Na het grondwettelijk verdrag

Gepubliceerd in De Volkskrant, Forum, januari 2007

nee_is_neeIn het Betoog ‘We willen niet mét, maar zeker niet zonder de Europese Unie’ (De Volkskrant 30 december 2007) pleit Willem de Bruin, in navolging van de voorstellen die de nationale Conventie daarvoor deed, voor een andere Europese Unie, een veel losser samenwerkingsverband (statenverbond), niet langer gericht op het bereiken van een politieke unie, maar een EU als vrijhandelszone en afschaffing van het Europese Parlement en een minder bemoeizuchtig Brussel. Dat klinkt allemaal wervend, maar de Bruin simplificeert. Voor hem is het zonneklaar waarom Nederland ‘nee’ zei tegen de Europese Grondwet (een ‘nee’ tegen het op oude voet verder gaan met het Europese project) en wat dat te betekenen heeft als marsroute voor de Europese toekomst: geen verdere uitbreiding, minder Europa, minder politieke samenwerking, meer macht aan de nationale staten. Maar ligt het allemaal wel zo eenvoudig? De motieven voor het Nederlandse ‘nee’ wijzen helemaal niet in een richting: ze zijn veel complexer dan die van het Franse ‘nee’. Het Sociaal Cultureel Planbureau deed in 2005 een degelijk onderzoek (Europese Tijden) naar het waarom van het ‘nee’. Daaruit komt een diffuus beeld naar voren. Volgens het SCP is dat het ‘nee’ de uitkomst is van een proces van publieke opinievorming met een hoge mate van eigen dynamiek. Er komt geen duidelijk met de inhoud van het grondwettelijk verdrag verbonden hoofdmotief voor het ‘nee’ naar voren. Ook van de internetenquête die het kabinet in het voorjaar van 2006 uit liet voeren is niet direct chocola te maken. Die enquête laat brede steun voor de Europese samenwerking zien, maar aarzelingen bij verdere uitbreiding (ook over de aanstaande toetreders), aarzelingen over de effectiviteit en efficiency van de huidige Unie en de huidige verdragen en de zucht naar meer informatie en kennis over de EU en meer betrokkenheid bij de EU-besluitvorming. Opvallend is verder dat een meerderheid vindt dat het tempo van de integratie te hoog is, maar – paradoxaal – eenzelfde meerderheid nauwere economische samenwerking wil en intensievere samenwerking op het terrein van het asielbeleid en de aanpak van terrorisme. Als er al een rode draad door al die peilingen loopt, dan wijst die in de richting van een uitbreidingsstop van de EU, maar niet direct in de richting van een afbouw van de Europese samenwerking tot een soort vrijhandelszone, zoals de Bruin die voor zich ziet. Wel bestaat er een aanzienlijke – door de Bruin onbesproken – behoefte aan meer informatie en meer controle op de Europese agenda en een verbetering van het functioneren van Europa. Hoe doe je dat, beter informeren, bijdragen aan beter functioneren en controleren?

Beter informeren doe je eerst en vooral door eerlijk en helder over de EU te praten, en niet door een tendentieus beeld te scheppen van een hobbyproject van een anonieme Europese elite. Nederland heeft vijftig jaar geleden ingetekend op een uniek ontwikkelingsproject van economische integratie, dat via het wegnemen van handelsbelemmeringen begin jaren ’90 naar een volwaardige interne markt voerde. Dat project, gebaseerd op de idee dat menselijk geluk en ontplooiing de meeste kansen hebben in een eerlijk functionerende, open markteconomie, heeft opgebracht wat het beloofde: vrede en welvaart. Vooral voor Nederland met de open markt economie waren en zijn de baten van de EU groot. Het tot stand brengen van een interne markt is echter geen politiek neutrale zaak. Keuzes die bij het functioneren van die markt moeten worden gemaakt, raken rechtstreeks aan het lot van Europese burgers. Die moeten daarover rechtstreeks mee kunnen praten en beslissen. Een of andere vorm van politieke unie is bij de huidige economische integratie onvermijdelijk.

