Kippen laden

imagesCARFWQCEAls fladderende vleermuizen vielen ze uit het aardedonker op ons erf, met niet meer aankondiging dan het muggejanken van hun opgevoerde Kreidlers en Zündapps. Kilometers ver kon je ze  door de stille nacht aan horen komen. De kippenvangers. Boerenjongens bij ons uit de buurt van een jaar of zestien zeventien. Een enkele wat oudere vrijgezel.

Een keer in de vier maanden werden de 20.000 kippen op ons bedrijf weggehaald door drie tot vier grote vrachtwagens met aanhanger. Daarop de mannen van de kippenslachterij Ruardi ergens uit de buurt van Dordrecht. Rustige kerels. Kleerkasten, dat wel, met lelijke verminkingen aan hun vingers en een van hen met een kreupele tred. Mannen van weinig woorden die avond aan avond de honderden 50 tot 60 kilo zware kratten vol met kippen één voor één in de laadruimten van hun vrachtwagens stapelden. Totdat mijn vader een shovel kocht die toestond dat zo’n dertig kratten in één keer op pallets op de vrachtwagen werden getild. Maar voordien – en nadien nog lang bij andere bedrijven – gingen de ca. 800 tot 1000 kratten, nodig voor twee volle kippenkooien, apart door hun kapotgewerkte handen. Slechter en zwaarder werk bestaat niet.

In het holst van de nacht – rond een uur of half een – werden de kippen bij ons gevangen en ingeladen. Dat had verschillende redenen. Eerst en vooral omdat kippen dan slapen. En niet zomaar een beetje. Als het donker wordt, valt een kip onmiddellijk in een soort coma. Instinctief. Doe het licht uit in een open-loop kippenkooi, zo een als wij die hadden, en binnen dertig seconden doven de kwebbelende schouwburggeluiden van tienduizenden kippen uit tot een fluisterend muzakgemurmer van verengeruis af en toe doorbroken door een paniekerige kakelkreet. Gekke beesten, kippen. In het donker zijn ze geheel weerloos en als verdoofd. Ze verroeren zich niet, ook al val je met acht vloekende en tierende kerels hun woning binnen, gewapend met pallets vol kratten, en een bulderende shovel met felle zoeklampen op de achtergrond. Een kip blijft een kip en die blijft dan zitten waar die zit. Laden midden in de nacht was ook in het belang van de kippenslachterij. Daar begon om zes uur ‘s morgens de band te lopen en dan moesten er natuurlijk kippen klaarstaan. De tijd tussen laden, vervoer en de slacht werd – in het belang van de stressgevoelige beesten – bewust zo kort mogelijk gehouden. Om diezelfde reden werden ze'ladenloos vanaf de jaren zeventig ook niet meer in de kooi bij hun poten opgepakt en dan ondersteboven naar de vrachtwagen buiten gebracht (dat duurde eindeloos weet ik nog wel). Vanaf toen werden ze in de kooi zelf gevangen en daar al in de kratten gedaan. Die volle kratten werden bij ons in de kooi zelf op de pallet gezet en dan met de heftruck-shovel naar buiten gebracht.

Nu ik het zo opschrijf, klinkt het mooier dan het in werkelijkheid was. Kippenladen is hellewerk, met of zonder pallets, met of zonder shovel. In een volle kippenkooi is het verzengend heet (kippen worden op tropentemperaturen gehouden) en de kratten die je in jakkerend ritme moet vullen (een minuut of vier tot zes voor de vijfentwintig bakken) zijn loodzwaar; 55 kilo of daaromtrent. Verder zie je geen ene moer. Aardedonker, alle lichten gedoofd. Een flauw schijnsel van buiten hooguit. Een nieuwe pallet wordt binnengereden. Je pakt je eerste krat. Graai, grijp 25 kippen erin, dan gauw de schuifkleppen dicht. Vaak een vinger ertussen. Zo snel als je kan de volle krat tien tot vijftien meter naar de pallet sjouwen en er op zetten (nou ja, gooien). In een ploeg van acht betekent dat drie tot vier kratten in gemiddeld viereneenhalve minuut. Een dikke minuut per krat. En meestal waren we niet eens met zijn achten. Het stapelen van de eerste krattenlagen op de pallet was eigenlijk niet eens zo moeilijk, maar bij de vijfde laag moest je de krat boven borsthoogte tillen. Dat hakte er in. Heet, zwaar en in de verstikkende ammoniak die naar boven kwam van de vloer. Overal, overal kippenmest. Mestkippen worden gehouden op een laag strooisel van houtkrullen. Na zo’n maand of drie ontstaat er dan een vaste, lauwwarme borstplaat van vaak vochtige kippenstront, die een dichte walm van verterende mest wasemt, en grote wolken ammoniakgas voortbrengt. Zo werden kippen gevangen. Een orgie van stank, zweet, het helse kabaal van de dieselmotor van de shovel, ammoniakbenauwdheid, gevloek en gesjouw en dat allemaal in het stikdonker. Na vijf van die pallets zak je zowat door je assen, na een stuk of negen wordt alles onwerkelijk; word je licht in je hoofd van de vermoeidheid en de ammoniak. Af en aan en af aan en af aan en af, imagesCAMTTSKBen af en aan. Gelukkig kon ik er goed tegen. Ik deed al mee vanaf mijn dertiende. Voor mij was het ook eigenlijk gauw verdiend. Dat gold niet voor iedereen.

