Toontje

toontjeMet een noodgang passeerde hij ons erf op zijn fiets, ging in het voorbijgaan snel met een voet op het zadel van zijn fiets staan, en zwaaide, twee handen aan het stuur een been naar achteren. Zo hard als hij kon riep ie dan: ‘Koekoek!! Koekoek!!’ Dat was het handelsmerk van Toontje de Vullik. Een zwerver met een rode neus van de drank en een gekke gedeukte pet op zijn hoofd. Swiebertje, maar dan een zonder tanden, zwarte vegen in zijn gezicht en een verstikkende lichaamstank.

Koekoek, Koekoek! Ik was een jaar of zes in 1967, maar vond het helemaal geen gek tafereel. Er waren wel meer van dat soort. Mensen waar wat aan mankeerde. Zo veel meer dan je nu in het straatbeeld ziet. Geestelijk gehandicapten, mensen met missende ledematen, dronkenlappen op alle tijden van de dag in soorten en maten. Ze namen allemaal deel aan het openbare leven en maakten er het beste van. Vaak werd het gebrek ook ingezet. Nelis met het houten been, die met paard en huifkar huishoudartikelen bij de boeren leurde. Nadat hij moeizaam hijgend en puffend van zijn bok was gestapt legde hij, eenmaal bij de boerin binnen, zijn houten been met veel misbaar op de tafel. Of ze nog wat nodig had. Een kalverenkoopman die zijn achterlijke zoon mee achter op de brommer nam en er niet genoeg van kreeg met de boeren over zijn ongeluk te praten. Nel Douwkar: die zette zich zelf in. Een zwakbegaafd meisje dat kramptrekkend op de pedalen van haar fiets stampte waardoor haar bovenlichaam als een blaasbalg omhoog en omlaag bewoog. Iedere dag reed ze rond, weer of geen weer. Om te gieren. Er werd smalend om gebreken gelachen, gehandicapten werden nageroepen, ze werden beschimpt, maar ze waren er wel gewoon bij. Tenminste nog eventjes, want net in die tijd begon dat te veranderen. De zorg verbeterde op alle fronten en ‘sukkelaars’ konden steeds beter geholpen worden. Meer tehuizen, meer hulpverleners. Onzichtbare stofzuigers gingen door de rangen van het platteland en er verdwenen steeds meer gehandicapten uit het straatbeeld. Ook de hoogbejaarden, die mij altijd de stuipen op het lijf joegen (vooral de 90-jarige Mient Snoeis, met zwarte heksenpuist naast haar neus, en een stok waarmee ze naar ons sloeg. Tjonge, wat kon die snauwen). Velen van hen verhuisden van bedsteeën en krakende stoelen in de voorkamers van boerderijen van hun kinderen naar bejaardentehuizen. Beter, zeker, beter voor alle betrokkenen daar zal je mij niet over horen.

Maar niet beter voor iedereen. Voor Toontje de Vullik zijn nering was de sanering vervelend. Toon mankeerde, denk ik, niet echt zoveel, al ben ik dan op dat terrein geen deskundige. Volgens mij was hij alleen flink aan de drank (wie weet ook weer ergens het gevolg van), maar hij deed vooral alsof hij niet goed wijs was. Zijn act was geraffineerd. Na de opvoering op zijn fiets reed hij terug langs alle erven waar die roepend op zijn zadel was langsgekomen. Dan liep ie sukkelend en triest zwaaiend met zijn hoofd, een erf of en zong: ‘Ze stopten me in het gekkenhuis, maar Toontje laat zich niet vangen als een muis, mijn gemoed is vol, mijn maag is hol, maar ik kan niet alleen leven van het land, daarom reik ik u mijn bedelhand.’ En dan neigde hij zijn hoofd. Voorheen lukte het meestal wel iets op te halen, maar nu er staatssolidariteit was en overheidszorg, holde de individuele charitas achteruit. Mijn moeder gaf hem een ingevroren kip uit onze vrieskist.

‘Bedankt  mevrouwtje,’ zei Toon wat aangeslagen. Twee dagen later hoorden we dat hij geprobeerd had die kip aan de kastelein van café Den Hoek te verkopen. Die had hem eer dan maar een jenevertje voor gegeven, ook al omdat de smeltende kip op de toog gemengd met Toontjes lichaamsgeur zelfs de vaste klanten dreigde te verjagen.jeneveritled

Voor zwervers en bedelaars werd het al maar moeilijker in die tijd. Ze verdwenen zowat, werden ongewenst. Ik betrap me daar nu wel eens op als er iemand een aalmoes vraagt. Onaangenaam verrast, voel ik me dan, betrapt bijna. Iemand die iets van je moet hebben. Een onbekende die zomaar binnenbreekt. Vreemde lui. Je probeert je weerzin een beetje te rationaliseren. Waarom zou ik eigenlijk dubbel betalen: we hebben toch voldoende zorg en bijstand? Als ik hem of haar iets geef maak ik het misschien alleen maar erger. Wie weet word ik, als ik iets geef, nog beroofd ook.’ En dan die ene klassieker onder de dooddoeners: ‘Degenen die het echt nodig hebben, komen het niet vragen.’ Dat soort gedachten. Ik ben er niet trots op.

Reve kon het zo mooi zeggen als ie weer een boek af had: ‘Er komt weer geen normaal mens in voor.’ Iets tegenovergestelds geldt tegenwoordig onze openbare ruimte: je ziet er nauwelijks nog een abnormaal iemand. Mijn kinderen schrikken ervan.

Toontje heeft het op de slippen van de populariteit van Swiebertje nog een tijdje uit kunnen zingen, maar het hielp niet dat hij zo vreselijk stonk. Steeds vaker moest hij naar abdij Maria Toevlucht van de Zundertse paters Trappisten. Die ontfermden zich over hem, gaven hem eten en een slaapplaats. Maar ja, dat borreltje waar het hem om te doen was, daar kreeg hij er steeds minder van. Wat er met hem gebeurd is weet ik niet. Hij kwam het jaar daarop al niet meer in onze straat. Geen vrolijk ‘Koekoek!’ meer. Verhuisd, misschien? Overleden of gewoonweg als alle anderen zwervers en havelozen ‘opgelost’.

Klik hier voor de Pdf

zwerver

Advertisements

About wimvoermans

Meer nog te vinden op http://www.wimvoermans.nl/ en op facebook http://www.facebook.com/wim.voermans.58
This entry was posted in Algemeen, Persoonlijk and tagged , , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s