintigste eeuw vasthield, valt uit elkaar. Triest, misschien, maar ook een schuldige plek die verdwijnt. Een plek met herinneringen die we misschien niet willen kennen. De wind heeft vrij spel nu in die kapotte vervallen boerderij en jaagt er met elke zucht iedere dag meer herinneringen uit.

Trien is afgelopen jaar 104 jaar oud geworden, de oudste inwoner van de gemeente Zundert. Geen recreatiezaal meer voor haar. Ze ligt de hele dag in bed. Eén van haar demente ogen is nog open, en dat staart de godganse dag naar een plek op de witte muur. Haar blik leeg. Je weet niet wat ze denkt. Herleeft ze het? Of, en dat zou ik haar gunnen, leeft ze in gedachten het leven zoals het had kunnen zijn. Je weet het niet.

P.S. Trien overleed acht jaar geleden. Het lege huis verviel. Afgelopen april is de boerderij  na jaren leegstand afgebroken en er is een soort vrolijke bungalow op die plek gebouwd; Alles beweegt, niets blijft hetzelfde.


Advertisements

About wimvoermans

Meer nog te vinden op http://www.wimvoermans.nl/ en op facebook http://www.facebook.com/wim.voermans.58
This entry was posted in Algemeen, Persoonlijk and tagged , , , , , , , . Bookmark the permalink.

One Response to Vreemde liefde

  1. Kees van den Broek says:

    Zeer herkenbaar verhaal uit de Eldertstraat. De nieuwe woning past absoluut niet bij het achterliggende weidse uitzicht over de weilanden richting de Moeren.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s