Een half uur voor de klus verzamelden de kippenladers zich bij ons op het erf. De chauffeurs van de slachterij waren dan al met mijn vader bij de Zundertse veiling geweest om daar leeg op de brug te wegen. Bij ons werd meestal op zondagnacht geladen. Een paar vaste jongens, die van Godrie bijvoorbeeld, hadden te voren dan al even geslapen. Die moesten na het nachtelijke kippen laden ‘s morgens aansluitend de koeien melken. Daar bereidden ze zich goed op voor. De anderen hadden minder scrupules. Het grootste deel van de ploeg dronk zich van te voren meestal wat moed in, in een van de cafés van Achtmaal. Kippenladen was zwaar en zij, jonge boerenkerels, konden zich niet permitteren tijdens de klus temidden van hun leeftijdgenoten een modderfiguur te slaan. Opgeven of klagen kon gewoon niet. Zeker niet met Toon in de buurt. Dat was een lange, beresterke, vrijgezel van een jaar of dertig, die iedereen kende. Zijn vrijgezelligheid was geen wonder: hij was een ongelikt krachtmens dat met een mengeling van bewondering en meewarigheid door de anderen werd bekeken. Al naar gelang je het accent wenste te leggen. Schreeuwerig was hij en een beetje een opschepper. Altijd er op uit te bewijzen dat hij nog steeds de sterkste en de taaiste van het stel was. En volgens mij vond ie mijn moeder leuk. Nou ja, om kort te gaan. Toon ging ook uit in Achtmaal. Daar gilde die een paar uur voordat we gingen laden de hele tent bij elkaar. Daarmee begon de competitie met de andere jonge bokken die ook die avond bij ons zouden laden. Als ze elkaar daar zo waren tegengekomen was het resultaat altijd hetzelfde: de cafébende kwam uiteindelijk min of meer zat en een beetje zwalkend bij ons op het erf. Vaak toch nog op het afgesproken tijdstip. In de buurt van mijn moeder namen ze dan geinend en schreeuwend een broodje en een kroes koffie. Ze zetten ook een grote mond op tegen de vrachtwagenchauffeurs die het allemaal minzaam aanzagen. En daarna doken we met zijn allen de kooi in. In vier uur tijd verdiende je 100 gulden met het zware werk (echt een groot bedrag) maar als je het niet tot het einde redde, kreeg je niks. Want het gebeurde nog al eens dat ze er een –  zeker met een slok op – voortijdig de brui aan moesten geven.

De kunst was om het rustig te doen, je adem te sparen. Wel doorwerken, maar goed opletten dat je uit je benen tilde. Met de ernst van een fysiotherapeut wist Kees J. dat uit te leggen. Als je niet uit je benen heft, verniel je je rug. Zijn vaders rug was daardoor verkloot, wist die. Ook goed voor de heupen bulderde zijn broer die daarbij obscene bewegingen maakte. De rest bulderde van de lach. ‘Nog goed nagedaan voor iemand die nog nooit van bil is geweest’, fluisterde Johan G.

Uit de benen. In de benen.