Vrij verkeer van werknemers, kapitaal en goederen ‘de mechanismen tot de interne markt in het EG-verdrag – vergen wel voortdurend onderhoud, voortdurend nieuwe besluiten. Grensoverschrijdende handel trekt een wissel op grondstoffen, het milieu, diergezondheid, consumentenbelangen, etc. De huidige verdragen maken het mogelijk grensoverschrijdende aspecten van de interne markt te reguleren: een interne markt functioneert niet vanzelf eerlijk of sociaal. Soms zijn dus voor het beter en slagvaardiger functioneren van de EU nieuwe regels nodig. Die Europese regels worden de laatste jaren vaak geridiculariseerd zonder dat enige acht wordt geslagen op de context ervan. De EU kent zelfs regels over de kromming van bananen, wordt wel eens aangevoerd als hét bewijs van doorgeschoten Brusselse bemoeizucht. Die regels bestaan inderdaad, want ze zijn nodig zijn om te voorkomen dat lidstaten (zoals ze deden) handelsbelemmeringen opwerpen voor bananeninvoer, door te eisen dat ze – vanwege afwijkingen van de nationale bananenstandaard – moeten worden verkrat aan de grens. Ook het beeld dat de EU zich mengt in de wijze waarop wij onze sociale zekerheid, pensioenen, onderwijs of drugsbeleid hebben georganiseerd klopt niet, maar is hardnekkig. Nationale politici, betrokken bij de Brusselse beleidsvorming, geven weinig uitleg over die besluiten en doen nog minder aan het bestrijden (soms hen welgevallige) misverstanden. Mede door die houding gaan hele algemene en onjuiste voorstellingen over een boze Brusselse buitenwereld er goed in.

Ik vind het bijvoorbeeld opvallend dat de Bruin in zijn stuk geen enkel concreet voorbeeld noemt van een EU-bevoegdheid of regel noemt die hij terug zou willen draaien. Geen euro meer, weer wel monopolies, minder milieubescherming (waardoor we vooral de milieubelasting van andere lidstaten zullen gaan voelen), minder consumentenbescherming, minder voedselveiligheid of dienrenwelzijn? Het betoog blijft daar steken in abstracties. Ook het plan om de Unie voortaan te bestempelen als ‘statenverbond’ (een niet bestaande categorie statelijke samenwerking) is een abstractie, een luchtkasteel. We kunnen dat morgen doen (de Duitsers deden het zo’n tien jaar geleden al), maar die ‘Etikettenschwindel’ het verandert niets. De bevoegdheden blijven dezelfde, het Europese recht zal als voorheen voorrang hebben boven het nationale recht uit kracht van de eigen rechtsorde. Ook de Bruin’s voorstel voor afschaffing van het Europees Parlement is een geste voor de bühne, want als er een instelling als effectieve tegenmacht heeft gefunctioneerd in de afgelopen vijf jaar is het Europees Parlement wel, zoals ook Van den Bos constateert (VK 8 januari). Afschaffing lost ook helemaal niks op, het leidt op zijn best tot nog minder democratische controle op de EU-instellingen.

Een grotere controle op de EU-agenda is een tweede belangrijke behoefte die blijkt uit de peilingen. Het parlement is daartoe de sleutel. Ons Nederlandse parlement bemoeit zich echter hoegenaamd niet met Brusselse voorstellen. De tegenzin om nationaal mee te praten over Europese besluitvorming veroorzaakt een keten van negatieve effecten. Ten eerste is de kennis en belangstelling van Nederlandse parlementariërs over de EU veel te laag. Veel parlementariërs weten niet eens dat ze iets hebben in te brengen, laat staan hoe. Doordat het Nederlandse parlement niet aan het begin van de besluitvormingsketen meepraat (via een onderhandelingsinstructie aan de regering), voelen vastgestelde besluiten vaak als een Brussels dictaat, met alle gevolgen van dien. Dat moet echt anders. Dit nieuwe parlement zou er goed aan doen zich voor te laten lichten, en in het belang van al die eurokritische burgers op de Europese dossiers te kruipen als een bok op een haverkist. Die burgers willen weten wat er gaande is, en wat de Nederlandse onderhandelaars in Brussel namens hen beslissen. Daarin heeft de Bruin gelijk: de discussie over Europese besluiten en beleid moet plaatsvinden in de vergaderzalen van de Tweede en Eerste Kamer, en niet louter op een departement of in een Brusselse onderhandelingskamer, zoals nu het geval is. Britten, Denen, en Oostenrijkers hebben er door de introductie van een zogenaamd parlementair onderhandelingsvoorbehoud voor gezorgd dat over belangrijke EU-dossiers de nationale regering niet kan onderhandelen zonder dat het parlement zich heeft uitgesproken in een onderhandelingsinstructie aan de regering. Het nationale parlement heeft daar greep op de Brusselse besluitvorming, in Nederland nauwelijks.

Als we een eerlijk debat willen over de Europese toekomst na het ‘nee’ dan zal dat moeten beginnen op basis van feiten en evenwichtige afwegingen, en zal het moeten lopen via het Nederlandse parlement (en niet alleen via de regering). Dat zal een veel grotere indruk maken bij de Europese partners (die laten we dat niet vergeten ook niet iets te zeggen hebben over die toekomst) dan het huidige nietszeggende Nederlandse dictaat aan een half miljard EU-onderdanen: ‘nee is nee’.

Advertisements

About wimvoermans

Meer nog te vinden op http://www.wimvoermans.nl/ en op facebook http://www.facebook.com/wim.voermans.58
This entry was posted in Politiek and tagged , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s