De kooideuren gingen open, en mist van vochtige warmte sloeg naar buiten. In een spookachtig, blauw schijnsel stonden de vangers in hun overalls te wachten op de eerste pallet. Nieuwelingen hadden nog wel eens een petje of een gebreide muts op om hun haren tegen het stof en de spinnenwebben te beschermen. Dat hield je hooguit twee pallets uit, zo’n petje. Niet te verdragen vanwege de verstikkende hitte (zeker bij ‘zomerladen’). Toch was het wel handig om het de eerste keer bij je te hebben, want elke nieuwe werd gedoopt. Halverwege de tweede of derde pallet werd een nieuwe door twee veteranen uit de ploeg bij zijn benen gepakt en door Toon – dat was zijn privilege – met zijn gezicht even door de stront gehaald. Even heen even weer met je wangen over de natte mestvloer en dan een handvol in de mond. Ik ben de enige die dat bespaard is gebleven. Niet omdat ik twaalf was die eerste keer, en al zeker niet omdat ik op een vreemde middelbare school zat, maar wel omdat ze vreesden niet betaald te worden. Toon was het er trouwens helemaal nietnaamlkippenoos mee eens dat mij ‘de doop’ onthouden werd. Vooral hij schreeuwde, vloekte en tierde dat het een aard had tijdens de eerste drie tot vier pallets . Dat het niet snel genoeg ging, dat ie nog nooit zo’n bende zeikende wijven bij elkaar had gezien. Vaak slingerde die woest met één arm een hele krat boven op de stapel van vijf hoog. Vooral als hij gezopen had ging die tekeer.

Die ene keer in de zomer van 1976 was hij niet te houden. Toon had net een contactadvertentielief opgedaan wisten de anderen. En die zou die de andere week gaan zien. Het schuim stond op Toon zijn mond toen we de zesde pallet aan het volladen waren. Uitgelaten had hij al met ieder van ons wat geworsteld, toen ie de laatste kratten voor op de stapel alle twee tegelijk oppakte. Het was heet, er was geen lucht. Toon zwierde met de vracht en midden in de zwaai met de twee kratten ging zijn licht uit. Met een smak viel hij pal achterover tegen de grond. Het was even stil, de rest keek elkaar aan. ‘Uit de benen Toon, uit je benen tillen!’ riepen ze boven zijn roerloze lijf. Nog net voor de nieuwe lege pallet werd afgeleverd,  lukte het ze zijn bewusteloze gezicht vol kippenstront te smeren en de zakken van zijn overall ermee vol te stoppen. Pas twee pallets later kwam Toon bij, en voegde zich, nog wat wankel, weer bij ons. Er was even een gespannen stilte. ‘Ik kan niet tegen dat Stella Artois bier,’ zei die, ‘die vuiligheid. Vanaf nou alleen nog maar Skol.’

‘Dat zal het zijn Toon,’ lachte de rest, ‘Dat zal het zijn.’

Bij de laatste pallet – achter de laatste kippen moest je wel een beetje aanzitten – zei meestal niemand nog iets. Zwijgend werden de laatste kratten, tegen die tijd meestal door twee man gedragen, op de pallet gezet. En dan een klein stukje door de verkwikkende koude nacht. Naar mijn moeders keuken. Daar was soep, daar waren broodjes en koffie. En werd er afgerekend. Contant, altijd contant. Jarenlang heeft mijn vader voor de fiscus vol moeten houden dat hij zelf met mijn moeder en de kinderen in een nacht 20.000 kippen op een vrachtwagen laadden, want rekeningen voor de laders waren er niet. ‘Nou, tot de volgende keer,’ zei mijn moeder dan als ze had afgerekend, maar daarop kreeg ze van de uitgewoonde, hologige kippenvangers meestal geen antwoord meer op.

Daarna kon je eindelijk in bad. Maar hoe je ook schrobde, en hoeveel doucheschuim je ook gebruikte, de stank van kippenmest – tegen die tijd doorgedrongen tot in het diepst van je poriën – bleef nog dagenlang om je heen hangen. Erg, want bij mij zaten er op de middelbare school niet zo veel in de klas die thuis ook twintigduizend kippen mestten voor de kost. Nou ja, voor die kippen zelf was het natuurlijk allemaal nog weer veel erger natuurlijk.

………………………………………….

Printen? Neem deze versie. http://www.wimvoermans.nl/pdf%20documenten/Kippen%20laden.pdf

Advertisements

About wimvoermans

Meer nog te vinden op http://www.wimvoermans.nl/ en op facebook http://www.facebook.com/wim.voermans.58
This entry was posted in Algemeen, Persoonlijk and tagged , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s